NEVIIM

2 Koningen 7

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלִישָׁ֔ע שִׁמְע֖וּ דְּבַר יְהוָ֑ה כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה כָּ/עֵ֤ת מָחָר֙ סְאָֽה סֹ֣לֶת בְּ/שֶׁ֗קֶל וְ/סָאתַ֧יִם שְׂעֹרִ֛ים בְּ/שֶׁ֖קֶל בְּ/שַׁ֥עַר שֹׁמְרֽוֹן
STATEN

Toen zeide Elísa: Hoort het woord des HEEREN; zo zegt de HEERE: Morgen omtrent dezen tijd zal een maat meelbloem verkocht worden voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria.

2
וַ/יַּ֣עַן הַ/שָּׁלִ֡ישׁ אֲשֶׁר לַ/מֶּלֶךְ֩ נִשְׁעָ֨ן עַל יָד֜/וֹ אֶת אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִים֮ וַ/יֹּאמַר֒ הִנֵּ֣ה יְהוָ֗ה עֹשֶׂ֤ה אֲרֻבּוֹת֙ בַּ/שָּׁמַ֔יִם הֲ/יִהְיֶ֖ה הַ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֑ה וַ/יֹּ֗אמֶר הִנְּ/כָ֤ה רֹאֶה֙ בְּ/עֵינֶ֔י/ךָ וּ/מִ/שָּׁ֖ם לֹ֥א תֹאכֵֽל
STATEN

Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde den man Gods, en zeide: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou die zaak kunnen geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.

3
וְ/אַרְבָּעָ֧ה אֲנָשִׁ֛ים הָי֥וּ מְצֹרָעִ֖ים פֶּ֣תַח הַ/שָּׁ֑עַר וַ/יֹּֽאמְרוּ֙ אִ֣ישׁ אֶל רֵעֵ֔/הוּ מָ֗ה אֲנַ֛חְנוּ יֹשְׁבִ֥ים פֹּ֖ה עַד מָֽתְנוּ
STATEN

Er waren nu vier melaatse mannen voor de deur der poort; die zeiden, de een tot den ander: Wat blijven wij hier, totdat wij sterven?

4
אִם אָמַרְנוּ֩ נָב֨וֹא הָ/עִ֜יר וְ/הָ/רָעָ֤ב בָּ/עִיר֙ וָ/מַ֣תְנוּ שָׁ֔ם וְ/אִם יָשַׁ֥בְנוּ פֹ֖ה וָ/מָ֑תְנוּ וְ/עַתָּ֗ה לְכוּ֙ וְ/נִפְּלָה֙ אֶל מַחֲנֵ֣ה אֲרָ֔ם אִם יְחַיֻּ֣/נוּ נִֽחְיֶ֔ה וְ/אִם יְמִיתֻ֖/נוּ וָ/מָֽתְנוּ
STATEN

Indien wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.

5
וַ/יָּק֣וּמוּ בַ/נֶּ֔שֶׁף לָ/ב֖וֹא אֶל מַחֲנֵ֣ה אֲרָ֑ם וַ/יָּבֹ֗אוּ עַד קְצֵה֙ מַחֲנֵ֣ה אֲרָ֔ם וְ/הִנֵּ֥ה אֵֽין שָׁ֖ם אִֽישׁ
STATEN

En zij stonden op in de schemering, om in het leger der Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger der Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand.

6
וַ/אדֹנָ֞/י הִשְׁמִ֣יעַ אֶת מַחֲנֵ֣ה אֲרָ֗ם ק֥וֹל רֶ֨כֶב֙ ק֣וֹל ס֔וּס ק֖וֹל חַ֣יִל גָּד֑וֹל וַ/יֹּאמְר֞וּ אִ֣ישׁ אֶל אָחִ֗י/ו הִנֵּ֣ה שָֽׂכַר עָלֵי/נוּ֩ מֶ֨לֶךְ יִשְׂרָאֵ֜ל אֶת מַלְכֵ֧י הַ/חִתִּ֛ים וְ/אֶת מַלְכֵ֥י מִצְרַ֖יִם לָ/ב֥וֹא עָלֵֽי/נוּ
STATEN

Want de Heere had het heir der Syriërs doen horen een geluid van wagenen, en een geluid van paarden, het geluid ener grote heirkracht; zodat zij zeiden de een tot den ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten, en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons te komen.

7
וַ/יָּקוּמוּ֮ וַ/יָּנ֣וּסוּ בַ/נֶּשֶׁף֒ וַ/יַּעַזְב֣וּ אֶת אָהֳלֵי/הֶ֗ם וְ/אֶת סֽוּסֵי/הֶם֙ וְ/אֶת חֲמֹ֣רֵי/הֶ֔ם הַֽ/מַּחֲנֶ֖ה כַּ/אֲשֶׁר הִ֑יא וַ/יָּנֻ֖סוּ אֶל נַפְשָֽׁ/ם
STATEN

Derhalve hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevloden, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevloden om huns levens wil.

8
וַ/יָּבֹאוּ֩ הַֽ/מְצֹרָעִ֨ים הָ/אֵ֜לֶּה עַד קְצֵ֣ה הַֽ/מַּחֲנֶ֗ה וַ/יָּבֹ֜אוּ אֶל אֹ֤הֶל אֶחָד֙ וַ/יֹּאכְל֣וּ וַ/יִּשְׁתּ֔וּ וַ/יִּשְׂא֣וּ מִ/שָּׁ֗ם כֶּ֤סֶף וְ/זָהָב֙ וּ/בְגָדִ֔ים וַ/יֵּלְכ֖וּ וַ/יַּטְמִ֑נוּ וַ/יָּשֻׁ֗בוּ וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ אֶל אֹ֣הֶל אַחֵ֔ר וַ/יִּשְׂא֣וּ מִ/שָּׁ֔ם וַ/יֵּלְכ֖וּ וַ/יַּטְמִֽנוּ
STATEN

Als nu deze melaatsen aan het uiterste des legers kwamen, zo gingen zij in een tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en klederen, en gingen henen, en verborgen het; daarna keerden zij weder, en kwamen in een andere tent, namen van daar ook, en gingen henen, en verborgen het.

9
וַ/יֹּאמְרוּ֩ אִ֨ישׁ אֶל רֵעֵ֜/הוּ לֹֽא כֵ֣ן אֲנַ֣חְנוּ עֹשִׂ֗ים הַ/יּ֤וֹם הַ/זֶּה֙ יוֹם בְּשֹׂרָ֣ה ה֔וּא וַ/אֲנַ֣חְנוּ מַחְשִׁ֗ים וְ/חִכִּ֛ינוּ עַד א֥וֹר הַ/בֹּ֖קֶר וּ/מְצָאָ֣/נוּ עָו֑וֹן וְ/עַתָּה֙ לְכ֣וּ וְ/נָבֹ֔אָה וְ/נַגִּ֖ידָה בֵּ֥ית הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

Toen zeiden zij, de een tot den ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Indien wij vertoeven tot den lichten morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis des konings boodschappen.

10
וַ/יָּבֹ֗אוּ וַֽ/יִּקְרְאוּ֮ אֶל שֹׁעֵ֣ר הָ/עִיר֒ וַ/יַּגִּ֤ידוּ לָ/הֶם֙ לֵ/אמֹ֔ר בָּ֚אנוּ אֶל מַחֲנֵ֣ה אֲרָ֔ם וְ/הִנֵּ֥ה אֵֽין שָׁ֛ם אִ֖ישׁ וְ/ק֣וֹל אָדָ֑ם כִּ֣י אִם הַ/סּ֤וּס אָסוּר֙ וְ/הַ/חֲמ֣וֹר אָס֔וּר וְ/אֹהָלִ֖ים כַּ/אֲשֶׁר הֵֽמָּה
STATEN

Zo kwamen zij, en riepen tot den poortier der stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger der Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren.

11
וַ/יִּקְרָ֖א הַ/שֹּֽׁעֲרִ֑ים וַ/יַּגִּ֕ידוּ בֵּ֥ית הַ/מֶּ֖לֶךְ פְּנִֽימָה
STATEN

En hij riep de poortiers; en zij deden de boodschap binnen in het huis des konings.

12
וַ/יָּ֨קָם הַ/מֶּ֜לֶךְ לַ֗יְלָה וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אֶל עֲבָדָ֔י/ו אַגִּֽידָה נָּ֣א לָ/כֶ֔ם אֵ֛ת אֲשֶׁר עָ֥שׂוּ לָ֖/נוּ אֲרָ֑ם יָדְע֞וּ כִּי רְעֵבִ֣ים אֲנַ֗חְנוּ וַ/יֵּצְא֤וּ מִן הַֽ/מַּחֲנֶה֙ לְ/הֵחָבֵ֤ה ב/ה/שדה לֵ/אמֹ֔ר כִּֽי יֵצְא֤וּ מִן הָ/עִיר֙ וְ/נִתְפְּשֵׂ֣/ם חַיִּ֔ים וְ/אֶל הָ/עִ֖יר נָבֹֽא בַ/שָּׂדֶה֙
STATEN

En de koning stond op in den nacht, en zeide tot zijn knechten: Ik zal u nu te kennen geven, wat de Syriërs ons gedaan hebben; zij weten, dat wij hongerig zijn; daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen.

13
וַ/יַּעַן֩ אֶחָ֨ד מֵ/עֲבָדָ֜י/ו וַ/יֹּ֗אמֶר וְ/יִקְחוּ נָ֞א חֲמִשָּׁ֣ה מִן הַ/סּוּסִים֮ הַֽ/נִּשְׁאָרִים֮ אֲשֶׁ֣ר נִשְׁאֲרוּ בָ/הּ֒ הִנָּ֗/ם כְּ/כָל ה/המון יִשְׂרָאֵל֙ אֲשֶׁ֣ר נִשְׁאֲרוּ בָ֔/הּ הִנָּ֕/ם כְּ/כָל הֲמ֥וֹן יִשְׂרָאֵ֖ל אֲשֶׁר תָּ֑מּוּ וְ/נִשְׁלְחָ֖ה וְ/נִרְאֶֽה הֲמ֤וֹן
STATEN

Toen antwoordde een van zijn knechten, en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij zijn als de gehele menigte der Israëlieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de gehele menigte der Israëlieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien.

14
וַ/יִּקְח֕וּ שְׁנֵ֖י רֶ֣כֶב סוּסִ֑ים וַ/יִּשְׁלַ֨ח הַ/מֶּ֜לֶךְ אַחֲרֵ֧י מַחֲנֵֽה אֲרָ֛ם לֵ/אמֹ֖ר לְכ֥וּ וּ/רְאֽוּ
STATEN

Zij namen dan twee wagenpaarden. En de koning zond het leger der Syriërs achterna, zeggende: Gaat henen, en ziet.

15
וַ/יֵּלְכ֣וּ אַחֲרֵי/הֶם֮ עַד הַ/יַּרְדֵּן֒ וְ/הִנֵּ֣ה כָל הַ/דֶּ֗רֶךְ מְלֵאָ֤ה בְגָדִים֙ וְ/כֵלִ֔ים אֲשֶׁר הִשְׁלִ֥יכוּ אֲרָ֖ם ב/החפז/ם וַ/יָּשֻׁ֨בוּ֙ הַ/מַּלְאָכִ֔ים וַ/יַּגִּ֖דוּ לַ/מֶּֽלֶךְ בְּ/חָפְזָ֑/ם
STATEN

En zij volgden hen na tot de Jordaan toe; en ziet, de ganse weg was vol van klederen en gereedschap, die de Syriërs in hun verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weder, en boodschapten het den koning.

16
וַ/יֵּצֵ֣א הָ/עָ֔ם וַ/יָּבֹ֕זּוּ אֵ֖ת מַחֲנֵ֣ה אֲרָ֑ם וַ/יְהִ֨י סְאָה סֹ֜לֶת בְּ/שֶׁ֗קֶל וְ/סָאתַ֧יִם שְׂעֹרִ֛ים בְּ/שֶׁ֖קֶל כִּ/דְבַ֥ר יְהוָֽה
STATEN

Toen ging het volk uit, en beroofde het leger der Syriërs; en een maat meelbloem werd verkocht voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, naar het woord des HEEREN.

17
וְ/הַ/מֶּלֶךְ֩ הִפְקִ֨יד אֶת הַ/שָּׁלִ֜ישׁ אֲשֶׁר נִשְׁעָ֤ן עַל יָד/וֹ֙ עַל הַ/שַּׁ֔עַר וַ/יִּרְמְסֻ֧/הוּ הָ/עָ֛ם בַּ/שַּׁ֖עַר וַ/יָּמֹ֑ת כַּ/אֲשֶׁ֤ר דִּבֶּר֙ אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֔ים אֲשֶׁ֣ר דִּבֶּ֔ר בְּ/רֶ֥דֶת הַ/מֶּ֖לֶךְ אֵלָֽי/ו
STATEN

De koning nu had den hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, gelijk de man Gods gesproken had, die het sprak, als de koning tot hem afgekomen was.

18
וַ/יְהִ֗י כְּ/דַבֵּר֙ אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֔ים אֶל הַ/מֶּ֖לֶךְ לֵ/אמֹ֑ר סָאתַ֨יִם שְׂעֹרִ֜ים בְּ/שֶׁ֗קֶל וּֽ/סְאָה סֹ֨לֶת֙ בְּ/שֶׁ֔קֶל יִהְיֶה֙ כָּ/עֵ֣ת מָחָ֔ר בְּ/שַׁ֖עַר שֹׁמְרֽוֹן
STATEN

Want het was geschied, gelijk de man Gods gesproken had tot den koning, zeggende: Morgen omtrent dezen tijd zullen twee maten gerst voor een sikkel, en een maat meelbloem voor een sikkel verkocht worden, in de poort van Samaria.

19
וַ/יַּ֨עַן הַ/שָּׁלִ֜ישׁ אֶת אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִים֮ וַ/יֹּאמַר֒ וְ/הִנֵּ֣ה יְהוָ֗ה עֹשֶׂ֤ה אֲרֻבּוֹת֙ בַּ/שָּׁמַ֔יִם הֲ/יִהְיֶ֖ה כַּ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֑ה וַ/יֹּ֗אמֶר הִנְּ/ךָ֤ רֹאֶה֙ בְּ/עֵינֶ֔י/ךָ וּ/מִ/שָּׁ֖ם לֹ֥א תֹאכֵֽל
STATEN

En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou het ook naar dit woord geschieden kunnen? En hij had gezegd: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.

20
וַ/יְהִי ל֖/וֹ כֵּ֑ן וַ/יִּרְמְס֨וּ אֹת֥/וֹ הָ/עָ֛ם בַּ/שַּׁ֖עַר וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Even alzo geschiedde hem, want het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf.