Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Koningen 13

מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/הִנֵּ֣ה אִ֣ישׁ אֱלֹהִ֗ים בָּ֧א מִ/יהוּדָ֛ה בִּ/דְבַ֥ר יְהוָ֖ה אֶל בֵּֽית אֵ֑ל וְ/יָרָבְעָ֛ם עֹמֵ֥ד עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ לְ/הַקְטִֽיר׀־־־׃
STATEN

En ziet, een man Gods kwam uit Juda, door het woord des HEEREN tot Beth-El; en Jeróbeam stond bij het altaar, om te roken.

2
וַ/יִּקְרָ֤א עַל הַ/מִּזְבֵּ֨חַ֙ בִּ/דְבַ֣ר יְהוָ֔ה וַ/יֹּ֨אמֶר֙ מִזְבֵּ֣חַ מִזְבֵּ֔חַ כֹּ֖ה אָמַ֣ר יְהוָ֑ה הִנֵּֽה בֵ֞ן נוֹלָ֤ד לְ/בֵית דָּוִד֙ יֹאשִׁיָּ֣הוּ שְׁמ֔/וֹ וְ/זָבַ֣ח עָלֶ֗י/ךָ אֶת כֹּהֲנֵ֤י הַ/בָּמוֹת֙ הַ/מַּקְטִרִ֣ים עָלֶ֔י/ךָ וְ/עַצְמ֥וֹת אָדָ֖ם יִשְׂרְפ֥וּ עָלֶֽי/ךָ־־־־׃
STATEN

En hij riep tegen het altaar, door het woord des HEEREN, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, een zoon zal aan het huis Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josía; die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.

3
וְ/נָתַן֩ בַּ/יּ֨וֹם הַ/ה֤וּא מוֹפֵת֙ לֵ/אמֹ֔ר זֶ֣ה הַ/מּוֹפֵ֔ת אֲשֶׁ֖ר דִּבֶּ֣ר יְהוָ֑ה הִנֵּ֤ה הַ/מִּזְבֵּ֨חַ֙ נִקְרָ֔ע וְ/נִשְׁפַּ֖ךְ הַ/דֶּ֥שֶׁן אֲשֶׁר עָלָֽי/ו־׃
STATEN

En hij gaf ten zelfden dage een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken, waarvan de HEERE gesproken heeft; ziet, het altaar zal vaneen gescheurd, en de as, die daarop is, afgestort worden.

4
וַ/יְהִי֩ כִ/שְׁמֹ֨עַ הַ/מֶּ֜לֶךְ אֶת דְּבַ֣ר אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֗ים אֲשֶׁ֨ר קָרָ֤א עַל הַ/מִּזְבֵּ֨חַ֙ בְּ/בֵֽית אֵ֔ל וַ/יִּשְׁלַ֨ח יָרָבְעָ֧ם אֶת יָד֛/וֹ מֵ/עַ֥ל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ לֵ/אמֹ֣ר תִּפְשֻׂ֑/הוּ וַ/תִּיבַ֤שׁ יָד/וֹ֙ אֲשֶׁ֣ר שָׁלַ֣ח עָלָ֔י/ו וְ/לֹ֥א יָכֹ֖ל לַ/הֲשִׁיבָ֥/הּ אֵלָֽי/ו־־־־־׀׃
STATEN

Het geschiedde nu, als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-El geroepen had, dat Jeróbeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon.

5
וְ/הַ/מִּזְבֵּ֣חַ נִקְרָ֔ע וַ/יִּשָּׁפֵ֥ךְ הַ/דֶּ֖שֶׁן מִן הַ/מִּזְבֵּ֑חַ כַּ/מּוֹפֵ֗ת אֲשֶׁ֥ר נָתַ֛ן אִ֥ישׁ הָ/אֱלֹהִ֖ים בִּ/דְבַ֥ר יְהוָֽה־׃
STATEN

En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man Gods gegeven had, door het woord des HEEREN.

6
וַ/יַּ֨עַן הַ/מֶּ֜לֶךְ וַ/יֹּ֣אמֶר אֶל אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֗ים חַל נָ֞א אֶת פְּנֵ֨י יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ וְ/הִתְפַּלֵּ֣ל בַּעֲדִ֔/י וְ/תָשֹׁ֥ב יָדִ֖/י אֵלָ֑/י וַ/יְחַ֤ל אִישׁ הָֽ/אֱלֹהִים֙ אֶת פְּנֵ֣י יְהוָ֔ה וַ/תָּ֤שָׁב יַד הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֵלָ֔י/ו וַ/תְּהִ֖י כְּ/בָ/רִֽאשֹׁנָֽה׀־־־־־־׃
STATEN

Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijn hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren.

7
וַ/יְדַבֵּ֤ר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֶל אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֔ים בֹּאָ/ה אִתִּ֥/י הַ/בַּ֖יְתָ/ה וּֽ/סְעָ֑דָ/ה וְ/אֶתְּנָ֥ה לְ/ךָ֖ מַתָּֽת־־׃
STATEN

En de koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.

8
וַ/יֹּ֤אמֶר אִישׁ הָֽ/אֱלֹהִים֙ אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ אִם תִּתֶּן לִ/י֙ אֶת חֲצִ֣י בֵיתֶ֔/ךָ לֹ֥א אָבֹ֖א עִמָּ֑/ךְ וְ/לֹֽא אֹ֤כַל לֶ֨חֶם֙ וְ/לֹ֣א אֶשְׁתֶּה מַּ֔יִם בַּ/מָּק֖וֹם הַ/זֶּֽה־־־־־־־׃
STATEN

Maar de man Gods zeide tot den koning: Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.

9
כִּֽי כֵ֣ן צִוָּ֣ה אֹתִ֗/י בִּ/דְבַ֤ר יְהוָה֙ לֵ/אמֹ֔ר לֹא תֹ֥אכַל לֶ֖חֶם וְ/לֹ֣א תִשְׁתֶּה מָּ֑יִם וְ/לֹ֣א תָשׁ֔וּב בַּ/דֶּ֖רֶךְ אֲשֶׁ֥ר הָלָֽכְתָּ־׀־־׃
STATEN

Want zo heeft mij de HEERE geboden door Zijn woord, zeggende: Gij zult geen brood eten, noch water drinken; en gij zult niet wederkeren door den weg, dien gij gegaan zijt.

10
וַ/יֵּ֖לֶךְ בְּ/דֶ֣רֶךְ אַחֵ֑ר וְ/לֹֽא שָׁ֣ב בַּ/דֶּ֔רֶךְ אֲשֶׁ֛ר בָּ֥א בָ֖/הּ אֶל בֵּֽית אֵֽל־־־׃פ
STATEN

En hij ging door een anderen weg, en keerde niet weder door den weg, door welken hij te Beth-El gekomen was.

11
וְ/נָבִ֤יא אֶחָד֙ זָקֵ֔ן יֹשֵׁ֖ב בְּ/בֵֽית אֵ֑ל וַ/יָּב֣וֹא בְנ֡/וֹ וַ/יְסַפֶּר ל֣/וֹ אֶת כָּל הַ/מַּעֲשֶׂ֣ה אֲשֶׁר עָשָׂה֩ אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֨ים הַ/יּ֜וֹם בְּ/בֵֽית אֵ֗ל אֶת הַ/דְּבָרִים֙ אֲשֶׁ֣ר דִּבֶּ֣ר אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ וַֽ/יְסַפְּר֖וּ/ם לַ/אֲבִי/הֶֽם־־־־־־׀־־־׃
STATEN

Een oud profeet nu woonde te Beth-El; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man Gods te dien dage in Beth-El gedaan had, met de woorden, die hij tot den koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader.

12
וַ/יְדַבֵּ֤ר אֲלֵ/הֶם֙ אֲבִי/הֶ֔ם אֵֽי זֶ֥ה הַ/דֶּ֖רֶךְ הָלָ֑ךְ וַ/יִּרְא֣וּ בָנָ֗י/ו אֶת הַ/דֶּ֨רֶךְ֙ אֲשֶׁ֤ר הָלַךְ֙ אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֔ים אֲשֶׁר בָּ֖א מִ/יהוּדָֽה־־־׃
STATEN

En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen? En zijn zonen hadden den weg gezien, welken de man Gods was getogen, die uit Juda gekomen was.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Koningen 13

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Koningen 13 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →