NEVIIM

2 Koningen 21

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
1
בֶּן שְׁתֵּ֨ים עֶשְׂרֵ֤ה שָׁנָה֙ מְנַשֶּׁ֣ה בְ/מָלְכ֔/וֹ וַ/חֲמִשִּׁ֤ים וְ/חָמֵשׁ֙ שָׁנָ֔ה מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וְ/שֵׁ֥ם אִמּ֖/וֹ חֶפְצִי בָֽהּ
STATEN

Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hefzi-bah.

2
וַ/יַּ֥עַשׂ הָ/רַ֖ע בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה כְּ/תֽוֹעֲבֹת֙ הַ/גּוֹיִ֔ם אֲשֶׁר֙ הוֹרִ֣ישׁ יְהוָ֔ה מִ/פְּנֵ֖י בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.

3
וַ/יָּ֗שָׁב וַ/יִּ֨בֶן֙ אֶת הַ/בָּמ֔וֹת אֲשֶׁ֥ר אִבַּ֖ד חִזְקִיָּ֣הוּ אָבִ֑י/ו וַ/יָּ֨קֶם מִזְבְּחֹ֜ת לַ/בַּ֗עַל וַ/יַּ֤עַשׂ אֲשֵׁרָה֙ כַּ/אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֗ה אַחְאָב֙ מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יִּשְׁתַּ֨חוּ֙ לְ/כָל צְבָ֣א הַ/שָּׁמַ֔יִם וַֽ/יַּעֲבֹ֖ד אֹתָֽ/ם
STATEN

Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkía, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze.

4
וּ/בָנָ֥ה מִזְבְּחֹ֖ת בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה אֲשֶׁר֙ אָמַ֣ר יְהוָ֔ה בִּ/ירוּשָׁלִַ֖ם אָשִׂ֥ים אֶת שְׁמִֽ/י
STATEN

En hij bouwde altaren in het huis des HEEREN, waarvan de HEERE gezegd had: te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.

5
וַ/יִּ֥בֶן מִזְבְּח֖וֹת לְ/כָל צְבָ֣א הַ/שָּׁמָ֑יִם בִּ/שְׁתֵּ֖י חַצְר֥וֹת בֵּית יְהוָֽה
STATEN

Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het huis des HEEREN.

6
וְ/הֶעֱבִ֤יר אֶת בְּנ/וֹ֙ בָּ/אֵ֔שׁ וְ/עוֹנֵ֣ן וְ/נִחֵ֔שׁ וְ/עָ֥שָׂה א֖וֹב וְ/יִדְּעֹנִ֑ים הִרְבָּ֗ה לַ/עֲשׂ֥וֹת הָ/רַ֛ע בְּ/עֵינֵ֥י יְהוָ֖ה לְ/הַכְעִֽיס
STATEN

Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.

7
וַ/יָּ֕שֶׂם אֶת פֶּ֥סֶל הָ/אֲשֵׁרָ֖ה אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֑ה בַּ/בַּ֗יִת אֲשֶׁ֨ר אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֶל דָּוִד֙ וְ/אֶל שְׁלֹמֹ֣ה בְנ֔/וֹ בַּ/בַּ֨יִת הַ/זֶּ֜ה וּ/בִ/ירוּשָׁלִַ֗ם אֲשֶׁ֤ר בָּחַ֨רְתִּי֙ מִ/כֹּל֙ שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אָשִׂ֥ים אֶת שְׁמִ֖/י לְ/עוֹלָֽם
STATEN

Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis waarvan de HEERE gezegd had tot David, en tot zijn zoon Sálomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid.

8
וְ/לֹ֣א אֹסִ֗יף לְ/הָנִיד֙ רֶ֣גֶל יִשְׂרָאֵ֔ל מִן הָ֣/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר נָתַ֖תִּי לַֽ/אֲבוֹתָ֑/ם רַ֣ק אִם יִשְׁמְר֣וּ לַ/עֲשׂ֗וֹת כְּ/כֹל֙ אֲשֶׁ֣ר צִוִּיתִ֔י/ם וּ/לְ/כָל הַ֨/תּוֹרָ֔ה אֲשֶׁר צִוָּ֥ה אֹתָ֖/ם עַבְדִּ֥/י מֹשֶֽׁה
STATEN

En Ik zal niet voortvaren den voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb; alleenlijk, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de ganse wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft.

9
וְ/לֹ֖א שָׁמֵ֑עוּ וַ/יַּתְעֵ֤/ם מְנַשֶּׁה֙ לַ/עֲשׂ֣וֹת אֶת הָ/רָ֔ע מִן הַ֨/גּוֹיִ֔ם אֲשֶׁר֙ הִשְׁמִ֣יד יְהוָ֔ה מִ/פְּנֵ֖י בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.

10
וַ/יְדַבֵּ֧ר יְהוָ֛ה בְּ/יַד עֲבָדָ֥י/ו הַ/נְּבִיאִ֖ים לֵ/אמֹֽר
STATEN

Toen sprak de HEERE door den dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende:

11
יַעַן֩ אֲשֶׁ֨ר עָשָׂ֜ה מְנַשֶּׁ֤ה מֶֽלֶךְ יְהוּדָה֙ הַ/תֹּעֵב֣וֹת הָ/אֵ֔לֶּה הֵרַ֕ע מִ/כֹּ֛ל אֲשֶׁר עָשׂ֥וּ הָ/אֱמֹרִ֖י אֲשֶׁ֣ר לְ/פָנָ֑י/ו וַ/יַּחֲטִ֥א גַֽם אֶת יְהוּדָ֖ה בְּ/גִלּוּלָֽי/ו
STATEN

Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;

12
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הִנְ/נִי֙ מֵבִ֣יא רָעָ֔ה עַל יְרוּשָׁלִַ֖ם וִֽ/יהוּדָ֑ה אֲשֶׁר֙ כָּל שמעי/ו תִּצַּ֖לְנָה שְׁתֵּ֥י אָזְנָֽי/ו שֹׁ֣מְעָ֔/הּ
STATEN

Daarom, alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen.

13
וְ/נָטִ֣יתִי עַל יְרוּשָׁלִַ֗ם אֵ֚ת קָ֣ו שֹֽׁמְר֔וֹן וְ/אֶת מִשְׁקֹ֖לֶת בֵּ֣ית אַחְאָ֑ב וּ/מָחִ֨יתִי אֶת יְרוּשָׁלִַ֜ם כַּֽ/אֲשֶׁר יִמְחֶ֤ה אֶת הַ/צַּלַּ֨חַת֙ מָחָ֔ה וְ/הָפַ֖ךְ עַל פָּנֶֽי/הָ
STATEN

En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, mitsgaders het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist dien uit, en men keert hem om op zijn holligheid.

14
וְ/נָטַשְׁתִּ֗י אֵ֚ת שְׁאֵרִ֣ית נַחֲלָתִ֔/י וּ/נְתַתִּ֖י/ם בְּ/יַ֣ד אֹֽיְבֵי/הֶ֑ם וְ/הָי֥וּ לְ/בַ֛ז וְ/לִ/מְשִׁסָּ֖ה לְ/כָל אֹיְבֵי/הֶֽם
STATEN

En Ik zal het overblijfsel Mijns erfdeels verlaten, en zal ze in de hand hunner vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden.

15
יַ֗עַן אֲשֶׁ֨ר עָשׂ֤וּ אֶת הָ/רַע֙ בְּ/עֵינַ֔/י וַ/יִּהְי֥וּ מַכְעִסִ֖ים אֹתִ֑/י מִן הַ/יּ֗וֹם אֲשֶׁ֨ר יָצְא֤וּ אֲבוֹתָ/ם֙ מִ/מִּצְרַ֔יִם וְ/עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה
STATEN

Daarom, dat zij gedaan hebben dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van dien dag, dat hun vaderen van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op dezen dag toe.

16
וְ/גַם֩ דָּ֨ם נָקִ֜י שָׁפַ֤ךְ מְנַשֶּׁה֙ הַרְבֵּ֣ה מְאֹ֔ד עַ֛ד אֲשֶׁר מִלֵּ֥א אֶת יְרוּשָׁלִַ֖ם פֶּ֣ה לָ/פֶ֑ה לְ/בַ֤ד מֵֽ/חַטָּאת/וֹ֙ אֲשֶׁ֣ר הֶחֱטִ֣יא אֶת יְהוּדָ֔ה לַ/עֲשׂ֥וֹת הָ/רַ֖ע בְּ/עֵינֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN.

17
וְ/יֶ֨תֶר דִּבְרֵ֤י מְנַשֶּׁה֙ וְ/כָל אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֔ה וְ/חַטָּאת֖/וֹ אֲשֶׁ֣ר חָטָ֑א הֲ/לֹא הֵ֣ם כְּתוּבִ֗ים עַל סֵ֛פֶר דִּבְרֵ֥י הַ/יָּמִ֖ים לְ/מַלְכֵ֥י יְהוּדָֽה
STATEN

Het overige der geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

18
וַ/יִּשְׁכַּ֤ב מְנַשֶּׁה֙ עִם אֲבֹתָ֔י/ו וַ/יִּקָּבֵ֥ר בְּ/גַן בֵּית֖/וֹ בְּ/גַן עֻזָּ֑א וַ/יִּמְלֹ֛ךְ אָמ֥וֹן בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

19
בֶּן עֶשְׂרִ֨ים וּ/שְׁתַּ֤יִם שָׁנָה֙ אָמ֣וֹן בְּ/מָלְכ֔/וֹ וּ/שְׁתַּ֣יִם שָׁנִ֔ים מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וְ/שֵׁ֣ם אִמּ֔/וֹ מְשֻׁלֶּ֥מֶת בַּת חָר֖וּץ מִן יָטְבָֽה
STATEN

Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullémet, een dochter van Haruz van Jotba.

20
וַ/יַּ֥עַשׂ הָ/רַ֖ע בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה כַּ/אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה מְנַשֶּׁ֥ה אָבִֽי/ו
STATEN

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had.

21
וַ/יֵּ֕לֶךְ בְּ/כָל הַ/דֶּ֖רֶךְ אֲשֶׁר הָלַ֣ךְ אָבִ֑י/ו וַֽ/יַּעֲבֹ֗ד אֶת הַ/גִּלֻּלִים֙ אֲשֶׁ֣ר עָבַ֣ד אָבִ֔י/ו וַ/יִּשְׁתַּ֖חוּ לָ/הֶֽם
STATEN

Want hij wandelde in al den weg, dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder.

22
וַ/יַּעֲזֹ֕ב אֶת יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י אֲבֹתָ֑י/ו וְ/לֹ֥א הָלַ֖ךְ בְּ/דֶ֥רֶךְ יְהוָֽה
STATEN

Zo verliet hij den HEERE, den God zijner vaderen, en hij wandelde niet in den weg des HEEREN.

23
וַ/יִּקְשְׁר֥וּ עַבְדֵֽי אָמ֖וֹן עָלָ֑י/ו וַ/יָּמִ֥יתוּ אֶת הַ/מֶּ֖לֶךְ בְּ/בֵיתֽ/וֹ
STATEN

En de knechten van Amon maakten een verbintenis tegen hem, en zij doodden den koning in zijn huis.

24
וַ/יַּךְ֙ עַם הָ/אָ֔רֶץ אֵ֥ת כָּל הַ/קֹּשְׁרִ֖ים עַל הַ/מֶּ֣לֶךְ אָמ֑וֹן וַ/יַּמְלִ֧יכוּ עַם הָ/אָ֛רֶץ אֶת יֹאשִׁיָּ֥הוּ בְנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.

25
וְ/יֶ֛תֶר דִּבְרֵ֥י אָמ֖וֹן אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֑ה הֲ/לֹא הֵ֣ם כְּתוּבִ֗ים עַל סֵ֛פֶר דִּבְרֵ֥י הַ/יָּמִ֖ים לְ/מַלְכֵ֥י יְהוּדָֽה
STATEN

Het overige nu der geschiedenissen van Amon, die hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

26
וַ/יִּקְבְֹּ֥ר אֹת֛/וֹ בִּ/קְבֻרָת֖/וֹ בְּ/גַן עֻזָּ֑א וַ/יִּמְלֹ֛ךְ יֹאשִׁיָּ֥הוּ בְנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josía werd koning in zijn plaats.