NEVIIM

2 Koningen 13

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
1
בִּ/שְׁנַ֨ת עֶשְׂרִ֤ים וְ/שָׁלֹשׁ֙ שָׁנָ֔ה לְ/יוֹאָ֥שׁ בֶּן אֲחַזְיָ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה מָ֠לַךְ יְהוֹאָחָ֨ז בֶּן יֵה֤וּא עַל יִשְׂרָאֵל֙ בְּ/שֹׁ֣מְר֔וֹן שְׁבַ֥ע עֶשְׂרֵ֖ה שָׁנָֽה
STATEN

In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Aházia, den koning van Juda, werd Jóahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.

2
וַ/יַּ֥עַשׂ הָ/רַ֖ע בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה וַ֠/יֵּלֶךְ אַחַ֨ר חַטֹּ֜את יָרָבְעָ֧ם בֶּן נְבָ֛ט אֲשֶׁר הֶחֱטִ֥יא אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל לֹא סָ֥ר מִמֶּֽ/נָּה
STATEN

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af.

3
וַ/יִּֽחַר אַ֥ף יְהוָ֖ה בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽ/יִּתְּנֵ֞/ם בְּ/יַ֣ד חֲזָאֵ֣ל מֶֽלֶךְ אֲרָ֗ם וּ/בְ/יַ֛ד בֶּן הֲדַ֥ד בֶּן חֲזָאֵ֖ל כָּל הַ/יָּמִֽים
STATEN

Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Házaël, den koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, den zoon van Házaël, al die dagen.

4
וַ/יְחַ֥ל יְהוֹאָחָ֖ז אֶת פְּנֵ֣י יְהוָ֑ה וַ/יִּשְׁמַ֤ע אֵלָי/ו֙ יְהוָ֔ה כִּ֤י רָאָה֙ אֶת לַ֣חַץ יִשְׂרָאֵ֔ל כִּֽי לָחַ֥ץ אֹתָ֖/ם מֶ֥לֶךְ אֲרָֽם
STATEN

Doch Jóahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte.

5
וַ/יִּתֵּ֨ן יְהוָ֤ה לְ/יִשְׂרָאֵל֙ מוֹשִׁ֔יעַ וַ/יֵּ֣צְא֔וּ מִ/תַּ֖חַת יַד אֲרָ֑ם וַ/יֵּשְׁב֧וּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֛ל בְּ/אָהֳלֵי/הֶ֖ם כִּ/תְמ֥וֹל שִׁלְשֽׁוֹם
STATEN

(Zo gaf de HEERE Israël een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israëls woonden in hun tenten, als te voren.

6
אַ֠ךְ לֹֽא סָ֜רוּ מֵ/חַטֹּ֧אות בֵּית יָרָבְעָ֛ם אֲשֶׁר החטי אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל בָּ֣/הּ הָלָ֑ךְ וְ/גַם֙ הָ/אֲשֵׁרָ֔ה עָמְדָ֖ה בְּ/שֹׁמְרֽוֹן הֶחֱטִ֥יא
STATEN

Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jeróbeam, die Israël zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)

7
כִּ֣י לֹא֩ הִשְׁאִ֨יר לִ/יהוֹאָחָ֜ז עָ֗ם כִּ֣י אִם חֲמִשִּׁ֤ים פָּֽרָשִׁים֙ וַ/עֲשָׂ֣רָה רֶ֔כֶב וַ/עֲשֶׂ֥רֶת אֲלָפִ֖ים רַגְלִ֑י כִּ֤י אִבְּדָ/ם֙ מֶ֣לֶךְ אֲרָ֔ם וַ/יְשִׂמֵ֥/ם כֶּֽ/עָפָ֖ר לָ/דֻֽשׁ
STATEN

Want hij had Jóahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.

8
וְ/יֶ֨תֶר דִּבְרֵ֧י יְהוֹאָחָ֛ז וְ/כָל אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה וּ/גְבוּרָת֑/וֹ הֲ/לוֹא הֵ֣ם כְּתוּבִ֗ים עַל סֵ֛פֶר דִּבְרֵ֥י הַ/יָּמִ֖ים לְ/מַלְכֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Het overige nu der geschiedenissen van Jóahaz, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

9
וַ/יִּשְׁכַּ֤ב יְהֽוֹאָחָז֙ עִם אֲבֹתָ֔י/ו וַֽ/יִּקְבְּרֻ֖/הוּ בְּ/שֹׁמְר֑וֹן וַ/יִּמְלֹ֛ךְ יוֹאָ֥שׁ בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

En Jóahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

10
בִּ/שְׁנַ֨ת שְׁלֹשִׁ֤ים וָ/שֶׁ֨בַע֙ שָׁנָ֔ה לְ/יוֹאָ֖שׁ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה מָ֠לַךְ יְהוֹאָ֨שׁ בֶּן יְהוֹאָחָ֤ז עַל יִשְׂרָאֵל֙ בְּ/שֹׁ֣מְר֔וֹן שֵׁ֥שׁ עֶשְׂרֵ֖ה שָׁנָֽה
STATEN

In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Jóahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren.

11
וַ/יַּֽעֲשֶׂ֥ה הָ/רַ֖ע בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה לֹ֣א סָ֗ר מִ/כָּל חַטֹּ֞אות יָרָבְעָ֧ם בֶּן נְבָ֛ט אֲשֶׁר הֶחֱטִ֥יא אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל בָּ֥/הּ הָלָֽךְ
STATEN

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin.

12
וְ/יֶ֨תֶר דִּבְרֵ֤י יוֹאָשׁ֙ וְ/כָל אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֔ה וּ/גְב֣וּרָת֔/וֹ אֲשֶׁ֣ר נִלְחַ֔ם עִ֖ם אֲמַצְיָ֣ה מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֑ה הֲ/לֽוֹא הֵ֣ם כְּתוּבִ֗ים עַל סֵ֛פֶר דִּבְרֵ֥י הַ/יָּמִ֖ים לְ/מַלְכֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

13
וַ/יִּשְׁכַּ֤ב יוֹאָשׁ֙ עִם אֲבֹתָ֔י/ו וְ/יָרָבְעָ֖ם יָשַׁ֣ב עַל כִּסְא֑/וֹ וַ/יִּקָּבֵ֤ר יוֹאָשׁ֙ בְּ/שֹׁ֣מְר֔וֹן עִ֖ם מַלְכֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jeróbeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël.

14
וֶֽ/אֱלִישָׁע֙ חָלָ֣ה אֶת חָלְי֔/וֹ אֲשֶׁ֥ר יָמ֖וּת בּ֑/וֹ וַ/יֵּ֨רֶד אֵלָ֜י/ו יוֹאָ֣שׁ מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵ֗ל וַ/יֵּ֤בְךְּ עַל פָּנָי/ו֙ וַ/יֹּאמַ֔ר אָבִ֣/י אָבִ֔/י רֶ֥כֶב יִשְׂרָאֵ֖ל וּ/פָרָשָֽׁי/ו
STATEN

Elísa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren!

15
וַ/יֹּ֤אמֶר ל/וֹ֙ אֱלִישָׁ֔ע קַ֖ח קֶ֣שֶׁת וְ/חִצִּ֑ים וַ/יִּקַּ֥ח אֵלָ֖י/ו קֶ֥שֶׁת וְ/חִצִּֽים
STATEN

En Elísa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen.

16
וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֗ל הַרְכֵּ֤ב יָֽדְ/ךָ֙ עַל הַ/קֶּ֔שֶׁת וַ/יַּרְכֵּ֖ב יָד֑/וֹ וַ/יָּ֧שֶׂם אֱלִישָׁ֛ע יָדָ֖י/ו עַל יְדֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

En hij zeide tot den koning van Israël: Leg uw hand aan den boog, en hij legde zijn hand daaraan; en Elísa legde zijn handen op des konings handen.

17
וַ/יֹּ֗אמֶר פְּתַ֧ח הַ/חַלּ֛וֹן קֵ֖דְמָ/ה וַ/יִּפְתָּ֑ח וַ/יֹּ֤אמֶר אֱלִישָׁ֤ע יְרֵה֙ וַ/יּ֔וֹר וַ/יֹּ֗אמֶר חֵץ תְּשׁוּעָ֤ה לַֽ/יהוָה֙ וְ/חֵ֣ץ תְּשׁוּעָ֣ה בַֽ/אֲרָ֔ם וְ/הִכִּיתָ֧ אֶת אֲרָ֛ם בַּ/אֲפֵ֖ק עַד כַּלֵּֽה
STATEN

En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elísa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriërs; want gij zult de Syriërs slaan in Afek, tot verdoens toe.

18
וַ/יֹּ֛אמֶר קַ֥ח הַ/חִצִּ֖ים וַ/יִּקָּ֑ח וַ/יֹּ֤אמֶר לְ/מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל֙ הַךְ אַ֔רְצָ/ה וַ/יַּ֥ךְ שָֽׁלֹשׁ פְּעָמִ֖ים וַֽ/יַּעֲמֹֽד
STATEN

Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israël: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.

19
וַ/יִּקְצֹ֨ף עָלָ֜י/ו אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֗ים וַ/יֹּ֨אמֶר֙ לְ/הַכּ֨וֹת חָמֵ֤שׁ אוֹ שֵׁשׁ֙ פְּעָמִ֔ים אָ֛ז הִכִּ֥יתָ אֶת אֲרָ֖ם עַד כַּלֵּ֑ה וְ/עַתָּ֕ה שָׁלֹ֥שׁ פְּעָמִ֖ים תַּכֶּ֥ה אֶת אֲרָֽם
STATEN

Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijf- of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan.

20
וַ/יָּ֥מָת אֱלִישָׁ֖ע וַֽ/יִּקְבְּרֻ֑/הוּ וּ/גְדוּדֵ֥י מוֹאָ֛ב יָבֹ֥אוּ בָ/אָ֖רֶץ בָּ֥א שָׁנָֽה
STATEN

Daarna stierf Elísa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.

21
וַ/יְהִ֞י הֵ֣ם קֹבְרִ֣ים אִ֗ישׁ וְ/הִנֵּה֙ רָא֣וּ אֶֽת הַ/גְּד֔וּד וַ/יַּשְׁלִ֥יכוּ אֶת הָ/אִ֖ישׁ בְּ/קֶ֣בֶר אֱלִישָׁ֑ע וַ/יֵּ֜לֶךְ וַ/יִּגַּ֤ע הָ/אִישׁ֙ בְּ/עַצְמ֣וֹת אֱלִישָׁ֔ע וַ/יְחִ֖י וַ/יָּ֥קָם עַל רַגְלָֽי/ו
STATEN

En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elísa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elísa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.

22
וַֽ/חֲזָאֵל֙ מֶ֣לֶךְ אֲרָ֔ם לָחַ֖ץ אֶת יִשְׂרָאֵ֑ל כֹּ֖ל יְמֵ֥י יְהוֹאָחָֽז
STATEN

Házaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël, al de dagen van Jóahaz.

23
וַ/יָּחָן֩ יְהוָ֨ה אֹתָ֤/ם וַֽ/יְרַחֲמֵ/ם֙ וַ/יִּ֣פֶן אֲלֵי/הֶ֔ם לְמַ֣עַן בְּרִית֔/וֹ אֶת אַבְרָהָ֖ם יִצְחָ֣ק וְ/יַֽעֲקֹ֑ב וְ/לֹ֤א אָבָה֙ הַשְׁחִיתָ֔/ם וְ/לֹֽא הִשְׁלִיכָ֥/ם מֵֽ/עַל פָּנָ֖י/ו עַד עָֽתָּה
STATEN

Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.

24
וַ/יָּ֖מָת חֲזָאֵ֣ל מֶֽלֶךְ אֲרָ֑ם וַ/יִּמְלֹ֛ךְ בֶּן הֲדַ֥ד בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

En Házaël, de koning van Syrië, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.

25
וַ/יָּ֜שָׁב יְהוֹאָ֣שׁ בֶּן יְהוֹאָחָ֗ז וַ/יִּקַּ֤ח אֶת הֶֽ/עָרִים֙ מִ/יַּד֙ בֶּן הֲדַ֣ד בֶּן חֲזָאֵ֔ל אֲשֶׁ֣ר לָקַ֗ח מִ/יַּ֛ד יְהוֹאָחָ֥ז אָבִ֖י/ו בַּ/מִּלְחָמָ֑ה שָׁלֹ֤שׁ פְּעָמִים֙ הִכָּ֣/הוּ יוֹאָ֔שׁ וַ/יָּ֖שֶׁב אֶת עָרֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Joas nu, de zoon van Jóahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Házaël, die hij uit de hand van Jóahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weder.