Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 5

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ֠/נַעֲמָן שַׂר צְבָ֨א מֶֽלֶךְ אֲרָ֜ם הָיָ֣ה אִישׁ֩ גָּד֨וֹל לִ/פְנֵ֤י אֲדֹנָי/ו֙ וּ/נְשֻׂ֣א פָנִ֔ים כִּֽי ב֛/וֹ נָֽתַן יְהוָ֥ה תְּשׁוּעָ֖ה לַ/אֲרָ֑ם וְ/הָ/אִ֗ישׁ הָיָ֛ה גִּבּ֥וֹר חַ֖יִל מְצֹרָֽע־־־־׃
STATEN

Náäman nu, de krijgsoverste van den koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE den Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.

2
וַ/אֲרָם֙ יָצְא֣וּ גְדוּדִ֔ים וַ/יִּשְׁבּ֛וּ מֵ/אֶ֥רֶץ יִשְׂרָאֵ֖ל נַעֲרָ֣ה קְטַנָּ֑ה וַ/תְּהִ֕י לִ/פְנֵ֖י אֵ֥שֶׁת נַעֲמָֽן׃
STATEN

En er waren benden uit Syrië getogen, en hadden een kleine jonge dochter uit het land van Israël gevankelijk gebracht, die in den dienst der huisvrouw van Náäman was.

3
וַ/תֹּ֨אמֶר֙ אֶל גְּבִרְתָּ֔/הּ אַחֲלֵ֣י אֲדֹנִ֔/י לִ/פְנֵ֥י הַ/נָּבִ֖יא אֲשֶׁ֣ר בְּ/שֹׁמְר֑וֹן אָ֛ז יֶאֱסֹ֥ף אֹת֖/וֹ מִ/צָּרַעְתּֽ/וֹ־׃
STATEN

Deze zeide tot haar vrouw: Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van den profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen.

4
וַ/יָּבֹ֕א וַ/יַּגֵּ֥ד לַ/אדֹנָ֖י/ו לֵ/אמֹ֑ר כָּ/זֹ֤את וְ/כָ/זֹאת֙ דִּבְּרָ֣ה הַֽ/נַּעֲרָ֔ה אֲשֶׁ֖ר מֵ/אֶ֥רֶץ יִשְׂרָאֵֽל׃
STATEN

Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israël is.

5
וַ/יֹּ֤אמֶר מֶֽלֶךְ אֲרָם֙ לֶךְ בֹּ֔א וְ/אֶשְׁלְחָ֥ה סֵ֖פֶר אֶל מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יֵּלֶךְ֩ וַ/יִּקַּ֨ח בְּ/יָד֜/וֹ עֶ֣שֶׂר כִּכְּרֵי כֶ֗סֶף וְ/שֵׁ֤שֶׁת אֲלָפִים֙ זָהָ֔ב וְ/עֶ֖שֶׂר חֲלִיפ֥וֹת בְּגָדִֽים־־־־׃
STATEN

Toen zeide de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan den koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen.

6
וַ/יָּבֵ֣א הַ/סֵּ֔פֶר אֶל מֶ֥לֶךְ יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר וְ/עַתָּ֗ה כְּ/ב֨וֹא הַ/סֵּ֤פֶר הַ/זֶּה֙ אֵלֶ֔י/ךָ הִנֵּ֨ה שָׁלַ֤חְתִּי אֵלֶ֨י/ךָ֙ אֶת נַעֲמָ֣ן עַבְדִּ֔/י וַ/אֲסַפְתּ֖/וֹ מִ/צָּרַעְתּֽ/וֹ־־׃
STATEN

En hij bracht den brief tot den koning van Israël, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Náäman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijn melaatsheid.

7
וַ/יְהִ֡י כִּ/קְרֹא֩ מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵ֨ל אֶת הַ/סֵּ֜פֶר וַ/יִּקְרַ֣ע בְּגָדָ֗י/ו וַ/יֹּ֨אמֶר֙ הַ/אֱלֹהִ֥ים אָ֨נִי֙ לְ/הָמִ֣ית וּֽ/לְ/הַחֲי֔וֹת כִּֽי זֶה֙ שֹׁלֵ֣חַ אֵלַ֔/י לֶ/אֱסֹ֥ף אִ֖ישׁ מִ/צָּֽרַעְתּ֑/וֹ כִּ֤י אַךְ דְּעֽוּ נָא֙ וּ/רְא֔וּ כִּֽי מִתְאַנֶּ֥ה ה֖וּא לִֽ/י־־־־־־׃
STATEN

En het geschiedde, als de koning van Israël den brief gelezen had, dat hij zijn klederen scheurde, en zeide: Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want voorwaar, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt.

8
וַ/יְהִ֞י כִּ/שְׁמֹ֣עַ אֱלִישָׁ֣ע אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֗ים כִּֽי קָרַ֤ע מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל֙ אֶת בְּגָדָ֔י/ו וַ/יִּשְׁלַח֙ אֶל הַ/מֶּ֣לֶךְ לֵ/אמֹ֔ר לָ֥/מָּה קָרַ֖עְתָּ בְּגָדֶ֑י/ךָ יָבֹֽא נָ֣א אֵלַ֔/י וְ/יֵדַ֕ע כִּ֛י יֵ֥שׁ נָבִ֖יא בְּ/יִשְׂרָאֵֽל׀־־־־־־׃
STATEN

Maar het geschiedde, als Elísa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had, dat hij tot den koning zond, om te zeggen: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israël is.

9
וַ/יָּבֹ֥א נַעֲמָ֖ן ב/סוס/ו וּ/בְ/רִכְבּ֑/וֹ וַ/יַּעֲמֹ֥ד פֶּֽתַח הַ/בַּ֖יִת לֶ/אֱלִישָֽׁע בְּ/סוּסָ֣י/ו־׃
STATEN

Alzo kwam Náäman met zijn paarden en met zijn wagen, en stond voor de deur van het huis van Elísa.

10
וַ/יִּשְׁלַ֥ח אֵלָ֛י/ו אֱלִישָׁ֖ע מַלְאָ֣ךְ לֵ/אמֹ֑ר הָל֗וֹךְ וְ/רָחַצְתָּ֤ שֶֽׁבַע פְּעָמִים֙ בַּ/יַּרְדֵּ֔ן וְ/יָשֹׁ֧ב בְּשָׂרְ/ךָ֛ לְ/ךָ֖ וּ/טְהָֽר־׃
STATEN

Toen zond Elísa tot hem een bode, zeggende: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen, en gij zult rein zijn.

11
וַ/יִּקְצֹ֥ף נַעֲמָ֖ן וַ/יֵּלַ֑ךְ וַ/יֹּאמֶר֩ הִנֵּ֨ה אָמַ֜רְתִּי אֵלַ֣/י יֵצֵ֣א יָצ֗וֹא וְ/עָמַד֙ וְ/קָרָא֙ בְּ/שֵׁם יְהוָ֣ה אֱלֹהָ֔י/ו וְ/הֵנִ֥יף יָד֛/וֹ אֶל הַ/מָּק֖וֹם וְ/אָסַ֥ף הַ/מְּצֹרָֽע׀־־׃
STATEN

Maar Náäman werd zeer toornig, en toog weg, en zeide: Zie, ik zeide bij mij zelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den Naam des HEEREN, Zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en den melaatse ontledigen.

12
הֲ/לֹ֡א טוֹב֩ אבנה וּ/פַרְפַּ֜ר נַהֲר֣וֹת דַּמֶּ֗שֶׂק מִ/כֹּל֙ מֵימֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הֲ/לֹֽא אֶרְחַ֥ץ בָּ/הֶ֖ם וְ/טָהָ֑רְתִּי וַ/יִּ֖פֶן וַ/יֵּ֥לֶךְ בְּ/חֵמָֽה אֲמָנָ֨ה־׃
STATEN

Zijn niet Abána en Farpar, de rivieren van Damaskus, beter dan alle wateren van Israël; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 5

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 5 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →