NEVIIM

2 Koningen 10

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
1
וּ/לְ/אַחְאָ֛ב שִׁבְעִ֥ים בָּנִ֖ים בְּ/שֹׁמְר֑וֹן וַ/יִּכְתֹּב֩ יֵה֨וּא סְפָרִ֜ים וַ/יִּשְׁלַ֣ח שֹׁמְר֗וֹן אֶל שָׂרֵ֤י יִזְרְעֶאל֙ הַ/זְּקֵנִ֔ים וְ/אֶל הָ/אֹמְנִ֥ים אַחְאָ֖ב לֵ/אמֹֽר
STATEN

Achab nu had zeventig zonen te Samaria; en Jehu schreef brieven, dewelke hij zond naar Samaria, tot de oversten van Jizreël, de oudsten, en tot de voedsterheren van Achab, zeggende:

2
וְ/עַתָּ֗ה כְּ/בֹ֨א הַ/סֵּ֤פֶר הַ/זֶּה֙ אֲלֵי/כֶ֔ם וְ/אִתְּ/כֶ֖ם בְּנֵ֣י אֲדֹנֵי/כֶ֑ם וְ/אִתְּ/כֶם֙ הָ/רֶ֣כֶב וְ/הַ/סּוּסִ֔ים וְ/עִ֥יר מִבְצָ֖ר וְ/הַ/נָּֽשֶׁק
STATEN

Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, dewijl de zonen van uw heer bij u zijn, ook de wagenen en de paarden bij u zijn, mitsgaders een vaste stad, en wapenen;

3
וּ/רְאִיתֶ֞ם הַ/טּ֤וֹב וְ/הַ/יָּשָׁר֙ מִ/בְּנֵ֣י אֲדֹנֵי/כֶ֔ם וְ/שַׂמְתֶּ֖ם עַל כִּסֵּ֣א אָבִ֑י/ו וְ/הִֽלָּחֲמ֖וּ עַל בֵּ֥ית אֲדֹנֵי/כֶֽם
STATEN

Zo ziet naar den beste en gerechtigste van de zonen uws heren, zet dien op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws heren.

4
וַ/יִּֽרְאוּ֙ מְאֹ֣ד מְאֹ֔ד וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ הִנֵּה֙ שְׁנֵ֣י הַ/מְּלָכִ֔ים לֹ֥א עָמְד֖וּ לְ/פָנָ֑י/ו וְ/אֵ֖יךְ נַעֲמֹ֥ד אֲנָֽחְנוּ
STATEN

Doch zij vreesden gans zeer, en zeiden: Ziet, twee koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan?

5
וַ/יִּשְׁלַ֣ח אֲשֶׁר עַל הַ/בַּ֣יִת וַ/אֲשֶׁ֪ר עַל הָ/עִ֟יר וְ/הַ/זְּקֵנִים֩ וְ/הָ/אֹמְנִ֨ים אֶל יֵה֤וּא לֵ/אמֹר֙ עֲבָדֶ֣י/ךָ אֲנַ֔חְנוּ וְ/כֹ֛ל אֲשֶׁר תֹּאמַ֥ר אֵלֵ֖י/נוּ נַעֲשֶׂ֑ה לֹֽא נַמְלִ֣יךְ אִ֔ישׁ הַ/טּ֥וֹב בְּ/עֵינֶ֖י/ךָ עֲשֵֽׂה
STATEN

Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al wat gij tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uw ogen.

6
וַ/יִּכְתֹּ֣ב אֲלֵי/הֶם֩ סֵ֨פֶר שֵׁנִ֜ית לֵ/אמֹ֗ר אִם לִ֨/י אַתֶּ֜ם וּ/לְ/קֹלִ֣/י אַתֶּ֣ם שֹׁמְעִ֗ים קְחוּ֙ אֶת רָאשֵׁי֙ אַנְשֵׁ֣י בְנֵֽי אֲדֹנֵי/כֶ֔ם וּ/בֹ֧אוּ אֵלַ֛/י כָּ/עֵ֥ת מָחָ֖ר יִזְרְעֶ֑אלָ/ה וּ/בְנֵ֤י הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ שִׁבְעִ֣ים אִ֔ישׁ אֶת גְּדֹלֵ֥י הָ/עִ֖יר מְגַדְּלִ֥ים אוֹתָֽ/ם
STATEN

Toen schreef hij ten tweeden male tot hen een brief, zeggende: Zo gij mijn zijt, en gij naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heren, en komt tot mij morgen omtrent dezen tijd naar Jizreël. (De zonen nu des konings, zeventig mannen, waren bij de groten der stad, die hen opvoedden.)

7
וַ/יְהִ֗י כְּ/בֹ֤א הַ/סֵּ֨פֶר֙ אֲלֵי/הֶ֔ם וַ/יִּקְחוּ֙ אֶת בְּנֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ וַֽ/יִּשְׁחֲט֖וּ שִׁבְעִ֣ים אִ֑ישׁ וַ/יָּשִׂ֤ימוּ אֶת רָֽאשֵׁי/הֶם֙ בַּ/דּוּדִ֔ים וַ/יִּשְׁלְח֥וּ אֵלָ֖י/ו יִזְרְעֶֽאלָ/ה
STATEN

Het geschiedde dan, als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen des konings namen, en zeventig mannen sloegen; en zij legden hun hoofden in korven, die zij tot hem zonden naar Jizreël.

8
וַ/יָּבֹ֤א הַ/מַּלְאָךְ֙ וַ/יַּגֶּד ל֣/וֹ לֵ/אמֹ֔ר הֵבִ֖יאוּ רָאשֵׁ֣י בְנֵֽי הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יֹּ֗אמֶר שִׂ֣ימוּ אֹתָ֞/ם שְׁנֵ֧י צִבֻּרִ֛ים פֶּ֥תַח הַ/שַּׁ֖עַר עַד הַ/בֹּֽקֶר
STATEN

En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden van de zonen des konings gebracht. En hij zeide: Legt ze in twee hopen, aan de deur der poort, tot morgen.

9
וַ/יְהִ֤י בַ/בֹּ֨קֶר֙ וַ/יֵּצֵ֣א וַֽ/יַּעֲמֹ֔ד וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אֶל כָּל הָ/עָ֔ם צַדִּקִ֖ים אַתֶּ֑ם הִנֵּ֨ה אֲנִ֜י קָשַׁ֤רְתִּי עַל אֲדֹנִ/י֙ וָ/אֶהְרְגֵ֔/הוּ וּ/מִ֥י הִכָּ֖ה אֶת כָּל אֵֽלֶּה
STATEN

En het geschiedde des morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond, en tot al het volk zeide: Gij zijt rechtvaardig. Ziet, ik heb een verbintenis gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle dezen geslagen?

10
דְּע֣וּ אֵפ֗וֹא כִּי֩ לֹ֨א יִפֹּ֜ל מִ/דְּבַ֤ר יְהוָה֙ אַ֔רְצָ/ה אֲשֶׁר דִּבֶּ֥ר יְהוָ֖ה עַל בֵּ֣ית אַחְאָ֑ב וַ/יהוָ֣ה עָשָׂ֔ה אֵ֚ת אֲשֶׁ֣ר דִּבֶּ֔ר בְּ/יַ֖ד עַבְדּ֥/וֹ אֵלִיָּֽהוּ
STATEN

Weet nu, dat niets van het woord des HEEREN, hetwelk de HEERE tegen het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want de HEERE heeft gedaan, wat Hij door den dienst van Zijn knecht Elía gesproken heeft.

11
וַ/יַּ֣ךְ יֵה֗וּא אֵ֣ת כָּל הַ/נִּשְׁאָרִ֤ים לְ/בֵית אַחְאָב֙ בְּ/יִזְרְעֶ֔אל וְ/כָל גְּדֹלָ֖י/ו וּ/מְיֻדָּעָ֣י/ו וְ/כֹהֲנָ֑י/ו עַד בִּלְתִּ֥י הִשְׁאִֽיר ל֖/וֹ שָׂרִֽיד
STATEN

Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te Jizreël, en al zijn groten, en zijn bekenden, en zijn priesteren; totdat hij hem geen overigen liet overblijven.

12
וַ/יָּ֨קָם֙ וַ/יָּבֹ֔א וַ/יֵּ֖לֶךְ שֹׁמְר֑וֹן ה֛וּא בֵּֽית עֵ֥קֶד הָרֹעִ֖ים בַּ/דָּֽרֶךְ
STATEN

En hij maakte zich op, en toog heen en ging naar Samaria; en zijnde te Beth-Héked der herderen, op den weg,

13
וְ/יֵה֗וּא מָצָא֙ אֶת אֲחֵי֙ אֲחַזְיָ֣הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֔ה וַ/יֹּ֖אמֶר מִ֣י אַתֶּ֑ם וַ/יֹּאמְר֗וּ אֲחֵ֤י אֲחַזְיָ֨הוּ֙ אֲנַ֔חְנוּ וַ/נֵּ֛רֶד לִ/שְׁל֥וֹם בְּנֵֽי הַ/מֶּ֖לֶךְ וּ/בְנֵ֥י הַ/גְּבִירָֽה
STATEN

Vond Jehu de broederen van Aházia, den koning van Juda, en hij zeide: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn de broederen van Aházia, en zijn afgekomen, om de zonen des konings en de zonen der koningin te groeten.

14
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ תִּפְשׂ֣וּ/ם חַיִּ֔ים וַֽ/יִּתְפְּשׂ֖וּ/ם חַיִּ֑ים וַֽ/יִּשְׁחָט֞וּ/ם אֶל בּ֣וֹר בֵּֽית עֵ֗קֶד אַרְבָּעִ֤ים וּ/שְׁנַ֨יִם֙ אִ֔ישׁ וְ/לֹֽא הִשְׁאִ֥יר אִ֖ישׁ מֵ/הֶֽם
STATEN

Toen zeide hij: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij den bornput van Beth-Héked, twee en veertig mannen, en hij liet niet een van hen over.

15
וַ/יֵּ֣לֶךְ מִ/שָּׁ֡ם וַ/יִּמְצָ֣א אֶת יְהוֹנָדָב֩ בֶּן רֵכָ֨ב לִ/קְרָאת֜/וֹ וַֽ/יְבָרְכֵ֗/הוּ וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלָ֜י/ו הֲ/יֵ֧שׁ אֶת לְבָבְ/ךָ֣ יָשָׁ֗ר כַּ/אֲשֶׁ֤ר לְבָבִ/י֙ עִם לְבָבֶ֔/ךָ וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוֹנָדָ֥ב יֵ֛שׁ וָ/יֵ֖שׁ תְּנָ֣/ה אֶת יָדֶ֑/ךָ וַ/יִּתֵּ֣ן יָד֔/וֹ וַ/יַּעֲלֵ֥/הוּ אֵלָ֖י/ו אֶל הַ/מֶּרְכָּבָֽה
STATEN

En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jónadab, den zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zeide tot hem: Is uw hart recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jónadab zeide: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op den wagen klimmen.

16
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ לְכָ֣/ה אִתִּ֔/י וּ/רְאֵ֖ה בְּ/קִנְאָתִ֣/י לַ/יהוָ֑ה וַ/יַּרְכִּ֥בוּ אֹת֖/וֹ בְּ/רִכְבּֽ/וֹ
STATEN

En hij zeide: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor den HEERE. Zo deden zij hem rijden op zijn wagen.

17
וַ/יָּבֹא֙ שֹֽׁמְר֔וֹן וַ֠/יַּךְ אֶת כָּל הַ/נִּשְׁאָרִ֧ים לְ/אַחְאָ֛ב בְּ/שֹׁמְר֖וֹן עַד הִשְׁמִיד֑/וֹ כִּ/דְבַ֣ר יְהוָ֔ה אֲשֶׁ֥ר דִּבֶּ֖ר אֶל אֵלִיָּֽהוּ
STATEN

En toen hij te Samaria kwam, sloeg hij allen, die aan Achab te Samaria overgebleven waren, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot Elía gesproken had.

18
וַ/יִּקְבֹּ֤ץ יֵהוּא֙ אֶת כָּל הָ/עָ֔ם וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֔ם אַחְאָ֕ב עָבַ֥ד אֶת הַ/בַּ֖עַל מְעָ֑ט יֵה֖וּא יַעַבְדֶ֥/נּוּ הַרְבֵּֽה
STATEN

En Jehu verzamelde al het volk, en zeide tot hen: Achab heeft Baäl een weinig gediend; Jehu zal hem veel dienen.

19
וְ/עַתָּ֣ה כָל נְבִיאֵ֣י הַ/בַּ֡עַל כָּל עֹבְדָ֣י/ו וְ/כָל כֹּהֲנָי/ו֩ קִרְא֨וּ אֵלַ֜/י אִ֣ישׁ אַל יִפָּקֵ֗ד כִּי֩ זֶ֨בַח גָּד֥וֹל לִ/י֙ לַ/בַּ֔עַל כֹּ֥ל אֲשֶׁר יִפָּקֵ֖ד לֹ֣א יִֽחְיֶ֑ה וְ/יֵהוּא֙ עָשָׂ֣ה בְ/עָקְבָּ֔ה לְמַ֥עַן הַאֲבִ֖יד אֶת עֹבְדֵ֥י הַ/בָּֽעַל
STATEN

Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht.

20
וַ/יֹּ֣אמֶר יֵה֗וּא קַדְּשׁ֧וּ עֲצָרָ֛ה לַ/בַּ֖עַל וַ/יִּקְרָֽאוּ
STATEN

Verder zeide Jehu: Heiligt Baäl een verbodsdag. En zij riepen dien uit.

21
וַ/יִּשְׁלַ֤ח יֵהוּא֙ בְּ/כָל יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ כָּל עֹבְדֵ֣י הַ/בַּ֔עַל וְ/לֹֽא נִשְׁאַ֥ר אִ֖ישׁ אֲשֶׁ֣ר לֹֽא בָ֑א וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ בֵּ֣ית הַ/בַּ֔עַל וַ/יִּמָּלֵ֥א בֵית הַ/בַּ֖עַל פֶּ֥ה לָ/פֶֽה
STATEN

Ook zond Jehu in het ganse Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet één man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde.

22
וַ/יֹּ֗אמֶר לַֽ/אֲשֶׁר֙ עַל הַ/מֶּלְתָּחָ֔ה הוֹצֵ֣א לְב֔וּשׁ לְ/כֹ֖ל עֹבְדֵ֣י הַ/בָּ֑עַל וַ/יֹּצֵ֥א לָ/הֶ֖ם הַ/מַּלְבּֽוּשׁ
STATEN

Toen zeide hij tot dengene, die over het klederhuis was: Breng voor alle dienaren van Baäl de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding uit.

23
וַ/יָּבֹ֥א יֵה֛וּא וִ/יהוֹנָדָ֥ב בֶּן רֵכָ֖ב בֵּ֣ית הַ/בָּ֑עַל וַ/יֹּ֜אמֶר לְ/עֹבְדֵ֣י הַ/בַּ֗עַל חַפְּשׂ֤וּ וּ/רְאוּ֙ פֶּן יֶשׁ פֹּ֤ה עִמָּ/כֶם֙ מֵ/עַבְדֵ֣י יְהוָ֔ה כִּ֛י אִם עֹבְדֵ֥י הַ/בַּ֖עַל לְ/בַדָּֽ/ם
STATEN

En Jehu kwam met Jónadab, den zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zeide tot de dienaren van Baäl: Onderzoekt, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren des HEEREN; maar de dienaren van Baäl alleen.

24
וַ/יָּבֹ֕אוּ לַ/עֲשׂ֖וֹת זְבָחִ֣ים וְ/עֹל֑וֹת וְ/יֵה֞וּא שָׂם ל֤/וֹ בַ/חוּץ֙ שְׁמֹנִ֣ים אִ֔ישׁ וַ/יֹּ֗אמֶר הָ/אִ֤ישׁ אֲשֶׁר יִמָּלֵט֙ מִן הָ/אֲנָשִׁ֗ים אֲשֶׁ֤ר אֲנִי֙ מֵבִ֣יא עַל יְדֵי/כֶ֔ם נַפְשׁ֖/וֹ תַּ֥חַת נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

Toen zij nu inkwamen, om slachtofferen en brandofferen te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zeide: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor deszelfs ziel zijn.

25
וַ/יְהִ֞י כְּ/כַלֹּת֣/וֹ לַ/עֲשׂ֣וֹת הָ/עֹלָ֗ה וַ/יֹּ֣אמֶר יֵ֠הוּא לָ/רָצִ֨ים וְ/לַ/שָּׁלִשִׁ֜ים בֹּ֤אוּ הַכּוּ/ם֙ אִ֣ישׁ אַל יֵצֵ֔א וַ/יַּכּ֖וּ/ם לְ/פִי חָ֑רֶב וַ/יַּשְׁלִ֗כוּ הָֽ/רָצִים֙ וְ/הַ/שָּׁ֣לִשִׁ֔ים וַ/יֵּלְכ֖וּ עַד עִ֥יר בֵּית הַ/בָּֽעַל
STATEN

En het geschiedde, als hij voleind had het brandoffer te doen, dat Jehu zeide tot de trawanten en tot de hoofdmannen: Komt in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte des zwaard; en de trawanten en hoofdmannen wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in het huis van Baäl;

26
וַ/יֹּצִ֛אוּ אֶת מַצְּב֥וֹת בֵּית הַ/בַּ֖עַל וַֽ/יִּשְׂרְפֽוּ/הָ
STATEN

En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze.

27
וַֽ/יִּתְּצ֔וּ אֵ֖ת מַצְּבַ֣ת הַ/בָּ֑עַל וַֽ/יִּתְּצוּ֙ אֶת בֵּ֣ית הַ/בַּ֔עַל וַ/יְשִׂמֻ֥/הוּ ל/מחראות עַד הַ/יּֽוֹם לְ/מֽוֹצָא֖וֹת
STATEN

Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af; daartoe braken zij het huis van Baäl af, en maakten dat tot heimelijke gemakken, tot op dezen dag.

28
וַ/יַּשְׁמֵ֥ד יֵה֛וּא אֶת הַ/בַּ֖עַל מִ/יִּשְׂרָאֵֽל
STATEN

Alzo verdelgde Jehu Baäl uit Israël.

29
רַ֠ק חֲטָאֵ֞י יָרָבְעָ֤ם בֶּן נְבָט֙ אֲשֶׁ֣ר הֶחֱטִ֣יא אֶת יִשְׂרָאֵ֔ל לֹֽא סָ֥ר יֵה֖וּא מֵ/אַֽחֲרֵי/הֶ֑ם עֶגְלֵי֙ הַ/זָּהָ֔ב אֲשֶׁ֥ר בֵּֽית אֵ֖ל וַ/אֲשֶׁ֥ר בְּ/דָֽן
STATEN

Maar van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren.

30
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֶל יֵה֗וּא יַ֤עַן אֲשֶׁר הֱטִיבֹ֨תָ֙ לַ/עֲשׂ֤וֹת הַ/יָּשָׁר֙ בְּ/עֵינַ֔/י כְּ/כֹל֙ אֲשֶׁ֣ר בִּ/לְבָבִ֔/י עָשִׂ֖יתָ לְ/בֵ֣ית אַחְאָ֑ב בְּנֵ֣י רְבִעִ֔ים יֵשְׁב֥וּ לְ/ךָ֖ עַל כִּסֵּ֥א יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

De HEERE dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op den troon van Israël zitten.

31
וְ/יֵה֗וּא לֹ֥א שָׁמַ֛ר לָ/לֶ֛כֶת בְּ/תֽוֹרַת יְהוָ֥ה אֱלֹהֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל בְּ/כָל לְבָב֑/וֹ לֹ֣א סָ֗ר מֵ/עַל֙ חַטֹּ֣אות יָֽרָבְעָ֔ם אֲשֶׁ֥ר הֶחֱטִ֖יא אֶת יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des HEEREN, des Gods van Israël, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jeróbeam, die Israël zondigen deed.

32
בַּ/יָּמִ֣ים הָ/הֵ֔ם הֵחֵ֣ל יְהוָ֔ה לְ/קַצּ֖וֹת בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יַּכֵּ֥/ם חֲזָאֵ֖ל בְּ/כָל גְּב֥וּל יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

In die dagen begon de HEERE Israël af te korten, want Házaël sloeg ze in alle landpalen van Israël:

33
מִן הַ/יַּרְדֵּן֙ מִזְרַ֣ח הַ/שֶּׁ֔מֶשׁ אֵ֚ת כָּל אֶ֣רֶץ הַ/גִּלְעָ֔ד הַ/גָּדִ֥י וְ/הָ/רֻאובֵנִ֖י וְ/הַֽ/מְנַשִּׁ֑י מֵ/עֲרֹעֵר֙ אֲשֶׁ֣ר עַל נַ֣חַל אַרְנֹ֔ן וְ/הַ/גִּלְעָ֖ד וְ/הַ/בָּשָֽׁן
STATEN

Van de Jordaan af, tegen den opgang der zon, het ganse land van Gilead, der Gadieten, en der Rubenieten, en der Manassieten; van Aroër, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan.

34
וְ/יֶ֨תֶר דִּבְרֵ֥י יֵה֛וּא וְ/כָל אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה וְ/כָל גְּבוּרָת֑/וֹ הֲ/לֽוֹא הֵ֣ם כְּתוּבִ֗ים עַל סֵ֛פֶר דִּבְרֵ֥י הַ/יָּמִ֖ים לְ/מַלְכֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Het overige nu der geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

35
וַ/יִּשְׁכַּ֤ב יֵהוּא֙ עִם אֲבֹתָ֔י/ו וַ/יִּקְבְּר֥וּ אֹת֖/וֹ בְּ/שֹׁמְר֑וֹן וַ/יִּמְלֹ֛ךְ יְהוֹאָחָ֥ז בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Jóahaz werd koning in zijn plaats.

36
וְ/הַ/יָּמִ֗ים אֲשֶׁ֨ר מָלַ֤ךְ יֵהוּא֙ עַל יִשְׂרָאֵ֔ל עֶשְׂרִ֥ים וּ/שְׁמֹנֶֽה שָׁנָ֖ה בְּ/שֹׁמְרֽוֹן
STATEN

En de dagen, die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren.