Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 31

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּ֖לֶךְ מֹשֶׁ֑ה וַ/יְדַבֵּ֛ר אֶת הַ/דְּבָרִ֥ים הָ/אֵ֖לֶּה אֶל כָּל יִשְׂרָאֵֽל־־־׃
STATEN

Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot gans Israël,

2
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֗ם בֶּן מֵאָה֩ וְ/עֶשְׂרִ֨ים שָׁנָ֤ה אָנֹכִי֙ הַ/יּ֔וֹם לֹא אוּכַ֥ל ע֖וֹד לָ/צֵ֣את וְ/לָ/ב֑וֹא וַֽ/יהוָה֙ אָמַ֣ר אֵלַ֔/י לֹ֥א תַעֲבֹ֖ר אֶת הַ/יַּרְדֵּ֥ן הַ/זֶּֽה־־־׃
STATEN

En zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de HEERE tot mij gezegd: Gij zult over deze Jordaan niet gaan.

3
יְהוָ֨ה אֱלֹהֶ֜י/ךָ ה֣וּא עֹבֵ֣ר לְ/פָנֶ֗י/ךָ הֽוּא יַשְׁמִ֞יד אֶת הַ/גּוֹיִ֥ם הָ/אֵ֛לֶּה מִ/לְּ/פָנֶ֖י/ךָ וִֽ/ירִשְׁתָּ֑/ם יְהוֹשֻׁ֗עַ ה֚וּא עֹבֵ֣ר לְ/פָנֶ֔י/ךָ כַּ/אֲשֶׁ֖ר דִּבֶּ֥ר יְהוָֽה׀־־׃
STATEN

De HEERE, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de HEERE gesproken heeft.

4
וְ/עָשָׂ֤ה יְהוָה֙ לָ/הֶ֔ם כַּ/אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֗ה לְ/סִיח֥וֹן וּ/לְ/ע֛וֹג מַלְכֵ֥י הָ/אֱמֹרִ֖י וּ/לְ/אַרְצָ֑/ם אֲשֶׁ֥ר הִשְׁמִ֖יד אֹתָֽ/ם׃
STATEN

En de HEERE zal hun doen, gelijk als Hij aan Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij verdelgd heeft.

5
וּ/נְתָנָ֥/ם יְהוָ֖ה לִ/פְנֵי/כֶ֑ם וַ/עֲשִׂיתֶ֣ם לָ/הֶ֔ם כְּ/כָל הַ/מִּצְוָ֔ה אֲשֶׁ֥ר צִוִּ֖יתִי אֶתְ/כֶֽם־׃
STATEN

Wanneer hen nu de HEERE voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb.

6
חִזְק֣וּ וְ/אִמְצ֔וּ אַל תִּֽירְא֥וּ וְ/אַל תַּעַרְצ֖וּ מִ/פְּנֵי/הֶ֑ם כִּ֣י יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ ה֚וּא הַ/הֹלֵ֣ךְ עִמָּ֔/ךְ לֹ֥א יַרְפְּ/ךָ֖ וְ/לֹ֥א יַעַזְבֶֽ/ךָּ־־׀׃פ
STATEN

Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.

7
וַ/יִּקְרָ֨א מֹשֶׁ֜ה לִֽ/יהוֹשֻׁ֗עַ וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלָ֜י/ו לְ/עֵינֵ֣י כָל יִשְׂרָאֵ֘ל חֲזַ֣ק וֶ/אֱמָץ֒ כִּ֣י אַתָּ֗ה תָּבוֹא֙ אֶת הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה אֶל הָ/אָ֕רֶץ אֲשֶׁ֨ר נִשְׁבַּ֧ע יְהוָ֛ה לַ/אֲבֹתָ֖/ם לָ/תֵ֣ת לָ/הֶ֑ם וְ/אַתָּ֖ה תַּנְחִילֶ֥/נָּה אוֹתָֽ/ם־־־׃
STATEN

En Mozes riep Jozua, en zeide tot hem voor de ogen van gans Israël: Wees sterk en heb goeden moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij zult het hun doen erven.

8
וַֽ/יהוָ֞ה ה֣וּא הַ/הֹלֵ֣ךְ לְ/פָנֶ֗י/ךָ ה֚וּא יִהְיֶ֣ה עִמָּ֔/ךְ לֹ֥א יַרְפְּ/ךָ֖ וְ/לֹ֣א יַֽעַזְבֶ֑/ךָּ לֹ֥א תִירָ֖א וְ/לֹ֥א תֵחָֽת׀׃
STATEN

De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet.

9
וַ/יִּכְתֹּ֣ב מֹשֶׁה֮ אֶת הַ/תּוֹרָ֣ה הַ/זֹּאת֒ וַֽ/יִּתְּנָ֗/הּ אֶל הַ/כֹּהֲנִים֙ בְּנֵ֣י לֵוִ֔י הַ/נֹּ֣שְׂאִ֔ים אֶת אֲר֖וֹן בְּרִ֣ית יְהוָ֑ה וְ/אֶל כָּל זִקְנֵ֖י יִשְׂרָאֵֽל־־־־־׃
STATEN

En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesteren, de zonen van Levi, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, en aan alle oudsten van Israël.

10
וַ/יְצַ֥ו מֹשֶׁ֖ה אוֹתָ֣/ם לֵ/אמֹ֑ר מִ/קֵּ֣ץ שֶׁ֣בַע שָׁנִ֗ים בְּ/מֹעֵ֛ד שְׁנַ֥ת הַ/שְּׁמִטָּ֖ה בְּ/חַ֥ג הַ/סֻּכּֽוֹת׀׃
STATEN

En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op den gezetten tijd van het jaar der vrijlating, op het feest der loofhutten.

11
בְּ/ב֣וֹא כָל יִשְׂרָאֵ֗ל לֵ/רָאוֹת֙ אֶת פְּנֵי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ בַּ/מָּק֖וֹם אֲשֶׁ֣ר יִבְחָ֑ר תִּקְרָ֞א אֶת הַ/תּוֹרָ֥ה הַ/זֹּ֛את נֶ֥גֶד כָּל יִשְׂרָאֵ֖ל בְּ/אָזְנֵי/הֶֽם־־־־׃
STATEN

Als gans Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, in de plaats, die Hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gans Israël uitroepen, voor hun oren;

12
הַקְהֵ֣ל אֶת הָ/עָ֗ם הָֽ/אֲנָשִׁ֤ים וְ/הַ/נָּשִׁים֙ וְ/הַ/טַּ֔ף וְ/גֵרְ/ךָ֖ אֲשֶׁ֣ר בִּ/שְׁעָרֶ֑י/ךָ לְמַ֨עַן יִשְׁמְע֜וּ וּ/לְמַ֣עַן יִלְמְד֗וּ וְ/יָֽרְאוּ֙ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹֽהֵי/כֶ֔ם וְ/שָֽׁמְר֣וּ לַ/עֲשׂ֔וֹת אֶת כָּל דִּבְרֵ֖י הַ/תּוֹרָ֥ה הַ/זֹּֽאת־־־־׃
STATEN

Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 31

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 31 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →