Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 2

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/נֵּ֜פֶן וַ/נִּסַּ֤ע הַ/מִּדְבָּ֨רָ/ה֙ דֶּ֣רֶךְ יַם ס֔וּף כַּ/אֲשֶׁ֛ר דִּבֶּ֥ר יְהוָ֖ה אֵלָ֑/י וַ/נָּ֥סָב אֶת הַר שֵׂעִ֖יר יָמִ֥ים רַבִּֽים־־־׃ס
STATEN

Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seïr, vele dagen.

2
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר׃
STATEN

Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:

3
רַב לָ/כֶ֕ם סֹ֖ב אֶת הָ/הָ֣ר הַ/זֶּ֑ה פְּנ֥וּ לָ/כֶ֖ם צָפֹֽנָ/ה־־׃
STATEN

Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden;

4
וְ/אֶת הָ/עָם֮ צַ֣ו לֵ/אמֹר֒ אַתֶּ֣ם עֹֽבְרִ֗ים בִּ/גְבוּל֙ אֲחֵי/כֶ֣ם בְּנֵי עֵשָׂ֔ו הַ/יֹּשְׁבִ֖ים בְּ/שֵׂעִ֑יר וְ/יִֽירְא֣וּ מִ/כֶּ֔ם וְ/נִשְׁמַרְתֶּ֖ם מְאֹֽד־־׃
STATEN

En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten.

5
אַל תִּתְגָּר֣וּ בָ֔/ם כִּ֠י לֹֽא אֶתֵּ֤ן לָ/כֶם֙ מֵֽ/אַרְצָ֔/ם עַ֖ד מִדְרַ֣ךְ כַּף רָ֑גֶל כִּֽי יְרֻשָּׁ֣ה לְ/עֵשָׂ֔ו נָתַ֖תִּי אֶת הַ֥ר שֵׂעִֽיר־־־־־׃
STATEN

Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seïr ter erfenis gegeven.

6
אֹ֣כֶל תִּשְׁבְּר֧וּ מֵֽ/אִתָּ֛/ם בַּ/כֶּ֖סֶף וַ/אֲכַלְתֶּ֑ם וְ/גַם מַ֜יִם תִּכְר֧וּ מֵ/אִתָּ֛/ם בַּ/כֶּ֖סֶף וּ/שְׁתִיתֶֽם־׃
STATEN

Spijze zult gij voor geld van hen kopen, dat gij etet; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, dat gij drinket.

7
כִּי֩ יְהוָ֨ה אֱלֹהֶ֜י/ךָ בֵּֽרַכְ/ךָ֗ בְּ/כֹל֙ מַעֲשֵׂ֣ה יָדֶ֔/ךָ יָדַ֣ע לֶכְתְּ/ךָ֔ אֶת הַ/מִּדְבָּ֥ר הַ/גָּדֹ֖ל הַ/זֶּ֑ה זֶ֣ה אַרְבָּעִ֣ים שָׁנָ֗ה יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ עִמָּ֔/ךְ לֹ֥א חָסַ֖רְתָּ דָּבָֽר־׀׃
STATEN

Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.

8
וַֽ/נַּעֲבֹ֞ר מֵ/אֵ֧ת אַחֵ֣י/נוּ בְנֵי עֵשָׂ֗ו הַ/יֹּֽשְׁבִים֙ בְּ/שֵׂעִ֔יר מִ/דֶּ֨רֶךְ֙ הָֽ/עֲרָבָ֔ה מֵ/אֵילַ֖ת וּ/מֵ/עֶצְיֹ֣ן גָּ֑בֶר וַ/נֵּ֨פֶן֙ וַֽ/נַּעֲבֹ֔ר דֶּ֖רֶךְ מִדְבַּ֥ר מוֹאָֽב־ס׃
STATEN

Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-Geber, zo keerden wij ons, en doortogen den weg der woestijn van Moab.

9
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֵלַ֗/י אֶל תָּ֨צַר֙ אֶת מוֹאָ֔ב וְ/אַל תִּתְגָּ֥ר בָּ֖/ם מִלְחָמָ֑ה כִּ֠י לֹֽא אֶתֵּ֨ן לְ/ךָ֤ מֵֽ/אַרְצ/וֹ֙ יְרֻשָּׁ֔ה כִּ֣י לִ/בְנֵי ל֔וֹט נָתַ֥תִּי אֶת עָ֖ר יְרֻשָּֽׁה־־־־־־׃
STATEN

Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.

10
הָ/אֵמִ֥ים לְ/פָנִ֖ים יָ֣שְׁבוּ בָ֑/הּ עַ֣ם גָּד֥וֹל וְ/רַ֛ב וָ/רָ֖ם כָּ/עֲנָקִֽים׃
STATEN

De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.

11
רְפָאִ֛ים יֵחָשְׁב֥וּ אַף הֵ֖ם כָּ/עֲנָקִ֑ים וְ/הַ/מֹּ֣אָבִ֔ים יִקְרְא֥וּ לָ/הֶ֖ם אֵמִֽים־׃
STATEN

Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.

12
וּ/בְ/שֵׂעִ֞יר יָשְׁב֣וּ הַ/חֹרִים֮ לְ/פָנִים֒ וּ/בְנֵ֧י עֵשָׂ֣ו יִֽירָשׁ֗וּ/ם וַ/יַּשְׁמִידוּ/ם֙ מִ/פְּנֵי/הֶ֔ם וַ/יֵּשְׁב֖וּ תַּחְתָּ֑/ם כַּ/אֲשֶׁ֧ר עָשָׂ֣ה יִשְׂרָאֵ֗ל לְ/אֶ֨רֶץ֙ יְרֻשָּׁת֔/וֹ אֲשֶׁר נָתַ֥ן יְהוָ֖ה לָ/הֶֽם־׃
STATEN

Ook woonden de Horieten te voren in Seïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de HEERE hun gegeven heeft.

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 2

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →