NEVIIM

2 Koningen 19

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֗י כִּ/שְׁמֹ֨עַ֙ הַ/מֶּ֣לֶךְ חִזְקִיָּ֔הוּ וַ/יִּקְרַ֖ע אֶת בְּגָדָ֑י/ו וַ/יִּתְכַּ֣ס בַּ/שָּׂ֔ק וַ/יָּבֹ֖א בֵּ֥ית יְהוָֽה
STATEN

En het geschiedde, als de koning Hizkía dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.

2
וַ֠/יִּשְׁלַח אֶת אֶלְיָקִ֨ים אֲשֶׁר עַל הַ/בַּ֜יִת וְ/שֶׁבְנָ֣א הַ/סֹּפֵ֗ר וְ/אֵת֙ זִקְנֵ֣י הַ/כֹּֽהֲנִ֔ים מִתְכַּסִּ֖ים בַּ/שַּׂקִּ֑ים אֶל יְשַֽׁעְיָ֥הוּ הַ/נָּבִ֖יא בֶּן אָמֽוֹץ
STATEN

Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesája, den profeet, den zoon van Amoz;

3
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֗י/ו כֹּ֚ה אָמַ֣ר חִזְקִיָּ֔הוּ יוֹם צָרָ֧ה וְ/תוֹכֵחָ֛ה וּ/נְאָצָ֖ה הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה כִּ֣י בָ֤אוּ בָנִים֙ עַד מַשְׁבֵּ֔ר וְ/כֹ֥חַ אַ֖יִן לְ/לֵדָֽה
STATEN

En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.

4
אוּלַ֡י יִשְׁמַע֩ יְהוָ֨ה אֱלֹהֶ֜י/ךָ אֵ֣ת כָּל דִּבְרֵ֣י רַב שָׁקֵ֗ה אֲשֶׁר֩ שְׁלָח֨/וֹ מֶֽלֶךְ אַשּׁ֤וּר אֲדֹנָי/ו֙ לְ/חָרֵף֙ אֱלֹהִ֣ים חַ֔י וְ/הוֹכִ֨יחַ֙ בַּ/דְּבָרִ֔ים אֲשֶׁ֥ר שָׁמַ֖ע יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ וְ/נָשָׂ֣אתָ תְפִלָּ֔ה בְּעַ֥ד הַ/שְּׁאֵרִ֖ית הַ/נִּמְצָאָֽה
STATEN

Misschien zal de HEERE, uw God, horen al de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden, met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.

5
וַ/יָּבֹ֗אוּ עַבְדֵ֛י הַ/מֶּ֥לֶךְ חִזְקִיָּ֖הוּ אֶל יְשַֽׁעַיָֽהוּ
STATEN

En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesája.

6
וַ/יֹּ֤אמֶר לָ/הֶם֙ יְשַֽׁעְיָ֔הוּ כֹּ֥ה תֹאמְר֖וּ/ן אֶל אֲדֹֽנֵי/כֶ֑ם כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אַל תִּירָא֙ מִ/פְּנֵ֤י הַ/דְּבָרִים֙ אֲשֶׁ֣ר שָׁמַ֗עְתָּ אֲשֶׁ֧ר גִּדְּפ֛וּ נַעֲרֵ֥י מֶֽלֶךְ אַשּׁ֖וּר אֹתִֽ/י
STATEN

En Jesája zeide tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars van den koning van Assyrië gelasterd hebben.

7
הִנְ/נִ֨י נֹתֵ֥ן בּ/וֹ֙ ר֔וּחַ וְ/שָׁמַ֥ע שְׁמוּעָ֖ה וְ/שָׁ֣ב לְ/אַרְצ֑/וֹ וְ/הִפַּלְתִּ֥י/ו בַּ/חֶ֖רֶב בְּ/אַרְצֽ/וֹ
STATEN

Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.

8
וַ/יָּ֨שָׁב֙ רַב שָׁקֵ֔ה וַ/יִּמְצָא֙ אֶת מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר נִלְחָ֖ם עַל לִבְנָ֑ה כִּ֣י שָׁמַ֔ע כִּ֥י נָסַ֖ע מִ/לָּכִֽישׁ
STATEN

Zo kwam Rabsaké weder, en vond den koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.

9
וַ/יִּשְׁמַ֗ע אֶל תִּרְהָ֤קָה מֶֽלֶך כּוּשׁ֙ לֵ/אמֹ֔ר הִנֵּ֥ה יָצָ֖א לְ/הִלָּחֵ֣ם אִתָּ֑/ךְ וַ/יָּ֨שָׁב֙ וַ/יִּשְׁלַ֣ח מַלְאָכִ֔ים אֶל חִזְקִיָּ֖הוּ לֵ/אמֹֽר
STATEN

Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkía, zeggende:

10
כֹּ֣ה תֹאמְר֗וּ/ן אֶל חִזְקִיָּ֤הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָה֙ לֵ/אמֹ֔ר אַל יַשִּׁאֲ/ךָ֣ אֱלֹהֶ֔י/ךָ אֲשֶׁ֥ר אַתָּ֛ה בֹּטֵ֥חַ בּ֖/וֹ לֵ/אמֹ֑ר לֹ֤א תִנָּתֵן֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם בְּ/יַ֖ד מֶ֥לֶךְ אַשּֽׁוּר
STATEN

Zo zult gij spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.

11
הִנֵּ֣ה אַתָּ֣ה שָׁמַ֗עְתָּ אֵת֩ אֲשֶׁ֨ר עָשׂ֜וּ מַלְכֵ֥י אַשּׁ֛וּר לְ/כָל הָ/אֲרָצ֖וֹת לְ/הַֽחֲרִימָ֑/ם וְ/אַתָּ֖ה תִּנָּצֵֽל
STATEN

Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?

12
הַ/הִצִּ֨ילוּ אֹתָ֜/ם אֱלֹהֵ֤י הַ/גּוֹיִם֙ אֲשֶׁ֣ר שִׁחֲת֣וּ אֲבוֹתַ֔/י אֶת גּוֹזָ֖ן וְ/אֶת חָרָ֑ן וְ/רֶ֥צֶף וּ/בְנֵי עֶ֖דֶן אֲשֶׁ֥ר בִּ/תְלַאשָּֽׂר
STATEN

Hebben de goden der volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?

13
אַיּ֤/וֹ מֶֽלֶךְ חֲמָת֙ וּ/מֶ֣לֶךְ אַרְפָּ֔ד וּ/מֶ֖לֶךְ לָעִ֣יר סְפַרְוָ֑יִם הֵנַ֖ע וְ/עִוָּֽה
STATEN

Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarváïm, Hena en Ivva?

14
וַ/יִּקַּ֨ח חִזְקִיָּ֧הוּ אֶת הַ/סְּפָרִ֛ים מִ/יַּ֥ד הַ/מַּלְאָכִ֖ים וַ/יִּקְרָאֵ֑/ם וַ/יַּ֨עַל֙ בֵּ֣ית יְהוָ֔ה וַ/יִּפְרְשֵׂ֥/הוּ חִזְקִיָּ֖הוּ לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Als nu Hizkía de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN, en Hizkía breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.

15
וַ/יִּתְפַּלֵּ֨ל חִזְקִיָּ֜הוּ לִ/פְנֵ֣י יְהוָה֮ וַ/יֹּאמַר֒ יְהוָ֞ה אֱלֹהֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ יֹשֵׁ֣ב הַ/כְּרֻבִ֔ים אַתָּה ה֤וּא הָֽ/אֱלֹהִים֙ לְ/בַדְּ/ךָ֔ לְ/כֹ֖ל מַמְלְכ֣וֹת הָ/אָ֑רֶץ אַתָּ֣ה עָשִׂ֔יתָ אֶת הַ/שָּׁמַ֖יִם וְ/אֶת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En Hizkía bad voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: O HEERE, God Israëls, Die tussen de cherubim woont! Gij zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.

16
הַטֵּ֨ה יְהוָ֤ה אָזְנְ/ךָ֙ וּֽ/שֲׁמָ֔ע פְּקַ֧ח יְהוָ֛ה עֵינֶ֖י/ךָ וּ/רְאֵ֑ה וּ/שְׁמַ֗ע אֵ֚ת דִּבְרֵ֣י סַנְחֵרִ֔יב אֲשֶׁ֣ר שְׁלָח֔/וֹ לְ/חָרֵ֖ף אֱלֹהִ֥ים חָֽי
STATEN

O, HEERE! neig Uw oor en hoor, doe, HEERE! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om den levenden God te honen.

17
אָמְנָ֖ם יְהוָ֑ה הֶחֱרִ֜יבוּ מַלְכֵ֥י אַשּׁ֛וּר אֶת הַ/גּוֹיִ֖ם וְ/אֶת אַרְצָֽ/ם
STATEN

Waarlijk, HEERE, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest;

18
וְ/נָתְנ֥וּ אֶת אֱלֹהֵי/הֶ֖ם בָּ/אֵ֑שׁ כִּי֩ לֹ֨א אֱלֹהִ֜ים הֵ֗מָּה כִּ֣י אִם מַעֲשֵׂ֧ה יְדֵֽי אָדָ֛ם עֵ֥ץ וָ/אֶ֖בֶן וַֽ/יְאַבְּדֽוּ/ם
STATEN

En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.

19
וְ/עַתָּה֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֔י/נוּ הוֹשִׁיעֵ֥/נוּ נָ֖א מִ/יָּד֑/וֹ וְ/יֵֽדְעוּ֙ כָּל מַמְלְכ֣וֹת הָ/אָ֔רֶץ כִּ֥י אַתָּ֛ה יְהוָ֥ה אֱלֹהִ֖ים לְ/בַדֶּֽ/ךָ
STATEN

Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij, HEERE, alleen God zijt.

20
וַ/יִּשְׁלַח֙ יְשַֽׁעְיָ֣הוּ בֶן אָמ֔וֹץ אֶל חִזְקִיָּ֖הוּ לֵ/אמֹ֑ר כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁ֨ר הִתְפַּלַּ֧לְתָּ אֵלַ֛/י אֶל סַנְחֵרִ֥ב מֶֽלֶךְ אַשּׁ֖וּר שָׁמָֽעְתִּי
STATEN

Toen zond Jesája, de zoon van Amoz, tot Hizkía, zeggende: Zo spreekt de HEERE, de God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord.

21
זֶ֣ה הַ/דָּבָ֔ר אֲשֶׁר דִּבֶּ֥ר יְהוָ֖ה עָלָ֑י/ו בָּזָ֨ה לְ/ךָ֜ לָעֲגָ֣ה לְ/ךָ֗ בְּתוּלַת֙ בַּת צִיּ֔וֹן אַחֲרֶ֨י/ךָ֙ רֹ֣אשׁ הֵנִ֔יעָה בַּ֖ת יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.

22
אֶת מִ֤י חֵרַ֨פְתָּ֙ וְ/גִדַּ֔פְתָּ וְ/עַל מִ֖י הֲרִימ֣וֹתָ קּ֑וֹל וַ/תִּשָּׂ֥א מָר֛וֹם עֵינֶ֖י/ךָ עַל קְד֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Wien hebt gij gehoond en gelasterd? en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israëls!

23
בְּ/יַ֣ד מַלְאָכֶי/ךָ֮ חֵרַ֣פְתָּ אֲדֹנָ/י֒ וַ/תֹּ֗אמֶר ב/רכב רִכְבִּ֛/י אֲנִ֥י עָלִ֛יתִי מְר֥וֹם הָרִ֖ים יַרְכְּתֵ֣י לְבָנ֑וֹן וְ/אֶכְרֹ֞ת קוֹמַ֤ת אֲרָזָי/ו֙ מִבְח֣וֹר בְּרֹשָׁ֔י/ו וְ/אָב֨וֹאָה֙ מְל֣וֹן קִצֹּ֔/ה יַ֖עַר כַּרְמִלּֽ/וֹ בְּ/רֹ֥ב
STATEN

Door middel uwer boden hebt gij den HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, de zijden van den Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds.

24
אֲנִ֣י קַ֔רְתִּי וְ/שָׁתִ֖יתִי מַ֣יִם זָרִ֑ים וְ/אַחְרִב֙ בְּ/כַף פְּעָמַ֔/י כֹּ֖ל יְאֹרֵ֥י מָצֽוֹר
STATEN

Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.

25
הֲ/לֹֽא שָׁמַ֤עְתָּ לְ/מֵֽ/רָחוֹק֙ אֹתָ֣/הּ עָשִׂ֔יתִי לְ/מִ֥/ימֵי קֶ֖דֶם וִֽ/יצַרְתִּ֑י/הָ עַתָּ֣ה הֲבֵיאתִ֗י/הָ וּ/תְהִ֗י לַ/הְשׁ֛וֹת גַּלִּ֥ים נִצִּ֖ים עָרִ֥ים בְּצֻרֽוֹת
STATEN

Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.

26
וְ/יֹֽשְׁבֵי/הֶן֙ קִצְרֵי יָ֔ד חַ֖תּוּ וַ/יֵּבֹ֑שׁוּ הָי֞וּ עֵ֤שֶׂב שָׂדֶה֙ וִ֣/ירַק דֶּ֔שֶׁא חֲצִ֣יר גַּגּ֔וֹת וּ/שְׁדֵפָ֖ה לִ/פְנֵ֥י קָמָֽה
STATEN

Daarom waren haar inwoners handeloos; zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds, en de groene grasscheutjes, het hooi der daken, en het brandkoren, eer het over einde staat.

27
וְ/שִׁבְתְּ/ךָ֛ וְ/צֵאתְ/ךָ֥ וּ/בֹאֲ/ךָ֖ יָדָ֑עְתִּי וְ/אֵ֖ת הִֽתְרַגֶּזְ/ךָ֥ אֵלָֽ/י
STATEN

Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.

28
יַ֚עַן הִתְרַגֶּזְ/ךָ֣ אֵלַ֔/י וְ/שַׁאֲנַנְ/ךָ֖ עָלָ֣ה בְ/אָזְנָ֑/י וְ/שַׂמְתִּ֨י חַחִ֜/י בְּ/אַפֶּ֗/ךָ וּ/מִתְגִּ/י֙ בִּ/שְׂפָתֶ֔י/ךָ וַ/הֲשִׁ֣בֹתִ֔י/ךָ בַּ/דֶּ֖רֶךְ אֲשֶׁר בָּ֥אתָ בָּֽ/הּ
STATEN

Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.

29
וְ/זֶה לְּ/ךָ֣ הָ/א֔וֹת אָכ֤וֹל הַ/שָּׁנָה֙ סָפִ֔יחַ וּ/בַ/שָּׁנָ֥ה הַ/שֵּׁנִ֖ית סָחִ֑ישׁ וּ/בַ/שָּׁנָ֣ה הַ/שְּׁלִישִׁ֗ית זִרְע֧וּ וְ/קִצְר֛וּ וְ/נִטְע֥וּ כְרָמִ֖ים וְ/אִכְל֥וּ פִרְיָֽ/ם
STATEN

En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.

30
וְ/יָ֨סְפָ֜ה פְּלֵיטַ֧ת בֵּית יְהוּדָ֛ה הַ/נִּשְׁאָרָ֖ה שֹׁ֣רֶשׁ לְ/מָ֑טָּה וְ/עָשָׂ֥ה פְרִ֖י לְ/מָֽעְלָ/ה
STATEN

Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en zal opwaarts vrucht dragen.

31
כִּ֤י מִ/ירוּשָׁלִַ֨ם֙ תֵּצֵ֣א שְׁאֵרִ֔ית וּ/פְלֵיטָ֖ה מֵ/הַ֣ר צִיּ֑וֹן קִנְאַ֛ת יְהוָ֥ה תַּֽעֲשֶׂה זֹּֽאת צְבָא֖וֹת
STATEN

Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver van den HEERE der heirscharen zal dit doen.

32
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֶל מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר לֹ֤א יָבֹא֙ אֶל הָ/עִ֣יר הַ/זֹּ֔את וְ/לֹֽא יוֹרֶ֥ה שָׁ֖ם חֵ֑ץ וְ/לֹֽא יְקַדְּמֶ֣/נָּה מָגֵ֔ן וְ/לֹֽא יִשְׁפֹּ֥ךְ עָלֶ֖י/הָ סֹלְלָֽה
STATEN

Daarom zo zegt de HEERE van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.

33
בַּ/דֶּ֥רֶךְ אֲשֶׁר יָבֹ֖א בָּ֣/הּ יָשׁ֑וּב וְ/אֶל הָ/עִ֥יר הַ/זֹּ֛את לֹ֥א יָבֹ֖א נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.

34
וְ/גַנּוֹתִ֛י אֶל הָ/עִ֥יר הַ/זֹּ֖את לְ/הֽוֹשִׁיעָ֑/הּ לְמַֽעֲנִ֔/י וּ/לְמַ֖עַן דָּוִ֥ד עַבְדִּֽ/י
STATEN

Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.

35
וַ/יְהִי֮ בַּ/לַּ֣יְלָה הַ/הוּא֒ וַ/יֵּצֵ֣א מַלְאַ֣ךְ יְהוָ֗ה וַ/יַּךְ֙ בְּ/מַחֲנֵ֣ה אַשּׁ֔וּר מֵאָ֛ה שְׁמוֹנִ֥ים וַ/חֲמִשָּׁ֖ה אָ֑לֶף וַ/יַּשְׁכִּ֣ימוּ בַ/בֹּ֔קֶר וְ/הִנֵּ֥ה כֻלָּ֖/ם פְּגָרִ֥ים מֵתִֽים
STATEN

Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.

36
וַ/יִּסַּ֣ע וַ/יֵּ֔לֶךְ וַ/יָּ֖שָׁב סַנְחֵרִ֣יב מֶֽלֶךְ אַשּׁ֑וּר וַ/יֵּ֖שֶׁב בְּ/נִֽינְוֵֽה
STATEN

Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Ninevé.

37
וַ/יְהִי֩ ה֨וּא מִֽשְׁתַּחֲוֶ֜ה בֵּ֣ית נִסְרֹ֣ךְ אֱלֹהָ֗י/ו וְֽ/אַדְרַמֶּ֨לֶךְ וְ/שַׂרְאֶ֤צֶר הִכֻּ֣/הוּ בַ/חֶ֔רֶב וְ/הֵ֥מָּה נִמְלְט֖וּ אֶ֣רֶץ אֲרָרָ֑ט וַ/יִּמְלֹ֛ךְ אֵֽסַר חַדֹּ֥ן בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו בָּנָי/ו֙
STATEN

Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramélech en Sarézer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.