NEVIIM

1 Koningen 2

מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יִּקְרְב֥וּ יְמֵֽי דָוִ֖ד לָ/מ֑וּת וַ/יְצַ֛ו אֶת שְׁלֹמֹ֥ה בְנ֖/וֹ לֵ/אמֹֽר
STATEN

Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Sálomo, zeggende:

2
אָנֹכִ֣י הֹלֵ֔ךְ בְּ/דֶ֖רֶךְ כָּל הָ/אָ֑רֶץ וְ/חָזַקְתָּ֖ וְ/הָיִ֥יתָֽ לְ/אִֽישׁ
STATEN

Ik ga heen in den weg der ganse aarde, zo wees sterk, en wees een man.

3
וְ/שָׁמַרְתָּ֞ אֶת מִשְׁמֶ֣רֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ לָ/לֶ֤כֶת בִּ/דְרָכָי/ו֙ לִ/שְׁמֹ֨ר חֻקֹּתָ֤י/ו מִצְוֺתָי/ו֙ וּ/מִשְׁפָּטָ֣י/ו וְ/עֵדְוֺתָ֔י/ו כַּ/כָּת֖וּב בְּ/תוֹרַ֣ת מֹשֶׁ֑ה לְמַ֣עַן תַּשְׂכִּ֗יל אֵ֚ת כָּל אֲשֶׁ֣ר תַּֽעֲשֶׂ֔ה וְ/אֵ֛ת כָּל אֲשֶׁ֥ר תִּפְנֶ֖ה שָֽׁם
STATEN

En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;

4
לְמַעַן֩ יָקִ֨ים יְהוָ֜ה אֶת דְּבָר֗/וֹ אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֣ר עָלַ/י֮ לֵ/אמֹר֒ אִם יִשְׁמְר֨וּ בָנֶ֜י/ךָ אֶת דַּרְכָּ֗/ם לָ/לֶ֤כֶת לְ/פָנַ/י֙ בֶּ/אֱמֶ֔ת בְּ/כָל לְבָבָ֖/ם וּ/בְ/כָל נַפְשָׁ֑/ם לֵ/אמֹ֕ר לֹֽא יִכָּרֵ֤ת לְ/ךָ֙ אִ֔ישׁ מֵ/עַ֖ל כִּסֵּ֥א יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israëls.

5
וְ/גַ֣ם אַתָּ֣ה יָדַ֡עְתָּ אֵת֩ אֲשֶׁר עָ֨שָׂה לִ֜/י יוֹאָ֣ב בֶּן צְרוּיָ֗ה אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֣ה לִ/שְׁנֵֽי שָׂרֵ֣י צִבְא֣וֹת יִ֠שְׂרָאֵל לְ/אַבְנֵ֨ר בֶּן נֵ֜ר וְ/לַ/עֲמָשָׂ֤א בֶן יֶ֨תֶר֙ וַ/יַּ֣הַרְגֵ֔/ם וַ/יָּ֥שֶׂם דְּמֵֽי מִלְחָמָ֖ה בְּ/שָׁלֹ֑ם וַ/יִּתֵּ֞ן דְּמֵ֣י מִלְחָמָ֗ה בַּ/חֲגֹֽרָת/וֹ֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/מָתְנָ֔י/ו וּֽ/בְ/נַעֲל֖/וֹ אֲשֶׁ֥ר בְּ/רַגְלָֽי/ו
STATEN

Zo weet gij ook, wat Joab, de zoon van Zerúja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, den zoon van Ner, en Amása, den zoon van Jether, dien hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.

6
וְ/עָשִׂ֖יתָ כְּ/חָכְמָתֶ֑/ךָ וְ/לֹֽא תוֹרֵ֧ד שֵׂיבָת֛/וֹ בְּ/שָׁלֹ֖ם שְׁאֹֽל
STATEN

Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.

7
וְ/לִ/בְנֵ֨י בַרְזִלַּ֤י הַ/גִּלְעָדִי֙ תַּֽעֲשֶׂה חֶ֔סֶד וְ/הָי֖וּ בְּ/אֹכְלֵ֣י שֻׁלְחָנֶ֑/ךָ כִּי כֵן֙ קָרְב֣וּ אֵלַ֔/י בְּ/בָרְחִ֕/י מִ/פְּנֵ֖י אַבְשָׁל֥וֹם אָחִֽי/ךָ
STATEN

Maar aan de zonen van Barzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.

8
וְ/הִנֵּ֣ה עִ֠מְּ/ךָ שִֽׁמְעִ֨י בֶן גֵּרָ֥א בֶן הַ/יְמִינִי֮ מִ/בַּחֻרִים֒ וְ/ה֤וּא קִֽלְלַ֨/נִי֙ קְלָלָ֣ה נִמְרֶ֔צֶת בְּ/י֖וֹם לֶכְתִּ֣/י מַחֲנָ֑יִם וְ/הֽוּא יָרַ֤ד לִ/קְרָאתִ/י֙ הַ/יַּרְדֵּ֔ן וָ/אֶשָּׁ֨בַֽע ל֤/וֹ בַֽ/יהוָה֙ לֵ/אמֹ֔ר אִם אֲמִֽיתְ/ךָ֖ בֶּ/חָֽרֶב
STATEN

En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahûrim, die mij vloekte met een geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanáïm; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij den HEERE, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!

9
וְ/עַתָּה֙ אַל תְּנַקֵּ֔/הוּ כִּ֛י אִ֥ישׁ חָכָ֖ם אָ֑תָּה וְ/יָֽדַעְתָּ֙ אֵ֣ת אֲשֶׁ֣ר תַּֽעֲשֶׂה לּ֔/וֹ וְ/הוֹרַדְתָּ֧ אֶת שֵׂיבָת֛/וֹ בְּ/דָ֖ם שְׁאֽוֹל
STATEN

Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.

10
וַ/יִּשְׁכַּ֥ב דָּוִ֖ד עִם אֲבֹתָ֑י/ו וַ/יִּקָּבֵ֖ר בְּ/עִ֥יר דָּוִֽד
STATEN

En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.

11
וְ/הַ/יָּמִ֗ים אֲשֶׁ֨ר מָלַ֤ךְ דָּוִד֙ עַל יִשְׂרָאֵ֔ל אַרְבָּעִ֖ים שָׁנָ֑ה בְּ/חֶבְר֤וֹן מָלַךְ֙ שֶׁ֣בַע שָׁנִ֔ים וּ/בִ/ירוּשָׁלִַ֣ם מָלַ֔ךְ שְׁלֹשִׁ֥ים וְ/שָׁלֹ֖שׁ שָׁנִֽים
STATEN

De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.

12
וּ/שְׁלֹמֹ֕ה יָשַׁ֕ב עַל כִּסֵּ֖א דָּוִ֣ד אָבִ֑י/ו וַ/תִּכֹּ֥ן מַלְכֻת֖/וֹ מְאֹֽד
STATEN

En Sálomo zat op den troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.

13
וַ/יָּבֹ֞א אֲדֹנִיָּ֣הוּ בֶן חַגֵּ֗ית אֶל בַּת שֶׁ֨בַע֙ אֵם שְׁלֹמֹ֔ה וַ/תֹּ֖אמֶר הֲ/שָׁל֣וֹם בֹּאֶ֑/ךָ וַ/יֹּ֖אמֶר שָׁלֽוֹם
STATEN

Toen kwam Adónia, de zoon van Haggith, tot Bathséba, de moeder van Sálomo; en zij zeide: Is uw komst vrede? En hij zeide: Vrede.

14
וַ/יֹּ֕אמֶר דָּבָ֥ר לִ֖/י אֵלָ֑יִ/ךְ וַ/תֹּ֖אמֶר דַּבֵּֽר
STATEN

Daarna zeide hij: Ik heb een woord aan u. En zij zeide: Spreek.

15
וַ/יֹּ֗אמֶר אַ֤תְּ יָדַ֨עַתְּ֙ כִּי לִ/י֙ הָיְתָ֣ה הַ/מְּלוּכָ֔ה וְ/עָלַ֞/י שָׂ֧מוּ כָֽל יִשְׂרָאֵ֛ל פְּנֵי/הֶ֖ם לִ/מְלֹ֑ךְ וַ/תִּסֹּ֤ב הַ/מְּלוּכָה֙ וַ/תְּהִ֣י לְ/אָחִ֔/י כִּ֥י מֵ/יְהוָ֖ה הָ֥יְתָה לּֽ/וֹ
STATEN

Hij zeide dan: Gij weet, dat het koninkrijk mijn was, en het ganse Israël zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is; want het is van den HEERE hem geworden.

16
וְ/עַתָּ֗ה שְׁאֵלָ֤ה אַחַת֙ אָֽנֹכִי֙ שֹׁאֵ֣ל מֵֽ/אִתָּ֔/ךְ אַל תָּשִׁ֖בִי אֶת פָּנָ֑/י וַ/תֹּ֥אמֶר אֵלָ֖י/ו דַּבֵּֽר
STATEN

En nu begeer ik van u een enige begeerte; wijs mijn aangezicht niet af. En zij zeide tot hem: Spreek.

17
וַ/יֹּ֗אמֶר אִמְרִי נָא֙ לִ/שְׁלֹמֹ֣ה הַ/מֶּ֔לֶךְ כִּ֥י לֹֽא יָשִׁ֖יב אֶת פָּנָ֑יִ/ךְ וְ/יִתֶּן לִ֛/י אֶת אֲבִישַׁ֥ג הַ/שּׁוּנַמִּ֖ית לְ/אִשָּֽׁה
STATEN

En hij zeide: Spreek toch tot den koning Sálomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abísag, de Sunamietische, ter vrouwe geve.

18
וַ/תֹּ֥אמֶר בַּת שֶׁ֖בַע ט֑וֹב אָנֹכִ֕י אֲדַבֵּ֥ר עָלֶ֖י/ךָ אֶל הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

En Bathséba zeide: Het is goed, ik zal den koning voor u aanspreken.

19
וַ/תָּבֹ֤א בַת שֶׁ֨בַע֙ אֶל הַ/מֶּ֣לֶךְ שְׁלֹמֹ֔ה לְ/דַבֶּר ל֖/וֹ עַל אֲדֹנִיָּ֑הוּ וַ/יָּקָם֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ לִ/קְרָאתָ֜/הּ וַ/יִּשְׁתַּ֣חוּ לָ֗/הּ וַ/יֵּ֨שֶׁב֙ עַל כִּסְא֔/וֹ וַ/יָּ֤שֶׂם כִּסֵּא֙ לְ/אֵ֣ם הַ/מֶּ֔לֶךְ וַ/תֵּ֖שֶׁב לִֽ/ימִינֽ/וֹ
STATEN

Zo kwam Bathséba tot den koning Sálomo, om hem voor Adónia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder des konings zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.

20
וַ/תֹּ֗אמֶר שְׁאֵלָ֨ה אַחַ֤ת קְטַנָּה֙ אָֽנֹכִי֙ שֹׁאֶ֣לֶת מֵֽ/אִתָּ֔/ךְ אַל תָּ֖שֶׁב אֶת פָּנָ֑/י וַ/יֹּֽאמֶר לָ֤/הּ הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ שַׁאֲלִ֣י אִמִּ֔/י כִּ֥י לֹֽא אָשִׁ֖יב אֶת פָּנָֽיִ/ךְ
STATEN

Toen zeide zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zeide tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.

21
וַ/תֹּ֕אמֶר יֻתַּ֖ן אֶת אֲבִישַׁ֣ג הַ/שֻּׁנַמִּ֑ית לַ/אֲדֹנִיָּ֥הוּ אָחִ֖י/ךָ לְ/אִשָּֽׁה
STATEN

En zij zeide: Laat Abísag, de Sunamietische, aan Adónia, uw broeder, ter vrouwe gegeven worden.

22
וַ/יַּעַן֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ שְׁלֹמֹ֜ה וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/אִמּ֗/וֹ וְ/לָ/מָה֩ אַ֨תְּ שֹׁאֶ֜לֶת אֶת אֲבִישַׁ֤ג הַ/שֻּׁנַמִּית֙ לַ/אֲדֹ֣נִיָּ֔הוּ וְ/שַֽׁאֲלִי ל/וֹ֙ אֶת הַ/מְּלוּכָ֔ה כִּ֛י ה֥וּא אָחִ֖/י הַ/גָּד֣וֹל מִמֶּ֑/נִּי וְ/ל/וֹ֙ וּ/לְ/אֶבְיָתָ֣ר הַ/כֹּהֵ֔ן וּ/לְ/יוֹאָ֖ב בֶּן צְרוּיָֽה
STATEN

Toen antwoordde de koning Sálomo, en zeide tot zijn moeder: En waarom begeert gij Abísag, de Sunamietische, voor Adónia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broeder, die ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar, den priester, en voor Joab, den zoon van Zerúja.

23
וַ/יִּשָּׁבַע֙ הַ/מֶּ֣לֶךְ שְׁלֹמֹ֔ה בַּֽ/יהוָ֖ה לֵ/אמֹ֑ר כֹּ֣ה יַֽעֲשֶׂה לִּ֤/י אֱלֹהִים֙ וְ/כֹ֣ה יוֹסִ֔יף כִּ֣י בְ/נַפְשׁ֔/וֹ דִּבֶּר֙ אֲדֹ֣נִיָּ֔הוּ אֶת הַ/דָּבָ֖ר הַ/זֶּֽה
STATEN

En de koning Sálomo zwoer bij den HEERE, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adónia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben!

24
וְ/עַתָּ֗ה חַי יְהוָה֙ אֲשֶׁ֣ר הֱכִינַ֗/נִי ו/יושיבי/ני עַל כִּסֵּא֙ דָּוִ֣ד אָבִ֔/י וַ/אֲשֶׁ֧ר עָֽשָׂה לִ֛/י בַּ֖יִת כַּ/אֲשֶׁ֣ר דִּבֵּ֑ר כִּ֣י הַ/יּ֔וֹם יוּמַ֖ת אֲדֹנִיָּֽהוּ וַ/יּֽוֹשִׁיבַ֨/נִי֙
STATEN

En nu, zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op den troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had: voorzeker, Adónia zal heden gedood worden!

25
וַ/יִּשְׁלַח֙ הַ/מֶּ֣לֶךְ שְׁלֹמֹ֔ה בְּ/יַ֖ד בְּנָיָ֣הוּ בֶן יְהוֹיָדָ֑ע וַ/יִּפְגַּע בּ֖/וֹ וַ/יָּמֹֽת
STATEN

En de koning Sálomo zond door de hand van Benája, den zoon van Jójada; die viel op hem aan, dat hij stierf.

26
וּ/לְ/אֶבְיָתָ֨ר הַ/כֹּהֵ֜ן אָמַ֣ר הַ/מֶּ֗לֶךְ עֲנָתֹת֙ לֵ֣ךְ עַל שָׂדֶ֔י/ךָ כִּ֛י אִ֥ישׁ מָ֖וֶת אָ֑תָּה וּ/בַ/יּ֨וֹם הַ/זֶּ֜ה לֹ֣א אֲמִיתֶ֗/ךָ כִּֽי נָשָׂ֜אתָ אֶת אֲר֨וֹן אֲדֹנָ֤/י יְהֹוִה֙ לִ/פְנֵי֙ דָּוִ֣ד אָבִ֔/י וְ/כִ֣י הִתְעַנִּ֔יתָ בְּ/כֹ֥ל אֲשֶֽׁר הִתְעַנָּ֖ה אָבִֽ/י
STATEN

En tot Abjathar, den priester, zeide de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want gij zijt een man des doods; maar op dezen dag zal ik u niet doden, omdat gij de ark des Heeren HEEREN voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was.

27
וַ/יְגָ֤רֶשׁ שְׁלֹמֹה֙ אֶת אֶבְיָתָ֔ר מִ/הְי֥וֹת כֹּהֵ֖ן לַֽ/יהוָ֑ה לְ/מַלֵּא֙ אֶת דְּבַ֣ר יְהוָ֔ה אֲשֶׁ֥ר דִּבֶּ֛ר עַל בֵּ֥ית עֵלִ֖י בְּ/שִׁלֹֽה
STATEN

Sálomo dan verdreef Abjathar, dat hij des HEEREN priester niet ware, om te vervullen het woord des HEEREN, hetwelk Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.

28
וְ/הַ/שְּׁמֻעָה֙ בָּ֣אָה עַד יוֹאָ֔ב כִּ֣י יוֹאָ֗ב נָטָה֙ אַחֲרֵ֣י אֲדֹנִיָּ֔ה וְ/אַחֲרֵ֥י אַבְשָׁל֖וֹם לֹ֣א נָטָ֑ה וַ/יָּ֤נָס יוֹאָב֙ אֶל אֹ֣הֶל יְהוָ֔ה וַֽ/יַּחֲזֵ֖ק בְּ/קַרְנ֥וֹת הַ/מִּזְבֵּֽחַ
STATEN

Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adónia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent des HEEREN, en vatte de hoornen des altaars.

29
וַ/יֻּגַּ֞ד לַ/מֶּ֣לֶךְ שְׁלֹמֹ֗ה כִּ֣י נָ֤ס יוֹאָב֙ אֶל אֹ֣הֶל יְהוָ֔ה וְ/הִנֵּ֖ה אֵ֣צֶל הַ/מִּזְבֵּ֑חַ וַ/יִּשְׁלַ֨ח שְׁלֹמֹ֜ה אֶת בְּנָיָ֧הוּ בֶן יְהוֹיָדָ֛ע לֵ/אמֹ֖ר לֵ֥ךְ פְּגַע בּֽ/וֹ
STATEN

En het werd den koning Sálomo aangezegd, dat Joab tot de tent des HEEREN gevloden was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Sálomo Benája, den zoon van Jójada, zeggende: Ga heen, val op hem aan.

30
וַ/יָּבֹ֨א בְנָיָ֜הוּ אֶל אֹ֣הֶל יְהוָ֗ה וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלָ֜י/ו כֹּֽה אָמַ֤ר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ צֵ֔א וַ/יֹּ֥אמֶר לֹ֖א כִּ֣י פֹ֣ה אָמ֑וּת וַ/יָּ֨שֶׁב בְּנָיָ֤הוּ אֶת הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ דָּבָ֣ר לֵ/אמֹ֔ר כֹּֽה דִבֶּ֥ר יוֹאָ֖ב וְ/כֹ֥ה עָנָֽ/נִי
STATEN

En Benája kwam tot de tent des HEEREN, en zeide tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zeide: Neen, maar hier zal ik sterven! En Benája bracht het antwoord weder aan den koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.

31
וַ/יֹּ֧אמֶר ל֣/וֹ הַ/מֶּ֗לֶךְ עֲשֵׂה֙ כַּ/אֲשֶׁ֣ר דִּבֶּ֔ר וּ/פְגַע בּ֖/וֹ וּ/קְבַרְתּ֑/וֹ וַ/הֲסִירֹ֣תָ דְּמֵ֣י חִנָּ֗ם אֲשֶׁר֙ שָׁפַ֣ךְ יוֹאָ֔ב מֵ/עָלַ֕/י וּ/מֵ/עַ֖ל בֵּ֥ית אָבִֽ/י
STATEN

En de koning zeide tot hem: Doe gelijk als hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat gij wegdoet, van mij en van mijns vaders huis, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.

32
וְ/הֵשִׁיב֩ יְהוָ֨ה אֶת דָּמ֜/וֹ עַל רֹאשׁ֗/וֹ אֲשֶׁ֣ר פָּגַ֣ע בִּ/שְׁנֵֽי אֲ֠נָשִׁים צַדִּקִ֨ים וְ/טֹבִ֤ים מִמֶּ֨/נּוּ֙ וַ/יַּהַרְגֵ֣/ם בַּ/חֶ֔רֶב וְ/אָבִ֥/י דָוִ֖ד לֹ֣א יָדָ֑ע אֶת אַבְנֵ֤ר בֶּן נֵר֙ שַׂר צְבָ֣א יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/אֶת עֲמָשָׂ֥א בֶן יֶ֖תֶר שַׂר צְבָ֥א יְהוּדָֽה
STATEN

Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, den zoon van Ner, den krijgsoverste van Israël, en Amása, den zoon van Jether, den krijgsoverste van Juda.

33
וְ/שָׁ֤בוּ דְמֵי/הֶם֙ בְּ/רֹ֣אשׁ יוֹאָ֔ב וּ/בְ/רֹ֥אשׁ זַרְע֖/וֹ לְ/עֹלָ֑ם וּ/לְ/דָוִ֡ד וּ֠/לְ/זַרְע/וֹ וּ/לְ/בֵית֨/וֹ וּ/לְ/כִסְא֜/וֹ יִהְיֶ֥ה שָׁל֛וֹם עַד עוֹלָ֖ם מֵ/עִ֥ם יְהוָֽה
STATEN

Alzo zal hun bloed wederkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van den HEERE tot in eeuwigheid.

34
וַ/יַּ֗עַל בְּנָיָ֨הוּ֙ בֶּן יְה֣וֹיָדָ֔ע וַ/יִּפְגַּע בּ֖/וֹ וַ/יְמִתֵ֑/הוּ וַ/יִּקָּבֵ֥ר בְּ/בֵית֖/וֹ בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

En Benája, de zoon van Jójada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn.

35
וַ/יִּתֵּ֨ן הַ/מֶּ֜לֶךְ אֶת בְּנָיָ֧הוּ בֶן יְהוֹיָדָ֛ע תַּחְתָּ֖י/ו עַל הַ/צָּבָ֑א וְ/אֶת צָד֤וֹק הַ/כֹּהֵן֙ נָתַ֣ן הַ/מֶּ֔לֶךְ תַּ֖חַת אֶבְיָתָֽר
STATEN

En de koning zette Benája, den zoon van Jójada, in zijn plaats over het heir; en Zadok, den priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.

36
וַ/יִּשְׁלַ֤ח הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ וַ/יִּקְרָ֣א לְ/שִׁמְעִ֔י וַ/יֹּ֣אמֶר ל֗/וֹ בְּֽנֵה לְ/ךָ֥ בַ֨יִת֙ בִּ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם וְ/יָשַׁבְתָּ֖ שָׁ֑ם וְ/לֹֽא תֵצֵ֥א מִ/שָּׁ֖ם אָ֥נֶה וָ/אָֽנָה
STATEN

Daarna zond de koning, en riep Simeï, en zeide tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en woon aldaar; en ga van daar niet uit herwaarts of derwaarts.

37
וְ/הָיָ֣ה בְּ/י֣וֹם צֵאתְ/ךָ֗ וְ/עָֽבַרְתָּ֙ אֶת נַ֣חַל קִדְר֔וֹן יָדֹ֥עַ תֵּדַ֖ע כִּ֣י מ֣וֹת תָּמ֑וּת דָּמְ/ךָ֖ יִהְיֶ֥ה בְ/רֹאשֶֽׁ/ךָ
STATEN

Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.

38
וַ/יֹּ֨אמֶר שִׁמְעִ֤י לַ/מֶּ֨לֶךְ֙ ט֣וֹב הַ/דָּבָ֔ר כַּ/אֲשֶׁ֤ר דִּבֶּר֙ אֲדֹנִ֣/י הַ/מֶּ֔לֶךְ כֵּ֖ן יַעֲשֶׂ֣ה עַבְדֶּ֑/ךָ וַ/יֵּ֧שֶׁב שִׁמְעִ֛י בִּ/ירוּשָׁלִַ֖ם יָמִ֥ים רַבִּֽים
STATEN

En Simeï zeide tot den koning: Dat woord is goed; gelijk als mijn heer de koning gesproken heeft, alzo zal uw knecht doen. En Simeï woonde te Jeruzalem vele dagen.

39
וַ/יְהִ֗י מִ/קֵּץ֙ שָׁלֹ֣שׁ שָׁנִ֔ים וַ/יִּבְרְח֤וּ שְׁנֵֽי עֲבָדִים֙ לְ/שִׁמְעִ֔י אֶל אָכִ֥ישׁ בֶּֽן מַעֲכָ֖ה מֶ֣לֶךְ גַּ֑ת וַ/יַּגִּ֤ידוּ לְ/שִׁמְעִי֙ לֵ/אמֹ֔ר הִנֵּ֥ה עֲבָדֶ֖י/ךָ בְּ/גַֽת
STATEN

Doch het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot Achis, den zoon van Máächa, den koning van Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.

40
וַ/יָּ֣קָם שִׁמְעִ֗י וַֽ/יַּחֲבֹשׁ֙ אֶת חֲמֹר֔/וֹ וַ/יֵּ֤לֶךְ גַּ֨תָ/ה֙ אֶל אָכִ֔ישׁ לְ/בַקֵּ֖שׁ אֶת עֲבָדָ֑י/ו וַ/יֵּ֣לֶךְ שִׁמְעִ֔י וַ/יָּבֵ֥א אֶת עֲבָדָ֖י/ו מִ/גַּֽת
STATEN

Toen maakte zich Simeï op, en zadelde zijn ezel, en toog heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo toog Simeï heen, en bracht zijn knechten van Gath.

41
וַ/יֻּגַּ֖ד לִ/שְׁלֹמֹ֑ה כִּי הָלַ֨ךְ שִׁמְעִ֧י מִ/ירוּשָׁלִַ֛ם גַּ֖ת וַ/יָּשֹֽׁב
STATEN

En het werd Sálomo aangezegd, dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath getogen, en wedergekomen was.

42
וַ/יִּשְׁלַ֨ח הַ/מֶּ֜לֶךְ וַ/יִּקְרָ֣א לְ/שִׁמְעִ֗י וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלָ֜י/ו הֲ/ל֧וֹא הִשְׁבַּעְתִּ֣י/ךָ בַֽ/יהוָ֗ה וָ/אָעִ֤ד בְּ/ךָ֙ לֵ/אמֹ֔ר בְּ/י֣וֹם צֵאתְ/ךָ֗ וְ/הָֽלַכְתָּ֙ אָ֣נֶה וָ/אָ֔נָה יָדֹ֥עַ תֵּדַ֖ע כִּ֣י מ֣וֹת תָּמ֑וּת וַ/תֹּ֧אמֶר אֵלַ֛/י ט֥וֹב הַ/דָּבָ֖ר שָׁמָֽעְתִּי
STATEN

Toen zond de koning, en riep Simeï, en zeide tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij den HEERE, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker, dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.

43
וּ/מַדּ֕וּעַ לֹ֣א שָׁמַ֔רְתָּ אֵ֖ת שְׁבֻעַ֣ת יְהוָ֑ה וְ/אֶת הַ/מִּצְוָ֖ה אֲשֶׁר צִוִּ֥יתִי עָלֶֽי/ךָ
STATEN

Waarom dan hebt gij den eed des HEEREN niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden had?

44
וַ/יֹּ֨אמֶר הַ/מֶּ֜לֶךְ אֶל שִׁמְעִ֗י אַתָּ֤ה יָדַ֨עְתָּ֙ אֵ֣ת כָּל הָ/רָעָ֗ה אֲשֶׁ֤ר יָדַע֙ לְבָ֣בְ/ךָ֔ אֲשֶׁ֥ר עָשִׂ֖יתָ לְ/דָוִ֣ד אָבִ֑/י וְ/הֵשִׁ֧יב יְהוָ֛ה אֶת רָעָתְ/ךָ֖ בְּ/רֹאשֶֽׁ/ךָ
STATEN

Verder zeide de koning tot Simeï: Gij weet al de boosheid, die uw hart weet, die gij aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft de HEERE uw boosheid op uw hoofd doen wederkeren.

45
וְ/הַ/מֶּ֥לֶךְ שְׁלֹמֹ֖ה בָּר֑וּךְ וְ/כִסֵּ֣א דָוִ֗ד יִהְיֶ֥ה נָכ֛וֹן לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה עַד עוֹלָֽם
STATEN

Maar de koning Sálomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht des HEEREN tot in eeuwigheid.

46
וַ/יְצַ֣ו הַ/מֶּ֗לֶךְ אֶת בְּנָיָ֨הוּ֙ בֶּן יְה֣וֹיָדָ֔ע וַ/יֵּצֵ֕א וַ/יִּפְגַּע בּ֖/וֹ וַ/יָּמֹ֑ת וְ/הַ/מַּמְלָכָ֥ה נָכ֖וֹנָה בְּ/יַד שְׁלֹמֹֽה
STATEN

En de koning gebood Benája, den zoon van Jójada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Alzo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Sálomo.