Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Koningen 9

מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִי֙ כְּ/כַלּ֣וֹת שְׁלֹמֹ֔ה לִ/בְנ֥וֹת אֶת בֵּית יְהוָ֖ה וְ/אֶת בֵּ֣ית הַ/מֶּ֑לֶךְ וְ/אֵת֙ כָּל חֵ֣שֶׁק שְׁלֹמֹ֔ה אֲשֶׁ֥ר חָפֵ֖ץ לַ/עֲשֽׂוֹת־־־־׃פ
STATEN

Het geschiedde nu, als Sálomo voleind had te bouwen het huis des HEEREN en het huis des konings, en al de begeerten van Sálomo, die hem gelust had te maken;

2
וַ/יֵּרָ֧א יְהוָ֛ה אֶל שְׁלֹמֹ֖ה שֵׁנִ֑ית כַּ/אֲשֶׁ֛ר נִרְאָ֥ה אֵלָ֖י/ו בְּ/גִבְעֽוֹן־׃
STATEN

Dat de HEERE ten anderen male aan Sálomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gíbeon verschenen was.

3
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֵלָ֗י/ו שָׁ֠מַעְתִּי אֶת תְּפִלָּתְ/ךָ֣ וְ/אֶת תְּחִנָּתְ/ךָ֮ אֲשֶׁ֣ר הִתְחַנַּ֣נְתָּה לְ/פָנַ/י֒ הִקְדַּ֗שְׁתִּי אֶת הַ/בַּ֤יִת הַ/זֶּה֙ אֲשֶׁ֣ר בָּנִ֔תָה לָ/שֽׂוּם שְׁמִ֥/י שָׁ֖ם עַד עוֹלָ֑ם וְ/הָי֨וּ עֵינַ֧/י וְ/לִבִּ֛/י שָׁ֖ם כָּל הַ/יָּמִֽים־־־־־־׃
STATEN

En de HEERE zeide tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die gij voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, hetwelk gij gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam aldaar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te allen dage.

4
וְ/אַתָּ֞ה אִם תֵּלֵ֣ךְ לְ/פָנַ֗/י כַּ/אֲשֶׁ֨ר הָלַ֜ךְ דָּוִ֤ד אָבִ֨י/ךָ֙ בְּ/תָם לֵבָ֣ב וּ/בְ/יֹ֔שֶׁר לַ/עֲשׂ֕וֹת כְּ/כֹ֖ל אֲשֶׁ֣ר צִוִּיתִ֑י/ךָ חֻקַּ֥/י וּ/מִשְׁפָּטַ֖/י תִּשְׁמֹֽר־־׃
STATEN

En zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid des harten, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;

5
וַ/הֲקִ֨מֹתִ֜י אֶת כִּסֵּ֧א מַֽמְלַכְתְּ/ךָ֛ עַל יִשְׂרָאֵ֖ל לְ/עֹלָ֑ם כַּ/אֲשֶׁ֣ר דִּבַּ֗רְתִּי עַל דָּוִ֤ד אָבִ֨י/ךָ֙ לֵ/אמֹ֔ר לֹֽא יִכָּרֵ֤ת לְ/ךָ֙ אִ֔ישׁ מֵ/עַ֖ל כִּסֵּ֥א יִשְׂרָאֵֽל־־־־׃
STATEN

Zo zal Ik den troon uws koninkrijks over Israël bevestigen in eeuwigheid; gelijk als Ik gesproken heb over uw vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van den troon van Israël.

6
אִם שׁ֨וֹב תְּשֻׁב֜וּ/ן אַתֶּ֤ם וּ/בְנֵי/כֶם֙ מֵֽ/אַחֲרַ֔/י וְ/לֹ֤א תִשְׁמְרוּ֙ מִצְוֺתַ֣/י חֻקֹּתַ֔/י אֲשֶׁ֥ר נָתַ֖תִּי לִ/פְנֵי/כֶ֑ם וַ/הֲלַכְתֶּ֗ם וַ/עֲבַדְתֶּם֙ אֱלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֔ים וְ/הִשְׁתַּחֲוִיתֶ֖ם לָ/הֶֽם־׃
STATEN

Maar zo gijlieden u te enen male afkeren zult, gij en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn inzettingen, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u voor dezelve nederbuigen zult;

7
וְ/הִכְרַתִּ֣י אֶת יִשְׂרָאֵ֗ל מֵ/עַ֨ל פְּנֵ֤י הָ/אֲדָמָה֙ אֲשֶׁ֣ר נָתַ֣תִּי לָ/הֶ֔ם וְ/אֶת הַ/בַּ֨יִת֙ אֲשֶׁ֣ר הִקְדַּ֣שְׁתִּי לִ/שְׁמִ֔/י אֲשַׁלַּ֖ח מֵ/עַ֣ל פָּנָ֑/י וְ/הָיָ֧ה יִשְׂרָאֵ֛ל לְ/מָשָׁ֥ל וְ/לִ/שְׁנִינָ֖ה בְּ/כָל הָ/עַמִּֽים־־־׃
STATEN

Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, hetwelk Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken.

8
וְ/הַ/בַּ֤יִת הַ/זֶּה֙ יִהְיֶ֣ה עֶלְי֔וֹן כָּל עֹבֵ֥ר עָלָ֖י/ו יִשֹּׁ֣ם וְ/שָׁרָ֑ק וְ/אָמְר֗וּ עַל מֶ֨ה עָשָׂ֤ה יְהוָה֙ כָּ֔כָה לָ/אָ֥רֶץ הַ/זֹּ֖את וְ/לַ/בַּ֥יִת הַ/זֶּֽה־־׃
STATEN

En aangaande dit huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelve zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan dit land en aan dit huis?

9
וְ/אָמְר֗וּ עַל֩ אֲשֶׁ֨ר עָזְב֜וּ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/הֶ֗ם אֲשֶׁ֨ר הוֹצִ֣יא אֶת אֲבֹתָ/ם֮ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַיִם֒ וַֽ/יַּחֲזִ֨קוּ֙ בֵּ/אלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֔ים ו/ישתחו לָ/הֶ֖ם וַ/יַּעַבְדֻ֑/ם עַל כֵּ֗ן הֵבִ֤יא יְהוָה֙ עֲלֵי/הֶ֔ם אֵ֥ת כָּל הָ/רָעָ֖ה הַ/זֹּֽאת־־־־׃פ וַ/יִּשְׁתַּחֲו֥וּ
STATEN

En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hun God, verlaten hebben, Die hun vaderen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.

10
וַ/יְהִ֗י מִ/קְצֵה֙ עֶשְׂרִ֣ים שָׁנָ֔ה אֲשֶׁר בָּנָ֥ה שְׁלֹמֹ֖ה אֶת שְׁנֵ֣י הַ/בָּתִּ֑ים אֶת בֵּ֥ית יְהוָ֖ה וְ/אֶת בֵּ֥ית הַ/מֶּֽלֶךְ־־־־׃
STATEN

En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Sálomo die twee huizen gebouwd had, het huis des HEEREN en het huis des konings;

11
חִירָ֣ם מֶֽלֶךְ צֹ֠ר נִשָּׂ֨א אֶת שְׁלֹמֹ֜ה בַּ/עֲצֵי֩ אֲרָזִ֨ים וּ/בַ/עֲצֵ֧י בְרוֹשִׁ֛ים וּ/בַ/זָּהָ֖ב לְ/כָל חֶפְצ֑/וֹ אָ֡ז יִתֵּן֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ שְׁלֹמֹ֤ה לְ/חִירָם֙ עֶשְׂרִ֣ים עִ֔יר בְּ/אֶ֖רֶץ הַ/גָּלִֽיל־־־׃
STATEN

(Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Sálomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Sálomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galiléa.

12
וַ/יֵּצֵ֤א חִירָם֙ מִ/צֹּ֔ר לִ/רְאוֹת֙ אֶת הֶ֣/עָרִ֔ים אֲשֶׁ֥ר נָתַן ל֖/וֹ שְׁלֹמֹ֑ה וְ/לֹ֥א יָשְׁר֖וּ בְּ/עֵינָֽי/ו־־׃
STATEN

En Hiram toog uit van Tyrus, om de steden te bezien, die Sálomo hem gegeven had, maar zij waren niet recht in zijn ogen.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Koningen 9

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Koningen 9 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →