Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Koningen 14

מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בָּ/עֵ֣ת הַ/הִ֔יא חָלָ֖ה אֲבִיָּ֥ה בֶן יָרָבְעָֽם־׃
STATEN

Te dierzelfder tijd was Abía, de zoon van Jeróbeam, krank.

2
וַ/יֹּ֨אמֶר יָרָבְעָ֜ם לְ/אִשְׁתּ֗/וֹ ק֤וּמִי נָא֙ וְ/הִשְׁתַּנִּ֔ית וְ/לֹ֣א יֵֽדְע֔וּ כִּי אתי אֵ֣שֶׁת יָרָבְעָ֑ם וְ/הָלַ֣כְתְּ שִׁלֹ֗ה הִנֵּה שָׁם֙ אֲחִיָּ֣ה הַ/נָּבִ֔יא הֽוּא דִבֶּ֥ר עָלַ֛/י לְ/מֶ֖לֶךְ עַל הָ/עָ֥ם הַ/זֶּֽה־־־־׃ אַ֖תְּ
STATEN

En Jeróbeam zeide tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merke, dat gij Jeróbeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahía, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.

3
וְ/לָקַ֣חַתְּ בְּ֠/יָדֵ/ךְ עֲשָׂרָ֨ה לֶ֧חֶם וְ/נִקֻּדִ֛ים וּ/בַקְבֻּ֥ק דְּבַ֖שׁ וּ/בָ֣את אֵלָ֑י/ו ה֚וּא יַגִּ֣יד לָ֔/ךְ מַה יִּֽהְיֶ֖ה לַ/נָּֽעַר־׃
STATEN

En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat dezen jongen geschieden zal.

4
וַ/תַּ֤עַשׂ כֵּן֙ אֵ֣שֶׁת יָרָבְעָ֔ם וַ/תָּ֨קָם֙ וַ/תֵּ֣לֶךְ שִׁלֹ֔ה וַ/תָּבֹ֖א בֵּ֣ית אֲחִיָּ֑ה וַ/אֲחִיָּ֨הוּ֙ לֹֽא יָכֹ֣ל לִ/רְא֔וֹת כִּ֛י קָ֥מוּ עֵינָ֖י/ו מִ/שֵּׂיבֽ/וֹ־׃ס
STATEN

En Jeróbeams huisvrouw deed alzo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahía. Ahía nu kon niet zien, want zijn ogen stonden stijf vanwege zijn ouderdom.

5
וַ/יהוָ֞ה אָמַ֣ר אֶל אֲחִיָּ֗הוּ הִנֵּ֣ה אֵ֣שֶׁת יָרָבְעָ֡ם בָּאָ֣ה לִ/דְרֹשׁ֩ דָּבָ֨ר מֵ/עִמְּ/ךָ֤ אֶל בְּנָ/הּ֙ כִּֽי חֹלֶ֣ה ה֔וּא כָּ/זֹ֥ה וְ/כָ/זֶ֖ה תְּדַבֵּ֣ר אֵלֶ֑י/הָ וִ/יהִ֣י כְ/בֹאָ֔/הּ וְ/הִ֖יא מִתְנַכֵּרָֽה־־־׃
STATEN

Maar de HEERE zeide tot Ahía: Zie, Jeróbeams huisvrouw komt, om een zaak van u te vragen, aangaande haar zoon, want hij is krank; zo en zo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal.

6
וַ/יְהִי֩ כִ/שְׁמֹ֨עַ אֲחִיָּ֜הוּ אֶת ק֤וֹל רַגְלֶ֨י/הָ֙ בָּאָ֣ה בַ/פֶּ֔תַח וַ/יֹּ֕אמֶר בֹּ֖אִי אֵ֣שֶׁת יָרָבְעָ֑ם לָ֣/מָּה זֶּ֗ה אַ֚תְּ מִתְנַכֵּרָ֔ה וְ/אָ֣נֹכִ֔י שָׁל֥וּחַ אֵלַ֖יִ/ךְ קָשָֽׁה־׃
STATEN

En het geschiedde, als Ahía het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jeróbeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.

7
לְכִ֞י אִמְרִ֣י לְ/יָרָבְעָ֗ם כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל יַ֛עַן אֲשֶׁ֥ר הֲרִימֹתִ֖י/ךָ מִ/תּ֣וֹךְ הָ/עָ֑ם וָ/אֶתֶּנְ/ךָ֣ נָגִ֔יד עַ֖ל עַמִּ֥/י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Ga heen, zeg Jeróbeam: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden des volks, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb;

8
וָ/אֶקְרַ֤ע אֶת הַ/מַּמְלָכָה֙ מִ/בֵּ֣ית דָּוִ֔ד וָ/אֶתְּנֶ֖/הָ לָ֑/ךְ וְ/לֹֽא הָיִ֜יתָ כְּ/עַבְדִּ֣/י דָוִ֗ד אֲשֶׁר֩ שָׁמַ֨ר מִצְוֺתַ֜/י וַ/אֲשֶׁר הָלַ֤ךְ אַחֲרַ/י֙ בְּ/כָל לְבָב֔/וֹ לַ/עֲשׂ֕וֹת רַ֖ק הַ/יָּשָׁ֥ר בְּ/עֵינָֽ/י־־־־׃
STATEN

En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt, gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn ganse hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen;

9
וַ/תָּ֣רַע לַ/עֲשׂ֔וֹת מִ/כֹּ֖ל אֲשֶׁר הָי֣וּ לְ/פָנֶ֑י/ךָ וַ/תֵּ֡לֶךְ וַ/תַּעֲשֶׂה לְּ/ךָ֩ אֱלֹהִ֨ים אֲחֵרִ֤ים וּ/מַסֵּכוֹת֙ לְ/הַכְעִיסֵ֔/נִי וְ/אֹתִ֥/י הִשְׁלַ֖כְתָּ אַחֲרֵ֥י גַוֶּֽ/ךָ־־׃ס
STATEN

Maar kwaad gedaan hebt, doende des meer dan allen, die voor u geweest zijn, en henengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegotene beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;

10
לָ/כֵ֗ן הִנְ/נִ֨י מֵבִ֤יא רָעָה֙ אֶל בֵּ֣ית יָרָבְעָ֔ם וְ/הִכְרַתִּ֤י לְ/יָֽרָבְעָם֙ מַשְׁתִּ֣ין בְּ/קִ֔יר עָצ֥וּר וְ/עָז֖וּב בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וּ/בִֽעַרְתִּי֙ אַחֲרֵ֣י בֵית יָרָבְעָ֔ם כַּ/אֲשֶׁ֛ר יְבַעֵ֥ר הַ/גָּלָ֖ל עַד תֻּמּֽ/וֹ־־־׃
STATEN

Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jeróbeam brengen, en van Jeróbeam uitroeien, wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jeróbeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.

11
הַ/מֵּ֨ת לְ/יָֽרָבְעָ֤ם בָּ/עִיר֙ יֹאכְל֣וּ הַ/כְּלָבִ֔ים וְ/הַ/מֵּת֙ בַּ/שָּׂדֶ֔ה יֹאכְל֖וּ ע֣וֹף הַ/שָּׁמָ֑יִם כִּ֥י יְהוָ֖ה דִּבֵּֽר׃
STATEN

Die van Jeróbeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten; want de HEERE heeft het gesproken.

12
וְ/אַ֥תְּ ק֖וּמִי לְכִ֣י לְ/בֵיתֵ֑/ךְ בְּ/בֹאָ֥ה רַגְלַ֛יִ/ךְ הָ/עִ֖ירָ/ה וּ/מֵ֥ת הַ/יָּֽלֶד׃
STATEN

Gij dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Koningen 14

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Koningen 14 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →