Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Koningen 3

מְלָכִים א
Hoofdstukken (22)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּתְחַתֵּ֣ן שְׁלֹמֹ֔ה אֶת פַּרְעֹ֖ה מֶ֣לֶךְ מִצְרָ֑יִם וַ/יִּקַּ֣ח אֶת בַּת פַּרְעֹ֗ה וַ/יְבִיאֶ֨/הָ֙ אֶל עִ֣יר דָּוִ֔ד עַ֣ד כַּלֹּת֗/וֹ לִ/בְנ֤וֹת אֶת בֵּית/וֹ֙ וְ/אֶת בֵּ֣ית יְהוָ֔ה וְ/אֶת חוֹמַ֥ת יְרוּשָׁלִַ֖ם סָבִֽיב־־־־־־־׃
STATEN

En Sálomo verzwagerde zich met Faraö, den koning van Egypte; en nam de dochter van Faraö, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis, en het huis des HEEREN, en den muur van Jeruzalem rondom.

2
רַ֣ק הָ/עָ֔ם מְזַבְּחִ֖ים בַּ/בָּמ֑וֹת כִּ֠י לֹא נִבְנָ֥ה בַ֨יִת֙ לְ/שֵׁ֣ם יְהוָ֔ה עַ֖ד הַ/יָּמִ֥ים הָ/הֵֽם־׃פ
STATEN

Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want geen huis was den Naam des HEEREN gebouwd, tot die dagen toe.

3
וַ/יֶּאֱהַ֤ב שְׁלֹמֹה֙ אֶת יְהוָ֔ה לָ/לֶ֕כֶת בְּ/חֻקּ֖וֹת דָּוִ֣ד אָבִ֑י/ו רַ֚ק בַּ/בָּמ֔וֹת ה֥וּא מְזַבֵּ֖חַ וּ/מַקְטִֽיר־׃
STATEN

En Sálomo had den HEERE lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleenlijk offerde hij en rookte op de hoogten.

4
וַ/יֵּ֨לֶךְ הַ/מֶּ֤לֶךְ גִּבְעֹ֨נָ/ה֙ לִ/זְבֹּ֣חַ שָׁ֔ם כִּ֥י הִ֖יא הַ/בָּמָ֣ה הַ/גְּדוֹלָ֑ה אֶ֤לֶף עֹלוֹת֙ יַעֲלֶ֣ה שְׁלֹמֹ֔ה עַ֖ל הַ/מִּזְבֵּ֥חַ הַ/הֽוּא׃
STATEN

En de koning ging naar Gíbeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Sálomo op dat altaar.

5
בְּ/גִבְע֗וֹן נִרְאָ֧ה יְהֹוָ֛ה אֶל שְׁלֹמֹ֖ה בַּ/חֲל֣וֹם הַ/לָּ֑יְלָה וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלֹהִ֔ים שְׁאַ֖ל מָ֥ה אֶתֶּן לָֽ/ךְ־־׃
STATEN

Te Gíbeon verscheen de HEERE aan Sálomo in een droom des nachts en God zeide: Begeer wat Ik u geven zal.

6
וַ/יֹּ֣אמֶר שְׁלֹמֹ֗ה אַתָּ֨ה עָשִׂ֜יתָ עִם עַבְדְּ/ךָ֙ דָוִ֣ד אָבִ/י֮ חֶ֣סֶד גָּדוֹל֒ כַּ/אֲשֶׁר֩ הָלַ֨ךְ לְ/פָנֶ֜י/ךָ בֶּ/אֱמֶ֧ת וּ/בִ/צְדָקָ֛ה וּ/בְ/יִשְׁרַ֥ת לֵבָ֖ב עִמָּ֑/ךְ וַ/תִּשְׁמָר ל֗/וֹ אֶת הַ/חֶ֤סֶד הַ/גָּדוֹל֙ הַ/זֶּ֔ה וַ/תִּתֶּן ל֥/וֹ בֵ֛ן יֹשֵׁ֥ב עַל כִּסְא֖/וֹ כַּ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־־־׃
STATEN

En Sálomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage.

7
וְ/עַתָּה֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהָ֔/י אַתָּה֙ הִמְלַ֣כְתָּ אֶֽת עַבְדְּ/ךָ֔ תַּ֖חַת דָּוִ֣ד אָבִ֑/י וְ/אָֽנֹכִי֙ נַ֣עַר קָטֹ֔ן לֹ֥א אֵדַ֖ע צֵ֥את וָ/בֹֽא־׃
STATEN

Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan.

8
וְ/עַ֨בְדְּ/ךָ֔ בְּ/ת֥וֹךְ עַמְּ/ךָ֖ אֲשֶׁ֣ר בָּחָ֑רְתָּ עַם רָ֕ב אֲשֶׁ֧ר לֹֽא יִמָּנֶ֛ה וְ/לֹ֥א יִסָּפֵ֖ר מֵ/רֹֽב־־׃
STATEN

En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte.

9
וְ/נָתַתָּ֨ לְ/עַבְדְּ/ךָ֜ לֵ֤ב שֹׁמֵ֨עַ֙ לִ/שְׁפֹּ֣ט אֶֽת עַמְּ/ךָ֔ לְ/הָבִ֖ין בֵּֽין ט֣וֹב לְ/רָ֑ע כִּ֣י מִ֤י יוּכַל֙ לִ/שְׁפֹּ֔ט אֶת עַמְּ/ךָ֥ הַ/כָּבֵ֖ד הַ/זֶּֽה־־־׃
STATEN

Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten?

10
וַ/יִּיטַ֥ב הַ/דָּבָ֖ר בְּ/עֵינֵ֣י אֲדֹנָ֑/י כִּ֚י שָׁאַ֣ל שְׁלֹמֹ֔ה אֶת הַ/דָּבָ֖ר הַ/זֶּֽה־׃
STATEN

Die zaak nu was goed in de ogen des Heeren, dat Sálomo deze zaak begeerd had.

11
וַ/יֹּ֨אמֶר אֱלֹהִ֜ים אֵלָ֗י/ו יַעַן֩ אֲשֶׁ֨ר שָׁאַ֜לְתָּ אֶת הַ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֗ה וְ/לֹֽא שָׁאַ֨לְתָּ לְּ/ךָ֜ יָמִ֣ים רַבִּ֗ים וְ/לֹֽא שָׁאַ֤לְתָּ לְּ/ךָ֙ עֹ֔שֶׁר וְ/לֹ֥א שָׁאַ֖לְתָּ נֶ֣פֶשׁ אֹיְבֶ֑י/ךָ וְ/שָׁאַ֧לְתָּ לְּ/ךָ֛ הָבִ֖ין לִ/שְׁמֹ֥עַ מִשְׁפָּֽט־־־׃
STATEN

En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen;

12
הִנֵּ֥ה עָשִׂ֖יתִי כִּ/דְבָרֶ֑י/ךָ הִנֵּ֣ה נָתַ֣תִּי לְ/ךָ֗ לֵ֚ב חָכָ֣ם וְ/נָב֔וֹן אֲשֶׁ֤ר כָּמ֨וֹ/ךָ֙ לֹא הָיָ֣ה לְ/פָנֶ֔י/ךָ וְ/אַחֲרֶ֖י/ךָ לֹא יָק֥וּם כָּמֽוֹ/ךָ׀־־׃
STATEN

Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke vóór u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Koningen 3

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Koningen 3 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →