Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 2

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֗י בְּ/הַעֲל֤וֹת יְהוָה֙ אֶת אֵ֣לִיָּ֔הוּ בַּֽ/סְעָרָ֖ה הַ/שָּׁמָ֑יִם וַ/יֵּ֧לֶךְ אֵלִיָּ֛הוּ וֶ/אֱלִישָׁ֖ע מִן הַ/גִּלְגָּֽל־־׃
STATEN

Het geschiedde nu, als de HEERE Elía met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elía met Elísa ging van Gilgal.

2
וַ/יֹּאמֶר֩ אֵלִיָּ֨הוּ אֶל אֱלִישָׁ֜ע שֵֽׁב נָ֣א פֹ֗ה כִּ֤י יְהוָה֙ שְׁלָחַ֣/נִי עַד בֵּֽית אֵ֔ל וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלִישָׁ֔ע חַי יְהוָ֥ה וְ/חֵֽי נַפְשְׁ/ךָ֖ אִם אֶעֶזְבֶ֑/ךָּ וַ/יֵּרְד֖וּ בֵּֽית אֵֽל־־־־־־־־׃
STATEN

En Elía zeide tot Elísa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Beth-El gezonden. Maar Elísa zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo gingen zij af naar Beth-El.

3
וַ/יֵּצְא֨וּ בְנֵֽי הַ/נְּבִיאִ֥ים אֲשֶׁר בֵּֽית אֵל֮ אֶל אֱלִישָׁע֒ וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֔י/ו הֲ/יָדַ֕עְתָּ כִּ֣י הַ/יּ֗וֹם יְהוָ֛ה לֹקֵ֥חַ אֶת אֲדֹנֶ֖י/ךָ מֵ/עַ֣ל רֹאשֶׁ֑/ךָ וַ/יֹּ֛אמֶר גַּם אֲנִ֥י יָדַ֖עְתִּי הֶחֱשֽׁוּ־־־־־־׃
STATEN

Toen gingen de zonen der profeten, die te Beth-El waren, tot Elísa uit, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.

4
וַ/יֹּאמֶר֩ ל֨/וֹ אֵלִיָּ֜הוּ אֱלִישָׁ֣ע שֵֽׁב נָ֣א פֹ֗ה כִּ֤י יְהוָה֙ שְׁלָחַ֣/נִי יְרִיח֔וֹ וַ/יֹּ֕אמֶר חַי יְהוָ֥ה וְ/חֵֽי נַפְשְׁ/ךָ֖ אִם אֶעֶזְבֶ֑/ךָּ וַ/יָּבֹ֖אוּ יְרִיחֽוֹ׀־־־־׃
STATEN

En Elía zeide tot hem: Elísa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo kwamen zij te Jericho.

5
וַ/יִּגְּשׁ֨וּ בְנֵֽי הַ/נְּבִיאִ֥ים אֲשֶׁר בִּֽ/ירִיחוֹ֮ אֶל אֱלִישָׁע֒ וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֔י/ו הֲ/יָדַ֕עְתָּ כִּ֣י הַ/יּ֗וֹם יְהוָ֛ה לֹקֵ֥חַ אֶת אֲדֹנֶ֖י/ךָ מֵ/עַ֣ל רֹאשֶׁ֑/ךָ וַ/יֹּ֛אמֶר גַּם אֲנִ֥י יָדַ֖עְתִּי הֶחֱשֽׁוּ־־־־־׃
STATEN

Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elísa toe, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.

6
וַ/יֹּאמֶר֩ ל֨/וֹ אֵלִיָּ֜הוּ שֵֽׁב נָ֣א פֹ֗ה כִּ֤י יְהוָה֙ שְׁלָחַ֣/נִי הַ/יַּרְדֵּ֔נָ/ה וַ/יֹּ֕אמֶר חַי יְהוָ֥ה וְ/חֵֽי נַפְשְׁ/ךָ֖ אִם אֶעֶזְבֶ֑/ךָּ וַ/יֵּלְכ֖וּ שְׁנֵי/הֶֽם־־־־׃
STATEN

En Elía zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen henen.

7
וַ/חֲמִשִּׁ֨ים אִ֜ישׁ מִ/בְּנֵ֤י הַ/נְּבִיאִים֙ הָֽלְכ֔וּ וַ/יַּעַמְד֥וּ מִ/נֶּ֖גֶד מֵ/רָח֑וֹק וּ/שְׁנֵי/הֶ֖ם עָמְד֥וּ עַל הַ/יַּרְדֵּֽן־׃
STATEN

En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen henen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan.

8
וַ/יִּקַּח֩ אֵלִיָּ֨הוּ אֶת אַדַּרְתּ֤/וֹ וַ/יִּגְלֹם֙ וַ/יַּכֶּ֣ה אֶת הַ/מַּ֔יִם וַ/יֵּחָצ֖וּ הֵ֣נָּה וָ/הֵ֑נָּה וַ/יַּעַבְר֥וּ שְׁנֵי/הֶ֖ם בֶּ/חָרָבָֽה־־׃
STATEN

Toen nam Elía zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge.

9
וַ/יְהִ֣י כְ/עָבְרָ֗/ם וְ/אֵ֨לִיָּ֜הוּ אָמַ֤ר אֶל אֱלִישָׁע֙ שְׁאַל֙ מָ֣ה אֶֽעֱשֶׂה לָּ֔/ךְ בְּ/טֶ֖רֶם אֶלָּקַ֣ח מֵ/עִמָּ֑/ךְ וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלִישָׁ֔ע וִֽ/יהִי נָ֛א פִּֽי שְׁנַ֥יִם בְּ/רוּחֲ/ךָ֖ אֵלָֽ/י־־־־׃
STATEN

Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elía zeide tot Elísa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En Elísa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn!

10
וַ/יֹּ֖אמֶר הִקְשִׁ֣יתָ לִ/שְׁא֑וֹל אִם תִּרְאֶ֨ה אֹתִ֜/י לֻקָּ֤ח מֵֽ/אִתָּ/ךְ֙ יְהִֽי לְ/ךָ֣ כֵ֔ן וְ/אִם אַ֖יִן לֹ֥א יִהְיֶֽה־־־׃
STATEN

En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzo geschieden; doch zo niet, het zal niet geschieden.

11
וַ/יְהִ֗י הֵ֣מָּה הֹלְכִ֤ים הָלוֹךְ֙ וְ/דַבֵּ֔ר וְ/הִנֵּ֤ה רֶֽכֶב אֵשׁ֙ וְ/ס֣וּסֵי אֵ֔שׁ וַ/יַּפְרִ֖דוּ בֵּ֣ין שְׁנֵי/הֶ֑ם וַ/יַּ֨עַל֙ אֵ֣לִיָּ֔הוּ בַּֽ/סְעָרָ֖ה הַ/שָּׁמָֽיִם־׃
STATEN

En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elía met een onweder ten hemel.

12
וֶ/אֱלִישָׁ֣ע רֹאֶ֗ה וְ/ה֤וּא מְצַעֵק֙ אָבִ֣/י אָבִ֗/י רֶ֤כֶב יִשְׂרָאֵל֙ וּ/פָ֣רָשָׁ֔י/ו וְ/לֹ֥א רָאָ֖/הוּ ע֑וֹד וַֽ/יַּחֲזֵק֙ בִּ/בְגָדָ֔י/ו וַ/יִּקְרָעֵ֖/ם לִ/שְׁנַ֥יִם קְרָעִֽים׀׃
STATEN

En Elísa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 2

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →