Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 16

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בִּ/שְׁנַת֙ שְׁבַֽע עֶשְׂרֵ֣ה שָׁנָ֔ה לְ/פֶ֖קַח בֶּן רְמַלְיָ֑הוּ מָלַ֛ךְ אָחָ֥ז בֶּן יוֹתָ֖ם מֶ֥לֶךְ יְהוּדָֽה־־־׃
STATEN

In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Remália, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, den koning van Juda.

2
בֶּן עֶשְׂרִ֤ים שָׁנָה֙ אָחָ֣ז בְּ/מָלְכ֔/וֹ וְ/שֵׁשׁ עֶשְׂרֵ֣ה שָׁנָ֔ה מָלַ֖ךְ בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם וְ/לֹא עָשָׂ֣ה הַ/יָּשָׁ֗ר בְּ/עֵינֵ֛י יְהוָ֥ה אֱלֹהָ֖י/ו כְּ/דָוִ֥ד אָבִֽי/ו־־־׃
STATEN

Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN zijns Gods, als zijn vader David.

3
וַ/יֵּ֕לֶךְ בְּ/דֶ֖רֶךְ מַלְכֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/גַ֤ם אֶת בְּנ/וֹ֙ הֶעֱבִ֣יר בָּ/אֵ֔שׁ כְּ/תֹֽעֲבוֹת֙ הַ/גּוֹיִ֔ם אֲשֶׁ֨ר הוֹרִ֤ישׁ יְהוָה֙ אֹתָ֔/ם מִ/פְּנֵ֖י בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Want hij wandelde in den weg der koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor de kinderen Israëls verdreven had.

4
וַ/יְזַבֵּ֧חַ וַ/יְקַטֵּ֛ר בַּ/בָּמ֖וֹת וְ/עַל הַ/גְּבָע֑וֹת וְ/תַ֖חַת כָּל עֵ֥ץ רַעֲנָֽן־־׃
STATEN

Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte.

5
אָ֣ז יַעֲלֶ֣ה רְצִ֣ין מֶֽלֶךְ אֲ֠רָם וּ/פֶ֨קַח בֶּן רְמַלְיָ֧הוּ מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵ֛ל יְרוּשָׁלִַ֖ם לַ/מִּלְחָמָ֑ה וַ/יָּצֻ֨רוּ֙ עַל אָחָ֔ז וְ/לֹ֥א יָכְל֖וּ לְ/הִלָּחֵֽם־־־־׃
STATEN

Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden.

6
בָּ/עֵ֣ת הַ/הִ֗יא הֵ֠שִׁיב רְצִ֨ין מֶֽלֶךְ אֲרָ֤ם אֶת אֵילַת֙ לַֽ/אֲרָ֔ם וַ/יְנַשֵּׁ֥ל אֶת הַ/יְהוּדִ֖ים מֵֽ/אֵיל֑וֹת ו/ארמים בָּ֣אוּ אֵילַ֔ת וַ/יֵּ֣שְׁבוּ שָׁ֔ם עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־׃פ וַֽ/אֲדוֹמִים֙
STATEN

Te dierzelfder tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath weder aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag.

7
וַ/יִּשְׁלַ֨ח אָחָ֜ז מַלְאָכִ֗ים אֶל תִּ֠גְלַת פְּלֶ֤סֶר מֶֽלֶךְ אַשּׁוּר֙ לֵ/אמֹ֔ר עַבְדְּ/ךָ֥ וּ/בִנְ/ךָ֖ אָ֑נִי עֲלֵ֨ה וְ/הוֹשִׁעֵ֜/נִי מִ/כַּ֣ף מֶֽלֶךְ אֲרָ֗ם וּ/מִ/כַּף֙ מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֔ל הַ/קּוֹמִ֖ים עָלָֽ/י־־־׃
STATEN

Achaz nu zond boden tot Tiglath-Pilézer, den koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van den koning van Syrië, en uit de hand van den koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.

8
וַ/יִּקַּ֨ח אָחָ֜ז אֶת הַ/כֶּ֣סֶף וְ/אֶת הַ/זָּהָ֗ב הַ/נִּמְצָא֙ בֵּ֣ית יְהוָ֔ה וּ/בְ/אֹֽצְר֖וֹת בֵּ֣ית הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יִּשְׁלַ֥ח לְ/מֶֽלֶךְ אַשּׁ֖וּר שֹֽׁחַד־־־׃
STATEN

En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings gevonden werd, en hij zond den koning van Assyrië een geschenk.

9
וַ/יִּשְׁמַ֤ע אֵלָי/ו֙ מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר וַ/יַּעַל֩ מֶ֨לֶךְ אַשּׁ֤וּר אֶל דַּמֶּ֨שֶׂק֙ וַֽ/יִּתְפְּשֶׂ֔/הָ וַ/יַּגְלֶ֖/הָ קִ֑ירָ/ה וְ/אֶת רְצִ֖ין הֵמִֽית־־׃
STATEN

Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damaskus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.

10
וַ/יֵּ֣לֶךְ הַ/מֶּ֣לֶךְ אָחָ֡ז לִ֠/קְרַאת תִּגְלַ֨ת פִּלְאֶ֤סֶר מֶֽלֶךְ אַשּׁוּר֙ דּוּמֶּ֔שֶׂק וַ/יַּ֥רְא אֶת הַ/מִּזְבֵּ֖חַ אֲשֶׁ֣ר בְּ/דַמָּ֑שֶׂק וַ/יִּשְׁלַח֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ אָחָ֜ז אֶל אוּרִיָּ֣ה הַ/כֹּהֵ֗ן אֶת דְּמ֧וּת הַ/מִּזְבֵּ֛חַ וְ/אֶת תַּבְנִית֖/וֹ לְ/כָֽל מַעֲשֵֽׂ/הוּ־־־־־־׃
STATEN

Toen toog de koning Achaz Tiglath-Pilézer, den koning van Assyrië, tegemoet, naar Damaskus; en gezien hebbende een altaar, dat te Damaskus was, zo zond de koning Achaz aan den priester Uría de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn ganse maaksel.

11
וַ/יִּ֛בֶן אוּרִיָּ֥ה הַ/כֹּהֵ֖ן אֶת הַ/מִּזְבֵּ֑חַ כְּ/כֹ֣ל אֲשֶׁר שָׁלַח֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ אָחָ֜ז מִ/דַּמֶּ֗שֶׂק כֵּ֤ן עָשָׂה֙ אוּרִיָּ֣ה הַ/כֹּהֵ֔ן עַד בּ֥וֹא הַ/מֶּֽלֶךְ אָחָ֖ז מִ/דַּמָּֽשֶׂק־־־־׃
STATEN

En Uría, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning Achaz van Damaskus ontboden had; alzo deed de priester Uría, tegen dat de koning Achaz van Damaskus kwam.

12
וַ/יָּבֹ֤א הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ מִ/דַּמֶּ֔שֶׂק וַ/יַּ֥רְא הַ/מֶּ֖לֶךְ אֶת הַ/מִּזְבֵּ֑חַ וַ/יִּקְרַ֥ב הַ/מֶּ֛לֶךְ עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ וַ/יַּ֥עַל עָלָֽי/ו־־׃
STATEN

Als nu de koning van Damaskus gekomen was, zag de koning het altaar; en de koning naderde tot het altaar, en offerde daarop.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 16

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 16 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →