Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 23

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּשְׁלַ֖ח הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יַּאַסְפ֣וּ אֵלָ֔י/ו כָּל זִקְנֵ֥י יְהוּדָ֖ה וִ/ירוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN

Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van Juda en Jeruzalem.

2
וַ/יַּ֣עַל הַ/מֶּ֣לֶךְ בֵּית יְהוָ֡ה וְ/כָל אִ֣ישׁ יְהוּדָה֩ וְ/כָל יֹשְׁבֵ֨י יְרוּשָׁלִַ֜ם אִתּ֗/וֹ וְ/הַ/כֹּֽהֲנִים֙ וְ/הַ/נְּבִיאִ֔ים וְ/כָל הָ/עָ֖ם לְ/מִ/קָּטֹ֣ן וְ/עַד גָּד֑וֹל וַ/יִּקְרָ֣א בְ/אָזְנֵי/הֶ֗ם אֶת כָּל דִּבְרֵי֙ סֵ֣פֶר הַ/בְּרִ֔ית הַ/נִּמְצָ֖א בְּ/בֵ֥ית יְהוָֽה־־־־־־־׃
STATEN

En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.

3
וַ/יַּעֲמֹ֣ד הַ֠/מֶּלֶךְ עַֽל הָ֨/עַמּ֜וּד וַ/יִּכְרֹ֥ת אֶֽת הַ/בְּרִ֣ית לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֗ה לָ/לֶ֜כֶת אַחַ֤ר יְהוָה֙ וְ/לִ/שְׁמֹ֨ר מִצְוֺתָ֜י/ו וְ/אֶת עֵדְוֺתָ֤י/ו וְ/אֶת חֻקֹּתָי/ו֙ בְּ/כָל לֵ֣ב וּ/בְ/כָל נֶ֔פֶשׁ לְ/הָקִ֗ים אֶת דִּבְרֵי֙ הַ/בְּרִ֣ית הַ/זֹּ֔את הַ/כְּתֻבִ֖ים עַל הַ/סֵּ֣פֶר הַ/זֶּ֑ה וַ/יַּעֲמֹ֥ד כָּל הָ/עָ֖ם בַּ/בְּרִֽית־־׀־־־־־־־׃
STATEN

De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond.

4
וַ/יְצַ֣ו הַ/מֶּ֡לֶךְ אֶת חִלְקִיָּהוּ֩ הַ/כֹּהֵ֨ן הַ/גָּד֜וֹל וְ/אֶת כֹּהֲנֵ֣י הַ/מִּשְׁנֶה֮ וְ/אֶת שֹׁמְרֵ֣י הַ/סַּף֒ לְ/הוֹצִיא֙ מֵ/הֵיכַ֣ל יְהוָ֔ה אֵ֣ת כָּל הַ/כֵּלִ֗ים הָֽ/עֲשׂוּיִם֙ לַ/בַּ֣עַל וְ/לָֽ/אֲשֵׁרָ֔ה וּ/לְ/כֹ֖ל צְבָ֣א הַ/שָּׁמָ֑יִם וַֽ/יִּשְׂרְפֵ֞/ם מִ/ח֤וּץ לִ/ירוּשָׁלִַ֨ם֙ בְּ/שַׁדְמ֣וֹת קִדְר֔וֹן וְ/נָשָׂ֥א אֶת עֲפָרָ֖/ם בֵּֽית אֵֽל־־־־־־׃
STATEN

En de koning gebood den hogepriester Hilkía, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-El dragen.

5
וְ/הִשְׁבִּ֣ית אֶת הַ/כְּמָרִ֗ים אֲשֶׁ֤ר נָֽתְנוּ֙ מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֔ה וַ/יְקַטֵּ֤ר בַּ/בָּמוֹת֙ בְּ/עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וּ/מְסִבֵּ֖י יְרוּשָׁלִָ֑ם וְ/אֶת הַֽ/מְקַטְּרִ֣ים לַ/בַּ֗עַל לַ/שֶּׁ֤מֶשׁ וְ/לַ/יָּרֵ֨חַ֙ וְ/לַ/מַּזָּל֔וֹת וּ/לְ/כֹ֖ל צְבָ֥א הַ/שָּׁמָֽיִם־־׃
STATEN

Daartoe schafte hij de Chemárim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, mitsgaders, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het heir des hemels rookten.

6
וַ/יֹּצֵ֣א אֶת הָ/אֲשֵׁרָה֩ מִ/בֵּ֨ית יְהוָ֜ה מִ/ח֤וּץ לִ/ירוּשָׁלִַ֨ם֙ אֶל נַ֣חַל קִדְר֔וֹן וַ/יִּשְׂרֹ֥ף אֹתָ֛/הּ בְּ/נַ֥חַל קִדְר֖וֹן וַ/יָּ֣דֶק לְ/עָפָ֑ר וַ/יַּשְׁלֵךְ֙ אֶת עֲפָרָ֔/הּ עַל קֶ֖בֶר בְּנֵ֥י הָ/עָֽם־־־־׃
STATEN

Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis des HEEREN weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks.

7
וַ/יִּתֹּץ֙ אֶת בָּתֵּ֣י הַ/קְּדֵשִׁ֔ים אֲשֶׁ֖ר בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה אֲשֶׁ֣ר הַ/נָּשִׁ֗ים אֹרְג֥וֹת שָׁ֛ם בָּתִּ֖ים לָ/אֲשֵׁרָֽה־׃
STATEN

Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden.

8
וַ/יָּבֵ֤א אֶת כָּל הַ/כֹּֽהֲנִים֙ מֵ/עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וַ/יְטַמֵּ֣א אֶת הַ/בָּמ֗וֹת אֲשֶׁ֤ר קִטְּרוּ שָׁ֨מָּ/ה֙ הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים מִ/גֶּ֖בַע עַד בְּאֵ֣ר שָׁ֑בַע וְ/נָתַ֞ץ אֶת בָּמ֣וֹת הַ/שְּׁעָרִ֗ים אֲשֶׁר פֶּ֜תַח שַׁ֤עַר יְהוֹשֻׁ֨עַ֙ שַׂר הָ/עִ֔יר אֲשֶֽׁר עַל שְׂמֹ֥אול אִ֖ישׁ בְּ/שַׁ֥עַר הָ/עִֽיר־־־־־־־־־־׃
STATEN

En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-séba toe; en hij brak de hoogten der poorten af, ook die aan de deur der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.

9
אַ֗ךְ לֹ֤א יַֽעֲלוּ֙ כֹּהֲנֵ֣י הַ/בָּמ֔וֹת אֶל מִזְבַּ֥ח יְהוָ֖ה בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם כִּ֛י אִם אָכְל֥וּ מַצּ֖וֹת בְּ/ת֥וֹךְ אֲחֵי/הֶֽם־־׃
STATEN

Doch de priesters der hoogten offerden niet op het altaar des HEEREN te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broederen.

10
וְ/טִמֵּ֣א אֶת הַ/תֹּ֔פֶת אֲשֶׁ֖ר בְּ/גֵ֣י בני הִנֹּ֑ם לְ/בִלְתִּ֗י לְ/הַעֲבִ֨יר אִ֜ישׁ אֶת בְּנ֧/וֹ וְ/אֶת בִּתּ֛/וֹ בָּ/אֵ֖שׁ לַ/מֹּֽלֶךְ־־־־׃ בֶן
STATEN

Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den Molech door het vuur deed gaan.

11
וַ/יַּשְׁבֵּ֣ת אֶת הַ/סּוּסִ֗ים אֲשֶׁ֣ר נָתְנוּ֩ מַלְכֵ֨י יְהוּדָ֤ה לַ/שֶּׁ֨מֶשׁ֙ מִ/בֹּ֣א בֵית יְהוָ֔ה אֶל לִשְׁכַּת֙ נְתַן מֶ֣לֶךְ הַ/סָּרִ֔יס אֲשֶׁ֖ר בַּ/פַּרְוָרִ֑ים וְ/אֶת מַרְכְּב֥וֹת הַ/שֶּׁ֖מֶשׁ שָׂרַ֥ף בָּ/אֵֽשׁ־־־־־׃
STATEN

En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van Nathan-Mélech, den hoveling, die in Parvárim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.

12
וְ/אֶֽת הַֽ/מִּזְבְּח֡וֹת אֲשֶׁ֣ר עַל הַ/גָּג֩ עֲלִיַּ֨ת אָחָ֜ז אֲשֶׁר עָשׂ֣וּ מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֗ה וְ/אֶת הַֽ/מִּזְבְּחוֹת֙ אֲשֶׁר עָשָׂ֣ה מְנַשֶּׁ֔ה בִּ/שְׁתֵּ֛י חַצְר֥וֹת בֵּית יְהוָ֖ה נָתַ֣ץ הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יָּ֣רָץ מִ/שָּׁ֔ם וְ/הִשְׁלִ֥יךְ אֶת עֲפָרָ֖/ם אֶל נַ֥חַל קִדְרֽוֹן־־־׀־־־־־׃
STATEN

Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 23

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 23 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →