Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 3

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וִ/יהוֹרָ֣ם בֶּן אַחְאָ֗ב מָלַ֤ךְ עַל יִשְׂרָאֵל֙ בְּ/שֹׁ֣מְר֔וֹן בִּ/שְׁנַת֙ שְׁמֹנֶ֣ה עֶשְׂרֵ֔ה לִ/יהוֹשָׁפָ֖ט מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה וַ/יִּמְלֹ֖ךְ שְׁתֵּים עֶשְׂרֵ֥ה שָׁנָֽה־־־׃
STATEN

Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.

2
וַ/יַּעֲשֶׂ֤ה הָ/רַע֙ בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֔ה רַ֕ק לֹ֥א כְ/אָבִ֖י/ו וּ/כְ/אִמּ֑/וֹ וַ/יָּ֨סַר֙ אֶת מַצְּבַ֣ת הַ/בַּ֔עַל אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה אָבִֽי/ו־׃
STATEN

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, doch niet gelijk zijn vader en gelijk zijn moeder; want hij deed dat opgerichte beeld van Baäl weg, hetwelk zijn vader gemaakt had.

3
רַ֠ק בְּ/חַטֹּ֞אות יָרָבְעָ֧ם בֶּֽן נְבָ֛ט אֲשֶׁר הֶחֱטִ֥יא אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל דָּבֵ֑ק לֹא סָ֖ר מִמֶּֽ/נָּה־־־־׃ס
STATEN

Evenwel hing hij de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af.

4
וּ/מֵישַׁ֥ע מֶֽלֶךְ מוֹאָ֖ב הָיָ֣ה נֹקֵ֑ד וְ/הֵשִׁ֤יב לְ/מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל֙ מֵאָה אֶ֣לֶף כָּרִ֔ים וּ/מֵ֥אָה אֶ֖לֶף אֵילִ֥ים צָֽמֶר־־־׃
STATEN

Mesa nu, de koning der Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan den koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol.

5
וַ/יְהִ֖י כְּ/מ֣וֹת אַחְאָ֑ב וַ/יִּפְשַׁ֥ע מֶֽלֶךְ מוֹאָ֖ב בְּ/מֶ֥לֶךְ יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israël afviel.

6
וַ/יֵּצֵ֞א הַ/מֶּ֧לֶךְ יְהוֹרָ֛ם בַּ/יּ֥וֹם הַ/ה֖וּא מִ/שֹּׁמְר֑וֹן וַ/יִּפְקֹ֖ד אֶת כָּל יִשְׂרָאֵֽל־־׃
STATEN

Zo toog de koning Joram ter zelfder tijd uit Samaria, en monsterde gans Israël.

7
וַ/יֵּ֡לֶךְ וַ/יִּשְׁלַח֩ אֶל יְהוֹשָׁפָ֨ט מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֜ה לֵ/אמֹ֗ר מֶ֤לֶךְ מוֹאָב֙ פָּשַׁ֣ע בִּ֔/י הֲ/תֵלֵ֥ךְ אִתִּ֛/י אֶל מוֹאָ֖ב לַ/מִּלְחָמָ֑ה וַ/יֹּ֣אמֶר אֶעֱלֶ֔ה כָּמ֧וֹ/נִי כָמ֛וֹ/ךָ כְּ/עַמִּ֥/י כְ/עַמֶּ֖/ךָ כְּ/סוּסַ֥/י כְּ/סוּסֶֽי/ךָ־־־׃
STATEN

En hij ging heen, en zond tot Jósafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

8
וַ/יֹּ֕אמֶר אֵי זֶ֥ה הַ/דֶּ֖רֶךְ נַעֲלֶ֑ה וַ/יֹּ֕אמֶר דֶּ֖רֶךְ מִדְבַּ֥ר אֱדֽוֹם־׃
STATEN

En hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide: Door den weg der woestijn van Edom.

9
וַ/יֵּלֶךְ֩ מֶ֨לֶךְ יִשְׂרָאֵ֤ל וּ/מֶֽלֶך יְהוּדָה֙ וּ/מֶ֣לֶךְ אֱד֔וֹם וַ/יָּסֹ֕בּוּ דֶּ֖רֶךְ שִׁבְעַ֣ת יָמִ֑ים וְ/לֹא הָיָ֨ה מַ֧יִם לַֽ/מַּחֲנֶ֛ה וְ/לַ/בְּהֵמָ֖ה אֲשֶׁ֥ר בְּ/רַגְלֵי/הֶֽם־־׃
STATEN

Alzo toog de koning van Israël heen, en de koning van Juda, en de koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zo had het leger en het vee, dat hen navolgde, geen water.

10
וַ/יֹּ֖אמֶר מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֑ל אֲהָ֕הּ כִּֽי קָרָ֣א יְהוָ֗ה לִ/שְׁלֹ֨שֶׁת֙ הַ/מְּלָכִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה לָ/תֵ֥ת אוֹתָ֖/ם בְּ/יַד מוֹאָֽב־־׃
STATEN

Toen zeide de koning van Israël: Ach, dat de HEERE deze drie koningen geroepen heeft, om die in der Moabieten hand te geven!

11
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוֹשָׁפָ֗ט הַ/אֵ֨ין פֹּ֤ה נָבִיא֙ לַֽ/יהוָ֔ה וְ/נִדְרְשָׁ֥ה אֶת יְהוָ֖ה מֵ/אוֹת֑/וֹ וַ֠/יַּעַן אֶחָ֞ד מֵ/עַבְדֵ֤י מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל֙ וַ/יֹּ֔אמֶר פֹּ֚ה אֱלִישָׁ֣ע בֶּן שָׁפָ֔ט אֲשֶׁר יָ֥צַק מַ֖יִם עַל יְדֵ֥י אֵלִיָּֽהוּ־־־־־׃
STATEN

En Jósafat zeide: Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van Israël, en zeide: Hier is Elísa, de zoon van Safat, die water op Elía's handen goot.

12
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ יְה֣וֹשָׁפָ֔ט יֵ֥שׁ אוֹת֖/וֹ דְּבַר יְהוָ֑ה וַ/יֵּרְד֣וּ אֵלָ֗י/ו מֶ֧לֶךְ יִשְׂרָאֵ֛ל וִ/יהוֹשָׁפָ֖ט וּ/מֶ֥לֶךְ אֱדֽוֹם־׃
STATEN

En Jósafat zeide: Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af de koning van Israël, en Jósafat, en de koning van Edom.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 3

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 3 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →