Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 11

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַֽ/עֲתַלְיָה֙ אֵ֣ם אֲחַזְיָ֔הוּ ו/ראתה כִּ֣י מֵ֣ת בְּנָ֑/הּ וַ/תָּ֨קָם֙ וַ/תְּאַבֵּ֔ד אֵ֖ת כָּל זֶ֥רַע הַ/מַּמְלָכָֽה רָאֲתָ֖ה־׃
STATEN

Toen nu Athália, de moeder van Aházia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om.

2
וַ/תִּקַּ֣ח יְהוֹשֶׁ֣בַע בַּת הַ/מֶּֽלֶךְ י֠וֹרָם אֲח֨וֹת אֲחַזְיָ֜הוּ אֶת יוֹאָ֣שׁ בֶּן אֲחַזְיָ֗ה וַ/תִּגְנֹ֤ב אֹת/וֹ֙ מִ/תּ֤וֹךְ בְּנֵֽי הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ ה/ממותתים אֹת֥/וֹ וְ/אֶת מֵינִקְתּ֖/וֹ בַּ/חֲדַ֣ר הַ/מִּטּ֑וֹת וַ/יַּסְתִּ֧רוּ אֹת֛/וֹ מִ/פְּנֵ֥י עֲתַלְיָ֖הוּ וְ/לֹ֥א הוּמָֽת־־־־־־׃ הַ/מּ֣וּמָתִ֔ים
STATEN

Maar Joséba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Aházia, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athália, dat hij niet gedood werd.

3
וַ/יְהִ֤י אִתָּ/הּ֙ בֵּ֣ית יְהוָ֔ה מִתְחַבֵּ֖א שֵׁ֣שׁ שָׁנִ֑ים וַ/עֲתַלְיָ֖ה מֹלֶ֥כֶת עַל הָ/אָֽרֶץ־׃פ
STATEN

En hij was met haar verstoken in het huis des HEEREN zes jaren; en Athália regeerde over het land.

4
וּ/בַ/שָּׁנָ֣ה הַ֠/שְּׁבִיעִית שָׁלַ֨ח יְהוֹיָדָ֜ע וַ/יִּקַּ֣ח אֶת שָׂרֵ֣י ה/מאיות לַ/כָּרִי֙ וְ/לָ֣/רָצִ֔ים וַ/יָּבֵ֥א אֹתָ֛/ם אֵלָ֖י/ו בֵּ֣ית יְהוָ֑ה וַ/יִּכְרֹת֩ לָ/הֶ֨ם בְּרִ֜ית וַ/יַּשְׁבַּ֤ע אֹתָ/ם֙ בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֔ה וַ/יַּ֥רְא אֹתָ֖/ם אֶת בֶּן הַ/מֶּֽלֶךְ׀־־־׃ הַ/מֵּא֗וֹת
STATEN

In het zevende jaar nu zond Jójada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in het huis des HEEREN; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis des HEEREN, en hij toonde hun den zoon des konings.

5
וַ/יְצַוֵּ֣/ם לֵ/אמֹ֔ר זֶ֥ה הַ/דָּבָ֖ר אֲשֶׁ֣ר תַּעֲשׂ֑וּ/ן הַ/שְּׁלִשִׁ֤ית מִ/כֶּם֙ בָּאֵ֣י הַ/שַּׁבָּ֔ת וְ/שֹׁ֣מְרֵ֔י מִשְׁמֶ֖רֶת בֵּ֥ית הַ/מֶּֽלֶךְ׃
STATEN

En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des konings;

6
וְ/הַ/שְּׁלִשִׁית֙ בְּ/שַׁ֣עַר ס֔וּר וְ/הַ/שְּׁלִשִׁ֥ית בַּ/שַּׁ֖עַר אַחַ֣ר הָ/רָצִ֑ים וּ/שְׁמַרְתֶּ֛ם אֶת מִשְׁמֶ֥רֶת הַ/בַּ֖יִת מַסָּֽח־׃
STATEN

En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult gij waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking.

7
וּ/שְׁתֵּ֤י הַ/יָּדוֹת֙ בָּ/כֶ֔ם כֹּ֖ל יֹצְאֵ֣י הַ/שַּׁבָּ֑ת וְ/שָֽׁמְר֛וּ אֶת מִשְׁמֶ֥רֶת בֵּית יְהוָ֖ה אֶל הַ/מֶּֽלֶךְ־־־׃
STATEN

En de twee delen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis des HEEREN waarnemen bij den koning.

8
וְ/הִקַּפְתֶּ֨ם עַל הַ/מֶּ֜לֶךְ סָבִ֗יב אִ֚ישׁ וְ/כֵלָ֣י/ו בְּ/יָד֔/וֹ וְ/הַ/בָּ֥א אֶל הַ/שְּׂדֵר֖וֹת יוּמָ֑ת וִ/הְי֥וּ אֶת הַ/מֶּ֖לֶךְ בְּ/צֵאת֥/וֹ וּ/בְ/בֹאֽ/וֹ־־־׃
STATEN

En gij zult den koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en zijt gij bij den koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.

9
וַֽ/יַּעֲשׂ֞וּ שָׂרֵ֣י ה/מאיות כְּ/כֹ֣ל אֲשֶׁר צִוָּה֮ יְהוֹיָדָ֣ע הַ/כֹּהֵן֒ וַ/יִּקְחוּ֙ אִ֣ישׁ אֶת אֲנָשָׁ֔י/ו בָּאֵ֣י הַ/שַּׁבָּ֔ת עִ֖ם יֹצְאֵ֣י הַ/שַּׁבָּ֑ת וַ/יָּבֹ֖אוּ אֶל יְהוֹיָדָ֥ע הַ/כֹּהֵֽן הַ/מֵּא֗וֹת־־־׃
STATEN

De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jójada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op den sabbat ingingen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; en zij kwamen tot den priester Jójada.

10
וַ/יִּתֵּ֨ן הַ/כֹּהֵ֜ן לְ/שָׂרֵ֣י ה/מאיות אֶֽת הַ/חֲנִית֙ וְ/אֶת הַ/שְּׁלָטִ֔ים אֲשֶׁ֖ר לַ/מֶּ֣לֶךְ דָּוִ֑ד אֲשֶׁ֖ר בְּ/בֵ֥ית יְהוָֽה הַ/מֵּא֗וֹת־־׃
STATEN

En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis des HEEREN geweest waren.

11
וַ/יַּעַמְד֨וּ הָ/רָצִ֜ים אִ֣ישׁ וְ/כֵלָ֣י/ו בְּ/יָד֗/וֹ מִ/כֶּ֨תֶף הַ/בַּ֤יִת הַ/יְמָנִית֙ עַד כֶּ֤תֶף הַ/בַּ֨יִת֙ הַ/שְּׂמָאלִ֔ית לַ/מִּזְבֵּ֖חַ וְ/לַ/בָּ֑יִת עַל הַ/מֶּ֖לֶךְ סָבִֽיב׀־־׃
STATEN

En de trawanten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis toe, bij den koning rondom.

12
וַ/יּוֹצִ֣א אֶת בֶּן הַ/מֶּ֗לֶךְ וַ/יִּתֵּ֤ן עָלָי/ו֙ אֶת הַ/נֵּ֨זֶר֙ וְ/אֶת הָ֣/עֵד֔וּת וַ/יַּמְלִ֥כוּ אֹת֖/וֹ וַ/יִּמְשָׁחֻ֑/הוּ וַ/יַּכּוּ כָ֔ף וַ/יֹּאמְר֖וּ יְחִ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ־־־־־׃ס
STATEN

Daarna bracht hij des konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 11

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 11 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →