Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Koningen 6

מְלָכִים ב
Hoofdstukken (25)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּאמְר֥וּ בְנֵֽי הַ/נְּבִיאִ֖ים אֶל אֱלִישָׁ֑ע הִנֵּֽה נָ֣א הַ/מָּק֗וֹם אֲשֶׁ֨ר אֲנַ֜חְנוּ יֹשְׁבִ֥ים שָׁ֛ם לְ/פָנֶ֖י/ךָ צַ֥ר מִמֶּֽ/נּוּ־־־׃
STATEN

En de kinderen der profeten zeiden tot Elísa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng.

2
נֵֽלְכָה נָּ֣א עַד הַ/יַּרְדֵּ֗ן וְ/נִקְחָ֤ה מִ/שָּׁם֙ אִ֚ישׁ קוֹרָ֣ה אֶחָ֔ת וְ/נַעֲשֶׂה לָּ֥/נוּ שָׁ֛ם מָק֖וֹם לָ/שֶׁ֣בֶת שָׁ֑ם וַ/יֹּ֖אמֶר לֵֽכוּ־־־׃
STATEN

Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen.

3
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ הָֽ/אֶחָ֔ד ה֥וֹאֶל נָ֖א וְ/לֵ֣ךְ אֶת עֲבָדֶ֑י/ךָ וַ/יֹּ֖אמֶר אֲנִ֥י אֵלֵֽךְ־׃
STATEN

En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan.

4
וַ/יֵּ֖לֶךְ אִתָּ֑/ם וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ הַ/יַּרְדֵּ֔נָ/ה וַֽ/יִּגְזְר֖וּ הָ/עֵצִֽים׃
STATEN

Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af.

5
וַ/יְהִ֤י הָֽ/אֶחָד֙ מַפִּ֣יל הַ/קּוֹרָ֔ה וְ/אֶת הַ/בַּרְזֶ֖ל נָפַ֣ל אֶל הַ/מָּ֑יִם וַ/יִּצְעַ֥ק וַ/יֹּ֛אמֶר אֲהָ֥הּ אֲדֹנִ֖/י וְ/ה֥וּא שָׁאֽוּל־־׃
STATEN

En het geschiedde, als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep, en zeide: Ach, mijn heer, want het was geleend.

6
וַ/יֹּ֥אמֶר אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֖ים אָ֣נָה נָפָ֑ל וַ/יַּרְאֵ֨/הוּ֙ אֶת הַ/מָּק֔וֹם וַ/יִּקְצָב עֵץ֙ וַ/יַּשְׁלֶךְ שָׁ֔מָּ/ה וַ/יָּ֖צֶף הַ/בַּרְזֶֽל־־־־׃
STATEN

En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het ijzer boven zwemmen.

7
וַ/יֹּ֖אמֶר הָ֣רֶם לָ֑/ךְ וַ/יִּשְׁלַ֥ח יָד֖/וֹ וַ/יִּקָּחֵֽ/הוּ׃פ
STATEN

En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam het.

8
וּ/מֶ֣לֶךְ אֲרָ֔ם הָיָ֥ה נִלְחָ֖ם בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יִּוָּעַץ֙ אֶל עֲבָדָ֣י/ו לֵ/אמֹ֗ר אֶל מְק֛וֹם פְּלֹנִ֥י אַלְמֹנִ֖י תַּחֲנֹתִֽ/י־־׃
STATEN

En de koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een.

9
וַ/יִּשְׁלַ֞ח אִ֣ישׁ הָ/אֱלֹהִ֗ים אֶל מֶ֤לֶךְ יִשְׂרָאֵל֙ לֵ/אמֹ֔ר הִשָּׁ֕מֶר מֵ/עֲבֹ֖ר הַ/מָּק֣וֹם הַ/זֶּ֑ה כִּֽי שָׁ֖ם אֲרָ֥ם נְחִתִּֽים־־׃
STATEN

Maar de man Gods zond henen tot den koning van Israël, zeggende: Wacht u, dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriërs zijn daarhenen afgekomen.

10
וַ/יִּשְׁלַ֞ח מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֗ל אֶֽל הַ/מָּק֞וֹם אֲשֶׁ֨ר אָֽמַר ל֧/וֹ אִישׁ הָ/אֱלֹהִ֛ים ו/הזהיר/ה וְ/נִשְׁמַ֣ר שָׁ֑ם לֹ֥א אַחַ֖ת וְ/לֹ֥א שְׁתָּֽיִם־־־׃ וְ/הִזְהִיר֖/וֹ
STATEN

Daarom zond de koning van Israël henen aan die plaats, waarvan hem de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet eenmaal, noch tweemaal.

11
וַ/יִּסָּעֵר֙ לֵ֣ב מֶֽלֶךְ אֲרָ֔ם עַל הַ/דָּבָ֖ר הַ/זֶּ֑ה וַ/יִּקְרָ֤א אֶל עֲבָדָי/ו֙ וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵי/הֶ֔ם הֲ/לוֹא֙ תַּגִּ֣ידוּ לִ֔/י מִ֥י מִ/שֶּׁ/לָּ֖/נוּ אֶל מֶ֥לֶךְ יִשְׂרָאֵֽל־־־־׃
STATEN

Toen werd het hart des konings van Syrië onstuimig over dezen handel; en hij riep zijn knechten, en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor den koning van Israël?

12
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אַחַ֣ד מֵֽ/עֲבָדָ֔י/ו ל֖וֹא אֲדֹנִ֣/י הַ/מֶּ֑לֶךְ כִּֽי אֱלִישָׁ֤ע הַ/נָּבִיא֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/יִשְׂרָאֵ֔ל יַגִּיד֙ לְ/מֶ֣לֶךְ יִשְׂרָאֵ֔ל אֶת הַ֨/דְּבָרִ֔ים אֲשֶׁ֥ר תְּדַבֵּ֖ר בַּ/חֲדַ֥ר מִשְׁכָּבֶֽ/ךָ־־׃
STATEN

En een van zijn knechten zeide: Neen, mijn heer koning! Maar Elísa, de profeet, die in Israël is, geeft den koning van Israël te kennen de woorden, die gij in uw binnenste slaapkamer spreekt.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Koningen 6

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Koningen 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →