Het Woord · 2 Koningen 15 NEVIIM
2 Koningen 15 מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
בִּ/שְׁנַ֨ת עֶשְׂרִ֤ים וָ/שֶׁ֨בַע֙ שָׁנָ֔ה לְ/יָרָבְעָ֖ם מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֑ל מָלַ֛ךְ עֲזַרְיָ֥ה בֶן אֲמַצְיָ֖ה מֶ֥לֶךְ יְהוּדָֽה־׃
STATEN
In het zeven en twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd koning Azária, de zoon van Amázia, den koning van Juda.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בֶּן שֵׁ֨שׁ עֶשְׂרֵ֤ה שָׁנָה֙ הָיָ֣ה בְ/מָלְכ֔/וֹ וַ/חֲמִשִּׁ֤ים וּ/שְׁתַּ֨יִם֙ שָׁנָ֔ה מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וְ/שֵׁ֣ם אִמּ֔/וֹ יְכָלְיָ֖הוּ מִ/ירוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN
Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jechólia, van Jeruzalem.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יַּ֥עַשׂ הַ/יָּשָׁ֖ר בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה כְּ/כֹ֥ל אֲשֶׁר עָשָׂ֖ה אֲמַצְיָ֥הוּ אָבִֽי/ו־׃
STATEN
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amázia gedaan had.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
רַ֥ק הַ/בָּמ֖וֹת לֹא סָ֑רוּ ע֥וֹד הָ/עָ֛ם מְזַבְּחִ֥ים וּֽ/מְקַטְּרִ֖ים בַּ/בָּמֽוֹת־׃
STATEN
Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יְנַגַּ֨ע יְהוָ֜ה אֶת הַ/מֶּ֗לֶךְ וַ/יְהִ֤י מְצֹרָע֙ עַד י֣וֹם מֹת֔/וֹ וַ/יֵּ֖שֶׁב בְּ/בֵ֣ית הַ/חָפְשִׁ֑ית וְ/יוֹתָ֤ם בֶּן הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ עַל הַ/בַּ֔יִת שֹׁפֵ֖ט אֶת עַ֥ם הָ/אָֽרֶץ־־־־־׃
STATEN
En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/יֶ֛תֶר דִּבְרֵ֥י עֲזַרְיָ֖הוּ וְ/כָל אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֑ה הֲ/לֹא הֵ֣ם כְּתוּבִ֗ים עַל סֵ֛פֶר דִּבְרֵ֥י הַ/יָּמִ֖ים לְ/מַלְכֵ֥י יְהוּדָֽה־־־׃
STATEN
Het overige nu der geschiedenissen van Azária, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּשְׁכַּ֤ב עֲזַרְיָה֙ עִם אֲבֹתָ֔י/ו וַ/יִּקְבְּר֥וּ אֹת֛/וֹ עִם אֲבֹתָ֖י/ו בְּ/עִ֣יר דָּוִ֑ד וַ/יִּמְלֹ֛ךְ יוֹתָ֥ם בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו־־׃פ
STATEN
En Azária ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בִּ/שְׁנַ֨ת שְׁלֹשִׁ֤ים וּ/שְׁמֹנֶה֙ שָׁנָ֔ה לַ/עֲזַרְיָ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה מָ֠לַךְ זְכַרְיָ֨הוּ בֶן יָרָבְעָ֧ם עַל יִשְׂרָאֵ֛ל בְּ/שֹׁמְר֖וֹן שִׁשָּׁ֥ה חֳדָשִֽׁים־־׃
STATEN
In het acht en dertigste jaar van Azária, den koning van Juda, regeerde Zacharía, de zoon van Jeróbeam, over Israël te Samaria, zes maanden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יַּ֤עַשׂ הָ/רַע֙ בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֔ה כַּ/אֲשֶׁ֥ר עָשׂ֖וּ אֲבֹתָ֑י/ו לֹ֣א סָ֗ר מֵֽ/חַטֹּאות֙ יָרָבְעָ֣ם בֶּן נְבָ֔ט אֲשֶׁ֥ר הֶחֱטִ֖יא אֶת יִשְׂרָאֵֽל־־׃
STATEN
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּקְשֹׁ֤ר עָלָי/ו֙ שַׁלֻּ֣ם בֶּן יָבֵ֔שׁ וַ/יַּכֵּ֥/הוּ קָֽבָלְ עָ֖ם וַ/יְמִיתֵ֑/הוּ וַ/יִּמְלֹ֖ךְ תַּחְתָּֽי/ו־־׃
STATEN
En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/יֶ֖תֶר דִּבְרֵ֣י זְכַרְיָ֑ה הִנָּ֣/ם כְּתוּבִ֗ים עַל סֵ֛פֶר דִּבְרֵ֥י הַ/יָּמִ֖ים לְ/מַלְכֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN
Het overige nu der geschiedenissen van Zacharía, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
ה֣וּא דְבַר יְהוָ֗ה אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֤ר אֶל יֵהוּא֙ לֵ/אמֹ֔ר בְּנֵ֣י רְבִיעִ֔ים יֵשְׁב֥וּ לְ/ךָ֖ עַל כִּסֵּ֣א יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽ/יְהִי כֵֽן־־־־׃פ
STATEN
Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israël zitten; en het is alzo geschied.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 14 ← → navigeer Hoofdstuk 16 →