Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 8

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וֶ/אֱלִישָׁ֡ע דִּבֶּ֣ר אֶל הָ/אִשָּׁה֩ אֲשֶׁר הֶחֱיָ֨ה אֶת בְּנָ֜/הּ לֵ/אמֹ֗ר ק֤וּמִי וּ/לְכִי֙ אתי וּ/בֵיתֵ֔/ךְ וְ/ג֖וּרִי בַּ/אֲשֶׁ֣ר תָּג֑וּרִי כִּֽי קָרָ֤א יְהוָה֙ לָֽ/רָעָ֔ב וְ/גַם בָּ֥א אֶל הָ/אָ֖רֶץ שֶׁ֥בַע שָׁנִֽים־־־־־־׃ אַ֣תְּ
STATEN

Elísa nu had gesproken tot die vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, gij en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar gij verkeren kunt; want de HEERE heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.

2
וַ/תָּ֨קָם֙ הָֽ/אִשָּׁ֔ה וַ/תַּ֕עַשׂ כִּ/דְבַ֖ר אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֑ים וַ/תֵּ֤לֶךְ הִיא֙ וּ/בֵיתָ֔/הּ וַ/תָּ֥גָר בְּ/אֶֽרֶץ פְּלִשְׁתִּ֖ים שֶׁ֥בַע שָׁנִֽים־׃
STATEN

En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van den man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling verkeerd in het land der Filistijnen, zeven jaren.

3
וַ/יְהִ֗י מִ/קְצֵה֙ שֶׁ֣בַע שָׁנִ֔ים וַ/תָּ֥שָׁב הָ/אִשָּׁ֖ה מֵ/אֶ֣רֶץ פְּלִשְׁתִּ֑ים וַ/תֵּצֵא֙ לִ/צְעֹ֣ק אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ אֶל בֵּיתָ֖/הּ וְ/אֶל שָׂדָֽ/הּ־־־׃
STATEN

En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het land der Filistijnen wederkeerde; en zij ging uit, dat zij tot den koning riep, om haar huis en om haar akker.

4
וְ/הַ/מֶּ֗לֶךְ מְדַבֵּר֙ אֶל גֵּ֣חֲזִ֔י נַ֥עַר אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֖ים לֵ/אמֹ֑ר סַפְּרָ/ה נָּ֣א לִ֔/י אֵ֥ת כָּל הַ/גְּדֹל֖וֹת אֲשֶׁר עָשָׂ֥ה אֱלִישָֽׁע־־־־־׃
STATEN

De koning nu sprak tot Géhazi, den jongen van den man Gods, zeggende: Vertel mij toch al de grote dingen, die Elísa gedaan heeft.

5
וַ֠/יְהִי ה֥וּא מְסַפֵּ֣ר לַ/מֶּלֶךְ֮ אֵ֣ת אֲשֶׁר הֶחֱיָ֣ה אֶת הַ/מֵּת֒ וְ/הִנֵּ֨ה הָ/אִשָּׁ֜ה אֲשֶׁר הֶחֱיָ֤ה אֶת בְּנָ/הּ֙ צֹעֶ֣קֶת אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ עַל בֵּיתָ֖/הּ וְ/עַל שָׂדָ֑/הּ וַ/יֹּ֤אמֶר גֵּֽחֲזִי֙ אֲדֹנִ֣/י הַ/מֶּ֔לֶךְ זֹ֚את הָֽ/אִשָּׁ֔ה וְ/זֶה בְּנָ֖/הּ אֲשֶׁר הֶחֱיָ֥ה אֱלִישָֽׁע־־־־־־־־־׃
STATEN

En het geschiedde, als hij den koning vertelde, hoe hij een dode had levend gemaakt, ziet, zo riep de vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, tot den koning, om haar huis en om haar akker. Toen zeide Géhazi: Mijn heer koning! Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, dien Elísa heeft levend gemaakt.

6
וַ/יִּשְׁאַ֥ל הַ/מֶּ֛לֶךְ לָ/אִשָּׁ֖ה וַ/תְּסַפֶּר ל֑/וֹ וַ/יִּתֶּן לָ֣/הּ הַ/מֶּלֶךְ֩ סָרִ֨יס אֶחָ֜ד לֵ/אמֹ֗ר הָשֵׁ֤יב אֶת כָּל אֲשֶׁר לָ/הּ֙ וְ/אֵת֙ כָּל תְּבוּאֹ֣ת הַ/שָּׂדֶ֔ה מִ/יּ֛וֹם עָזְבָ֥ה אֶת הָ/אָ֖רֶץ וְ/עַד עָֽתָּה־־־־־־־־׃פ
STATEN

En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten des akkers, van den dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.

7
וַ/יָּבֹ֤א אֱלִישָׁע֙ דַּמֶּ֔שֶׂק וּ/בֶן הֲדַ֥ד מֶֽלֶךְ אֲרָ֖ם חֹלֶ֑ה וַ/יֻּגַּד ל֣/וֹ לֵ/אמֹ֔ר בָּ֛א אִ֥ישׁ הָ/אֱלֹהִ֖ים עַד הֵֽנָּה־־־־׃
STATEN

Daarna kwam Elísa te Damaskus, als Benhadad, de koning van Syrië, krank was; en men boodschapte hem, zeggende: De man Gods is herwaarts gekomen.

8
וַ/יֹּ֨אמֶר הַ/מֶּ֜לֶךְ אֶל חֲזָהאֵ֗ל קַ֤ח בְּ/יָֽדְ/ךָ֙ מִנְחָ֔ה וְ/לֵ֕ךְ לִ/קְרַ֖את אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֑ים וְ/דָרַשְׁתָּ֨ אֶת יְהוָ֤ה מֵֽ/אוֹת/וֹ֙ לֵ/אמֹ֔ר הַ/אֶחְיֶ֖ה מֵ/חֳלִ֥י זֶֽה־־׃
STATEN

Toen zeide de koning tot Házaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga den man Gods tegemoet; en vraag door hem den HEERE, zeggende: Zal ik van deze krankheid genezen?

9
וַ/יֵּ֣לֶךְ חֲזָאֵל֮ לִ/קְרָאת/וֹ֒ וַ/יִּקַּ֨ח מִנְחָ֤ה בְ/יָד/וֹ֙ וְ/כָל ט֣וּב דַּמֶּ֔שֶׂק מַשָּׂ֖א אַרְבָּעִ֣ים גָּמָ֑ל וַ/יָּבֹא֙ וַ/יַּעֲמֹ֣ד לְ/פָנָ֔י/ו וַ/יֹּ֗אמֶר בִּנְ/ךָ֨ בֶן הֲדַ֤ד מֶֽלֶךְ אֲרָם֙ שְׁלָחַ֤/נִי אֵלֶ֨י/ךָ֙ לֵ/אמֹ֔ר הַ/אֶחְיֶ֖ה מֵ/חֳלִ֥י זֶֽה־־־׃
STATEN

Zo ging Házaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damaskus, een last van veertig kemelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen?

10
וַ/יֹּ֤אמֶר אֵלָי/ו֙ אֱלִישָׁ֔ע לֵ֥ךְ אֱמָר לא חָיֹ֣ה תִחְיֶ֑ה וְ/הִרְאַ֥/נִי יְהוָ֖ה כִּֽי מ֥וֹת יָמֽוּת־־׃ ל֖/וֹ
STATEN

En Elísa zeide tot hem: Ga, zeg, gij zult ganselijk niet genezen; want de HEERE heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal.

11
וַ/יַּעֲמֵ֥ד אֶת פָּנָ֖י/ו וַ/יָּ֣שֶׂם עַד בֹּ֑שׁ וַ/יֵּ֖בְךְּ אִ֥ישׁ הָ/אֱלֹהִֽים־־׃
STATEN

En hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast tot schamens toe; en de man Gods weende.

12
וַ/יֹּ֣אמֶר חֲזָאֵ֔ל מַדּ֖וּעַ אֲדֹנִ֣/י בֹכֶ֑ה וַ/יֹּ֡אמֶר כִּֽי יָדַ֡עְתִּי אֵ֣ת אֲשֶׁר תַּעֲשֶׂה֩ לִ/בְנֵ֨י יִשְׂרָאֵ֜ל רָעָ֗ה מִבְצְרֵי/הֶ֞ם תְּשַׁלַּ֤ח בָּ/אֵשׁ֙ וּ/בַחֻֽרֵי/הֶם֙ בַּ/חֶ֣רֶב תַּהֲרֹ֔ג וְ/עֹלְלֵי/הֶ֣ם תְּרַטֵּ֔שׁ וְ/הָרֹתֵי/הֶ֖ם תְּבַקֵּֽעַ־־׃
STATEN

Toen zeide Házaël: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: omdat ik weet, wat kwaad gij den kinderen Israëls doen zult; gij zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 8

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →