Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Koningen 2

מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּקְרְב֥וּ יְמֵֽי דָוִ֖ד לָ/מ֑וּת וַ/יְצַ֛ו אֶת שְׁלֹמֹ֥ה בְנ֖/וֹ לֵ/אמֹֽר־־׃
STATEN

Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Sálomo, zeggende:

2
אָנֹכִ֣י הֹלֵ֔ךְ בְּ/דֶ֖רֶךְ כָּל הָ/אָ֑רֶץ וְ/חָזַקְתָּ֖ וְ/הָיִ֥יתָֽ לְ/אִֽישׁ־׃
STATEN

Ik ga heen in den weg der ganse aarde, zo wees sterk, en wees een man.

3
וְ/שָׁמַרְתָּ֞ אֶת מִשְׁמֶ֣רֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ לָ/לֶ֤כֶת בִּ/דְרָכָי/ו֙ לִ/שְׁמֹ֨ר חֻקֹּתָ֤י/ו מִצְוֺתָי/ו֙ וּ/מִשְׁפָּטָ֣י/ו וְ/עֵדְוֺתָ֔י/ו כַּ/כָּת֖וּב בְּ/תוֹרַ֣ת מֹשֶׁ֑ה לְמַ֣עַן תַּשְׂכִּ֗יל אֵ֚ת כָּל אֲשֶׁ֣ר תַּֽעֲשֶׂ֔ה וְ/אֵ֛ת כָּל אֲשֶׁ֥ר תִּפְנֶ֖ה שָֽׁם־׀־־׃
STATEN

En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;

4
לְמַעַן֩ יָקִ֨ים יְהוָ֜ה אֶת דְּבָר֗/וֹ אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֣ר עָלַ/י֮ לֵ/אמֹר֒ אִם יִשְׁמְר֨וּ בָנֶ֜י/ךָ אֶת דַּרְכָּ֗/ם לָ/לֶ֤כֶת לְ/פָנַ/י֙ בֶּ/אֱמֶ֔ת בְּ/כָל לְבָבָ֖/ם וּ/בְ/כָל נַפְשָׁ֑/ם לֵ/אמֹ֕ר לֹֽא יִכָּרֵ֤ת לְ/ךָ֙ אִ֔ישׁ מֵ/עַ֖ל כִּסֵּ֥א יִשְׂרָאֵֽל־־־־־־׃
STATEN

Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israëls.

5
וְ/גַ֣ם אַתָּ֣ה יָדַ֡עְתָּ אֵת֩ אֲשֶׁר עָ֨שָׂה לִ֜/י יוֹאָ֣ב בֶּן צְרוּיָ֗ה אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֣ה לִ/שְׁנֵֽי שָׂרֵ֣י צִבְא֣וֹת יִ֠שְׂרָאֵל לְ/אַבְנֵ֨ר בֶּן נֵ֜ר וְ/לַ/עֲמָשָׂ֤א בֶן יֶ֨תֶר֙ וַ/יַּ֣הַרְגֵ֔/ם וַ/יָּ֥שֶׂם דְּמֵֽי מִלְחָמָ֖ה בְּ/שָׁלֹ֑ם וַ/יִּתֵּ֞ן דְּמֵ֣י מִלְחָמָ֗ה בַּ/חֲגֹֽרָת/וֹ֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/מָתְנָ֔י/ו וּֽ/בְ/נַעֲל֖/וֹ אֲשֶׁ֥ר בְּ/רַגְלָֽי/ו־־־־־־׃
STATEN

Zo weet gij ook, wat Joab, de zoon van Zerúja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, den zoon van Ner, en Amása, den zoon van Jether, dien hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.

6
וְ/עָשִׂ֖יתָ כְּ/חָכְמָתֶ֑/ךָ וְ/לֹֽא תוֹרֵ֧ד שֵׂיבָת֛/וֹ בְּ/שָׁלֹ֖ם שְׁאֹֽל־׃ס
STATEN

Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.

7
וְ/לִ/בְנֵ֨י בַרְזִלַּ֤י הַ/גִּלְעָדִי֙ תַּֽעֲשֶׂה חֶ֔סֶד וְ/הָי֖וּ בְּ/אֹכְלֵ֣י שֻׁלְחָנֶ֑/ךָ כִּי כֵן֙ קָרְב֣וּ אֵלַ֔/י בְּ/בָרְחִ֕/י מִ/פְּנֵ֖י אַבְשָׁל֥וֹם אָחִֽי/ךָ־־׃
STATEN

Maar aan de zonen van Barzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.

8
וְ/הִנֵּ֣ה עִ֠מְּ/ךָ שִֽׁמְעִ֨י בֶן גֵּרָ֥א בֶן הַ/יְמִינִי֮ מִ/בַּחֻרִים֒ וְ/ה֤וּא קִֽלְלַ֨/נִי֙ קְלָלָ֣ה נִמְרֶ֔צֶת בְּ/י֖וֹם לֶכְתִּ֣/י מַחֲנָ֑יִם וְ/הֽוּא יָרַ֤ד לִ/קְרָאתִ/י֙ הַ/יַּרְדֵּ֔ן וָ/אֶשָּׁ֨בַֽע ל֤/וֹ בַֽ/יהוָה֙ לֵ/אמֹ֔ר אִם אֲמִֽיתְ/ךָ֖ בֶּ/חָֽרֶב־־־־׃
STATEN

En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahûrim, die mij vloekte met een geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanáïm; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij den HEERE, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!

9
וְ/עַתָּה֙ אַל תְּנַקֵּ֔/הוּ כִּ֛י אִ֥ישׁ חָכָ֖ם אָ֑תָּה וְ/יָֽדַעְתָּ֙ אֵ֣ת אֲשֶׁ֣ר תַּֽעֲשֶׂה לּ֔/וֹ וְ/הוֹרַדְתָּ֧ אֶת שֵׂיבָת֛/וֹ בְּ/דָ֖ם שְׁאֽוֹל־־־׃
STATEN

Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.

10
וַ/יִּשְׁכַּ֥ב דָּוִ֖ד עִם אֲבֹתָ֑י/ו וַ/יִּקָּבֵ֖ר בְּ/עִ֥יר דָּוִֽד־׃פ
STATEN

En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.

11
וְ/הַ/יָּמִ֗ים אֲשֶׁ֨ר מָלַ֤ךְ דָּוִד֙ עַל יִשְׂרָאֵ֔ל אַרְבָּעִ֖ים שָׁנָ֑ה בְּ/חֶבְר֤וֹן מָלַךְ֙ שֶׁ֣בַע שָׁנִ֔ים וּ/בִ/ירוּשָׁלִַ֣ם מָלַ֔ךְ שְׁלֹשִׁ֥ים וְ/שָׁלֹ֖שׁ שָׁנִֽים־׃
STATEN

De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.

12
וּ/שְׁלֹמֹ֕ה יָשַׁ֕ב עַל כִּסֵּ֖א דָּוִ֣ד אָבִ֑י/ו וַ/תִּכֹּ֥ן מַלְכֻת֖/וֹ מְאֹֽד־׃
STATEN

En Sálomo zat op den troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Koningen 2

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Koningen 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →