Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 12

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בֶּן שֶׁ֥בַע שָׁנִ֖ים יְהוֹאָ֥שׁ בְּ/מָלְכֽ/וֹ־׃פ
STATEN

In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-séba.

2
בִּ/שְׁנַת שֶׁ֤בַע לְ/יֵהוּא֙ מָלַ֣ךְ יְהוֹאָ֔שׁ וְ/אַרְבָּעִ֣ים שָׁנָ֔ה מָלַ֖ךְ בִּ/ירֽוּשָׁלִָ֑ם וְ/שֵׁ֣ם אִמּ֔/וֹ צִבְיָ֖ה מִ/בְּאֵ֥ר שָֽׁבַע־׃
STATEN

En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al zijn dagen, in dewelke de priester Jójada hem onderwees.

3
וַ/יַּ֨עַשׂ יְהוֹאָ֧שׁ הַ/יָּשָׁ֛ר בְּ/עֵינֵ֥י יְהוָ֖ה כָּל יָמָ֑י/ו אֲשֶׁ֣ר הוֹרָ֔/הוּ יְהוֹיָדָ֖ע הַ/כֹּהֵֽן־׃
STATEN

Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.

4
רַ֥ק הַ/בָּמ֖וֹת לֹא סָ֑רוּ ע֥וֹד הָ/עָ֛ם מְזַבְּחִ֥ים וּֽ/מְקַטְּרִ֖ים בַּ/בָּמֽוֹת־׃
STATEN

En Joas zeide tot de priesteren: Al het geld der geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis des HEEREN, te weten het geld desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder der personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis des HEEREN,

5
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוֹאָ֜שׁ אֶל הַ/כֹּהֲנִ֗ים כֹּל֩ כֶּ֨סֶף הַ/קֳּדָשִׁ֜ים אֲשֶׁר יוּבָ֤א בֵית יְהוָה֙ כֶּ֣סֶף עוֹבֵ֔ר אִ֕ישׁ כֶּ֥סֶף נַפְשׁ֖וֹת עֶרְכּ֑/וֹ כָּל כֶּ֗סֶף אֲשֶׁ֤ר יַֽעֲלֶה֙ עַ֣ל לֶב אִ֔ישׁ לְ/הָבִ֖יא בֵּ֥ית יְהוָֽה־־־־־׃
STATEN

Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden.

6
יִקְח֤וּ לָ/הֶם֙ הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים אִ֖ישׁ מֵ/אֵ֣ת מַכָּר֑/וֹ וְ/הֵ֗ם יְחַזְּקוּ֙ אֶת בֶּ֣דֶק הַ/בַּ֔יִת לְ/כֹ֛ל אֲשֶׁר יִמָּצֵ֥א שָׁ֖ם בָּֽדֶק־־׃פ
STATEN

Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.

7
וַ/יְהִ֗י בִּ/שְׁנַ֨ת עֶשְׂרִ֧ים וְ/שָׁלֹ֛שׁ שָׁנָ֖ה לַ/מֶּ֣לֶךְ יְהוֹאָ֑שׁ לֹֽא חִזְּק֥וּ הַ/כֹּהֲנִ֖ים אֶת בֶּ֥דֶק הַ/בָּֽיִת־־׃
STATEN

Toen riep de koning Joas den priester Jójada en de andere priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.

8
וַ/יִּקְרָא֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ יְהוֹאָ֜שׁ לִ/יהוֹיָדָ֤ע הַ/כֹּהֵן֙ וְ/לַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֔ם מַדּ֛וּעַ אֵינְ/כֶ֥ם מְחַזְּקִ֖ים אֶת בֶּ֣דֶק הַ/בָּ֑יִת וְ/עַתָּ֗ה אַל תִּקְחוּ כֶ֨סֶף֙ מֵ/אֵ֣ת מַכָּֽרֵי/כֶ֔ם כִּֽי לְ/בֶ֥דֶק הַ/בַּ֖יִת תִּתְּנֻֽ/הוּ־־־־׃
STATEN

En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.

9
וַ/יֵּאֹ֖תוּ הַ/כֹּֽהֲנִ֑ים לְ/בִלְתִּ֤י קְחַת כֶּ֨סֶף֙ מֵ/אֵ֣ת הָ/עָ֔ם וּ/לְ/בִלְתִּ֥י חַזֵּ֖ק אֶת בֶּ֥דֶק הַ/בָּֽיִת־־׃
STATEN

Maar de priester Jójada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis des HEEREN; en de priesters, die den dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat ten huize des HEEREN gebracht werd.

10
מִ/יָּמִ֗ין וַ/יִּקַּ֞ח יְהוֹיָדָ֤ע הַ/כֹּהֵן֙ אֲר֣וֹן אֶחָ֔ד וַ/יִּקֹּ֥ב חֹ֖ר בְּ/דַלְתּ֑/וֹ וַ/יִּתֵּ֣ן אֹת/וֹ֩ אֵ֨צֶל הַ/מִּזְבֵּ֜חַ ב/ימין בְּ/בֽוֹא אִישׁ֙ בֵּ֣ית יְהוָ֔ה וְ/נָֽתְנוּ שָׁ֤מָּ/ה הַ/כֹּֽהֲנִים֙ שֹׁמְרֵ֣י הַ/סַּ֔ף אֶת כָּל הַ/כֶּ֖סֶף הַ/מּוּבָ֥א בֵית יְהוָֽה־־־־־׃
STATEN

Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat des konings schrijver met den hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis des HEEREN gevonden werd.

11
וַֽ/יְהִי֙ כִּ/רְאוֹתָ֔/ם כִּֽי רַ֥ב הַ/כֶּ֖סֶף בָּֽ/אָר֑וֹן וַ/יַּ֨עַל סֹפֵ֤ר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ וְ/הַ/כֹּהֵ֣ן הַ/גָּד֔וֹל וַ/יָּצֻ֨רוּ֙ וַ/יִּמְנ֔וּ אֶת הַ/כֶּ֖סֶף הַ/נִּמְצָ֥א בֵית יְהוָֽה־־־׃
STATEN

En zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis des HEEREN; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden, die het huis des HEEREN vermaakten;

12
יְדֵי֙ הַ/מֻּפְקָדִ֖ים וְ/נָתְנוּ֙ אֶת הַ/כֶּ֣סֶף הַֽ/מְתֻכָּ֔ן עַל יד עֹשֵׂ֣י הַ/מְּלָאכָ֔ה ה/פקדים בֵּ֣ית יְהוָ֑ה וַ/יּוֹצִיאֻ֜/הוּ לְ/חָרָשֵׁ֤י הָ/עֵץ֙ וְ/לַ/בֹּנִ֔ים הָ/עֹשִׂ֖ים בֵּ֥ית יְהוָֽה־־׃
STATEN

En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis des HEEREN te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 12

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 12 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →