NEVIIM

1 Koningen 10

מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
1
וּ/מַֽלְכַּת שְׁבָ֗א שֹׁמַ֛עַת אֶת שֵׁ֥מַע שְׁלֹמֹ֖ה לְ/שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה וַ/תָּבֹ֥א לְ/נַסֹּת֖/וֹ בְּ/חִידֽוֹת
STATEN

En toen de koningin van Scheba het gerucht van Sálomo hoorde, aangaande den Naam des HEEREN, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.

2
וַ/תָּבֹ֣א יְרוּשָׁלְַ֗מָ/ה בְּ/חַיִל֮ כָּבֵ֣ד מְאֹד֒ גְּ֠מַלִּים נֹשְׂאִ֨ים בְּשָׂמִ֧ים וְ/זָהָ֛ב רַב מְאֹ֖ד וְ/אֶ֣בֶן יְקָרָ֑ה וַ/תָּבֹא֙ אֶל שְׁלֹמֹ֔ה וַ/תְּדַבֵּ֣ר אֵלָ֔י/ו אֵ֛ת כָּל אֲשֶׁ֥ר הָיָ֖ה עִם לְבָבָֽ/הּ
STATEN

En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Sálomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was.

3
וַ/יַּגֶּד לָ֥/הּ שְׁלֹמֹ֖ה אֶת כָּל דְּבָרֶ֑י/הָ לֹֽא הָיָ֤ה דָּבָר֙ נֶעְלָ֣ם מִן הַ/מֶּ֔לֶךְ אֲשֶׁ֧ר לֹ֦א הִגִּ֖יד לָֽ/הּ
STATEN

En Sálomo verklaarde haar al haar woorden; geen ding was er verborgen voor den koning, dat hij haar niet verklaarde.

4
וַ/תֵּ֨רֶא֙ מַֽלְכַּת שְׁבָ֔א אֵ֖ת כָּל חָכְמַ֣ת שְׁלֹמֹ֑ה וְ/הַ/בַּ֖יִת אֲשֶׁ֥ר בָּנָֽה
STATEN

Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Sálomo, en het huis, hetwelk hij gebouwd had,

5
וּ/מַאֲכַ֣ל שֻׁלְחָנ֡/וֹ וּ/מוֹשַׁ֣ב עֲבָדָי/ו֩ וּ/מַעֲמַ֨ד משרת/ו וּ/מַלְבֻּֽשֵׁי/הֶם֙ וּ/מַשְׁקָ֔י/ו וְ/עֹ֣לָת֔/וֹ אֲשֶׁ֥ר יַעֲלֶ֖ה בֵּ֣ית יְהוָ֑ה וְ/לֹא הָ֥יָה בָ֛/הּ ע֖וֹד רֽוּחַ מְשָׁרְתָ֜י/ו
STATEN

En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij henen opging in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer.

6
וַ/תֹּ֨אמֶר֙ אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ אֱמֶת֙ הָיָ֣ה הַ/דָּבָ֔ר אֲשֶׁ֥ר שָׁמַ֖עְתִּי בְּ/אַרְצִ֑/י עַל דְּבָרֶ֖י/ךָ וְ/עַל חָכְמָתֶֽ/ךָ
STATEN

En zij zeide tot den koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.

7
וְ/לֹֽא הֶאֱמַ֣נְתִּי לַ/דְּבָרִ֗ים עַ֤ד אֲשֶׁר בָּ֨אתִי֙ וַ/תִּרְאֶ֣ינָה עֵינַ֔/י וְ/הִנֵּ֥ה לֹֽא הֻגַּד לִ֖/י הַ/חֵ֑צִי הוֹסַ֤פְתָּ חָכְמָה֙ וָ/ט֔וֹב אֶל הַ/שְּׁמוּעָ֖ה אֲשֶׁ֥ר שָׁמָֽעְתִּי
STATEN

Ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd; gij hebt met wijsheid, en goed overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.

8
אַשְׁרֵ֣י אֲנָשֶׁ֔י/ךָ אַשְׁרֵ֖י עֲבָדֶ֣י/ךָ אֵ֑לֶּה הָֽ/עֹמְדִ֤ים לְ/פָנֶ֨י/ךָ֙ תָּמִ֔יד הַ/שֹּׁמְעִ֖ים אֶת חָכְמָתֶֽ/ךָ
STATEN

Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!

9
יְהִ֨י יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ בָּר֔וּךְ אֲשֶׁר֙ חָפֵ֣ץ בְּ/ךָ֔ לְ/תִתְּ/ךָ֖ עַל כִּסֵּ֣א יִשְׂרָאֵ֑ל בְּ/אַהֲבַ֨ת יְהוָ֤ה אֶת יִשְׂרָאֵל֙ לְ/עֹלָ֔ם וַ/יְשִֽׂימְ/ךָ֣ לְ/מֶ֔לֶךְ לַ/עֲשׂ֥וֹת מִשְׁפָּ֖ט וּ/צְדָקָֽה
STATEN

Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op den troon van Israël te zetten! Omdat de HEERE Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

10
וַ/תִּתֵּ֨ן לַ/מֶּ֜לֶךְ מֵאָ֥ה וְ/עֶשְׂרִ֣ים כִּכַּ֣ר זָהָ֗ב וּ/בְשָׂמִ֛ים הַרְבֵּ֥ה מְאֹ֖ד וְ/אֶ֣בֶן יְקָרָ֑ה לֹא בָא֩ כַ/בֹּ֨שֶׂם הַ/ה֥וּא עוֹד֙ לָ/רֹ֔ב אֲשֶׁר נָתְנָ֥ה מַֽלְכַּת שְׁבָ֖א לַ/מֶּ֥לֶךְ שְׁלֹמֹֽה
STATEN

En zij gaf den koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Sálomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.

11
וְ/גַם֙ אֳנִ֣י חִירָ֔ם אֲשֶׁר נָשָׂ֥א זָהָ֖ב מֵ/אוֹפִ֑יר הֵבִ֨יא מֵ/אֹפִ֜יר עֲצֵ֧י אַלְמֻגִּ֛ים הַרְבֵּ֥ה מְאֹ֖ד וְ/אֶ֥בֶן יְקָרָֽה
STATEN

Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.

12
וַ/יַּ֣עַשׂ הַ֠/מֶּלֶךְ אֶת עֲצֵ֨י הָ/אַלְמֻגִּ֜ים מִסְעָ֤ד לְ/בֵית יְהוָה֙ וּ/לְ/בֵ֣ית הַ/מֶּ֔לֶךְ וְ/כִנֹּר֥וֹת וּ/נְבָלִ֖ים לַ/שָּׁרִ֑ים לֹ֣א בָֽא כֵ֞ן עֲצֵ֤י אַלְמֻגִּים֙ וְ/לֹ֣א נִרְאָ֔ה עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה
STATEN

En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis des HEEREN, en voor het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op dezen dag.

13
וְ/הַ/מֶּ֨לֶךְ שְׁלֹמֹ֜ה נָתַ֣ן לְ/מַֽלְכַּת שְׁבָ֗א אֶת כָּל חֶפְצָ/הּ֙ אֲשֶׁ֣ר שָׁאָ֔לָה מִ/לְּ/בַד֙ אֲשֶׁ֣ר נָֽתַן לָ֔/הּ כְּ/יַ֖ד הַ/מֶּ֣לֶךְ שְׁלֹמֹ֑ה וַ/תֵּ֛פֶן וַ/תֵּ֥לֶךְ לְ/אַרְצָ֖/הּ הִ֥יא וַ/עֲבָדֶֽי/הָ
STATEN

En de koning Sálomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van den koning Sálomo; zo keerde zij en toog in haar land, zij en haar knechten.

14
וַֽ/יְהִי֙ מִשְׁקַ֣ל הַ/זָּהָ֔ב אֲשֶׁר בָּ֥א לִ/שְׁלֹמֹ֖ה בְּ/שָׁנָ֣ה אֶחָ֑ת שֵׁ֥שׁ מֵא֛וֹת שִׁשִּׁ֥ים וָ/שֵׁ֖שׁ כִּכַּ֥ר זָהָֽב
STATEN

Het gewicht nu van het goud, dat voor Sálomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;

15
לְ/בַד֙ מֵ/אַנְשֵׁ֣י הַ/תָּרִ֔ים וּ/מִסְחַ֖ר הָ/רֹכְלִ֑ים וְ/כָל מַלְכֵ֥י הָ/עֶ֖רֶב וּ/פַח֥וֹת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de geweldigen van dat land.

16
וַ/יַּ֨עַשׂ הַ/מֶּ֧לֶךְ שְׁלֹמֹ֛ה מָאתַ֥יִם צִנָּ֖ה זָהָ֣ב שָׁח֑וּט שֵׁשׁ מֵא֣וֹת זָהָ֔ב יַעֲלֶ֖ה עַל הַ/צִּנָּ֥ה הָ/אֶחָֽת
STATEN

Ook maakte de koning Sálomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas.

17
וּ/שְׁלֹשׁ מֵא֤וֹת מָֽגִנִּים֙ זָהָ֣ב שָׁח֔וּט שְׁלֹ֤שֶׁת מָנִים֙ זָהָ֔ב יַעֲלֶ֖ה עַל הַ/מָּגֵ֣ן הָ/אֶחָ֑ת וַ/יִּתְּנֵ֣/ם הַ/מֶּ֔לֶךְ בֵּ֖ית יַ֥עַר הַ/לְּבָנֽוֹן
STATEN

Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis des wouds van Libanon.

18
וַ/יַּ֧עַשׂ הַ/מֶּ֛לֶךְ כִּסֵּא שֵׁ֖ן גָּד֑וֹל וַ/יְצַפֵּ֖/הוּ זָהָ֥ב מוּפָֽז
STATEN

Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud.

19
שֵׁ֧שׁ מַעֲל֣וֹת לַ/כִּסֵּ֗ה וְ/רֹאשׁ עָגֹ֤ל לַ/כִּסֵּה֙ מֵ/אַֽחֲרָ֔י/ו וְ/יָדֹ֛ת מִ/זֶּ֥ה וּ/מִ/זֶּ֖ה אֶל מְק֣וֹם הַ/שָּׁ֑בֶת וּ/שְׁנַ֣יִם אֲרָי֔וֹת עֹמְדִ֖ים אֵ֥צֶל הַ/יָּדֽוֹת
STATEN

Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen.

20
וּ/שְׁנֵ֧ים עָשָׂ֣ר אֲרָיִ֗ים עֹמְדִ֥ים שָׁ֛ם עַל שֵׁ֥שׁ הַֽ/מַּעֲל֖וֹת מִ/זֶּ֣ה וּ/מִ/זֶּ֑ה לֹֽא נַעֲשָׂ֥ה כֵ֖ן לְ/כָל מַמְלָכֽוֹת
STATEN

En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest.

21
וְ֠/כֹל כְּלֵ֞י מַשְׁקֵ֨ה הַ/מֶּ֤לֶךְ שְׁלֹמֹה֙ זָהָ֔ב וְ/כֹ֗ל כְּלֵ֛י בֵּֽית יַ֥עַר הַ/לְּבָנ֖וֹן זָהָ֣ב סָג֑וּר אֵ֣ין כֶּ֗סֶף לֹ֥א נֶחְשָׁ֛ב בִּ/ימֵ֥י שְׁלֹמֹ֖ה לִ/מְאֽוּמָה
STATEN

Ook waren alle drinkvaten van den koning Sálomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Sálomo niet voor enig ding geacht.

22
כִּי֩ אֳנִ֨י תַרְשִׁ֤ישׁ לַ/מֶּ֨לֶךְ֙ בַּ/יָּ֔ם עִ֖ם אֳנִ֣י חִירָ֑ם אַחַת֩ לְ/שָׁלֹ֨שׁ שָׁנִ֜ים תָּב֣וֹא אֳנִ֣י תַרְשִׁ֗ישׁ נֹֽשְׂאֵת֙ זָהָ֣ב וָ/כֶ֔סֶף שֶׁנְהַבִּ֥ים וְ/קֹפִ֖ים וְ/תֻכִּיִּֽים
STATEN

Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.

23
וַ/יִּגְדַּל֙ הַ/מֶּ֣לֶךְ שְׁלֹמֹ֔ה מִ/כֹּ֖ל מַלְכֵ֣י הָ/אָ֑רֶץ לְ/עֹ֖שֶׁר וּ/לְ/חָכְמָֽה
STATEN

Alzo werd de koning Sálomo groter dan alle koningen der aarde, in rijkdom en in wijsheid.

24
וְ/כָ֨ל הָ/אָ֔רֶץ מְבַקְשִׁ֖ים אֶת פְּנֵ֣י שְׁלֹמֹ֑ה לִ/שְׁמֹ֨עַ֙ אֶת חָכְמָת֔/וֹ אֲשֶׁר נָתַ֥ן אֱלֹהִ֖ים בְּ/לִבּֽ/וֹ
STATEN

En de ganse aarde zocht het aangezicht van Sálomo, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.

25
וְ/הֵ֣מָּה מְבִאִ֣ים אִ֣ישׁ מִנְחָת֡/וֹ כְּלֵ֣י כֶסֶף֩ וּ/כְלֵ֨י זָהָ֤ב וּ/שְׂלָמוֹת֙ וְ/נֵ֣שֶׁק וּ/בְשָׂמִ֔ים סוּסִ֖ים וּ/פְרָדִ֑ים דְּבַר שָׁנָ֖ה בְּ/שָׁנָֽה
STATEN

En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar.

26
וַ/יֶּאֱסֹ֣ף שְׁלֹמֹה֮ רֶ֣כֶב וּ/פָרָשִׁים֒ וַ/יְהִי ל֗/וֹ אֶ֤לֶף וְ/אַרְבַּע מֵאוֹת֙ רֶ֔כֶב וּ/שְׁנֵים עָשָׂ֥ר אֶ֖לֶף פָּֽרָשִׁ֑ים וַ/יַּנְחֵ/ם֙ בְּ/עָרֵ֣י הָ/רֶ֔כֶב וְ/עִם הַ/מֶּ֖לֶךְ בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

Daartoe vergaderde Sálomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij den koning in Jeruzalem.

27
וַ/יִּתֵּ֨ן הַ/מֶּ֧לֶךְ אֶת הַ/כֶּ֛סֶף בִּ/ירוּשָׁלִַ֖ם כָּ/אֲבָנִ֑ים וְ/אֵ֣ת הָ/אֲרָזִ֗ים נָתַ֛ן כַּ/שִּׁקְמִ֥ים אֲשֶׁר בַּ/שְּׁפֵלָ֖ה לָ/רֹֽב
STATEN

En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.

28
וּ/מוֹצָ֧א הַ/סּוּסִ֛ים אֲשֶׁ֥ר לִ/שְׁלֹמֹ֖ה מִ/מִּצְרָ֑יִם וּ/מִ/קְוֵ֕ה סֹחֲרֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ יִקְח֥וּ מִ/קְוֵ֖ה בִּ/מְחִֽיר
STATEN

En het uitbrengen der paarden was hetgeen Sálomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des konings namen het linnen garen voor den prijs.

29
וַֽ֠/תַּעֲלֶה וַ/תֵּצֵ֨א מֶרְכָּבָ֤ה מִ/מִּצְרַ֨יִם֙ בְּ/שֵׁ֣שׁ מֵא֣וֹת כֶּ֔סֶף וְ/ס֖וּס בַּ/חֲמִשִּׁ֣ים וּ/מֵאָ֑ה וְ֠/כֵן לְ/כָל מַלְכֵ֧י הַ/חִתִּ֛ים וּ/לְ/מַלְכֵ֥י אֲרָ֖ם בְּ/יָדָ֥/ם יֹצִֽאוּ
STATEN

En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor honderd en vijftig; en alzo voerden ze die uit door hun hand voor alle koningen der Hethieten, en voor de koningen van Syrië.