Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 14

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בָּנִ֣ים אַתֶּ֔ם לַֽ/יהוָ֖ה אֱלֹהֵי/כֶ֑ם לֹ֣א תִתְגֹּֽדְד֗וּ וְ/לֹֽא תָשִׂ֧ימוּ קָרְחָ֛ה בֵּ֥ין עֵינֵי/כֶ֖ם לָ/מֵֽת־׃
STATEN

Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.

2
כִּ֣י עַ֤ם קָדוֹשׁ֙ אַתָּ֔ה לַ/יהוָ֖ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ וּ/בְ/ךָ֞ בָּחַ֣ר יְהוָ֗ה לִֽ/הְי֥וֹת ל/וֹ֙ לְ/עַ֣ם סְגֻלָּ֔ה מִ/כֹּל֙ הָֽ/עַמִּ֔ים אֲשֶׁ֖ר עַל פְּנֵ֥י הָ/אֲדָמָֽה־׃ס
STATEN

Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; en u heeft de HEERE verkoren, om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op den aardbodem zijn.

3
לֹ֥א תֹאכַ֖ל כָּל תּוֹעֵבָֽה־׃
STATEN

Gij zult geen gruwel eten.

4
זֹ֥את הַ/בְּהֵמָ֖ה אֲשֶׁ֣ר תֹּאכֵ֑לוּ שׁ֕וֹר שֵׂ֥ה כְשָׂבִ֖ים וְ/שֵׂ֥ה עִזִּֽים׃
STATEN

Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;

5
אַיָּ֥ל וּ/צְבִ֖י וְ/יַחְמ֑וּר וְ/אַקּ֥וֹ וְ/דִישֹׁ֖ן וּ/תְא֥וֹ וָ/זָֽמֶר׃
STATEN

Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.

6
וְ/כָל בְּהֵמָ֞ה מַפְרֶ֣סֶת פַּרְסָ֗ה וְ/שֹׁסַ֤עַת שֶׁ֨סַע֙ שְׁתֵּ֣י פְרָס֔וֹת מַעֲלַ֥ת גֵּרָ֖ה בַּ/בְּהֵמָ֑ה אֹתָ֖/הּ תֹּאכֵֽלוּ־׃
STATEN

Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.

7
אַ֣ךְ אֶת זֶ֞ה לֹ֤א תֹֽאכְלוּ֙ מִ/מַּֽעֲלֵ֣י הַ/גֵּרָ֔ה וּ/מִ/מַּפְרִיסֵ֥י הַ/פַּרְסָ֖ה הַ/שְּׁסוּעָ֑ה אֶֽת הַ֠/גָּמָל וְ/אֶת הָ/אַרְנֶ֨בֶת וְ/אֶת הַ/שָּׁפָ֜ן כִּֽי מַעֲלֵ֧ה גֵרָ֣ה הֵ֗מָּה וּ/פַרְסָה֙ לֹ֣א הִפְרִ֔יסוּ טְמֵאִ֥ים הֵ֖ם לָ/כֶֽם־־־־־׃
STATEN

Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.

8
וְ/אֶת הַ֠/חֲזִיר כִּֽי מַפְרִ֨יס פַּרְסָ֥ה הוּא֙ וְ/לֹ֣א גֵרָ֔ה טָמֵ֥א ה֖וּא לָ/כֶ֑ם מִ/בְּשָׂרָ/ם֙ לֹ֣א תֹאכֵ֔לוּ וּ/בְ/נִבְלָתָ֖/ם לֹ֥א תִגָּֽעוּ־־׃ס
STATEN

Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.

9
אֶת זֶה֙ תֹּֽאכְל֔וּ מִ/כֹּ֖ל אֲשֶׁ֣ר בַּ/מָּ֑יִם כֹּ֧ל אֲשֶׁר ל֛/וֹ סְנַפִּ֥יר וְ/קַשְׂקֶ֖שֶׂת תֹּאכֵֽלוּ־־׃
STATEN

Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.

10
וְ/כֹ֨ל אֲשֶׁ֧ר אֵֽין ל֛/וֹ סְנַפִּ֥יר וְ/קַשְׂקֶ֖שֶׂת לֹ֣א תֹאכֵ֑לוּ טָמֵ֥א ה֖וּא לָ/כֶֽם־׃ס
STATEN

Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.

11
כָּל צִפּ֥וֹר טְהֹרָ֖ה תֹּאכֵֽלוּ־׃
STATEN

Allen reinen vogel zult gij eten.

12
וְ/זֶ֕ה אֲשֶׁ֥ר לֹֽא תֹאכְל֖וּ מֵ/הֶ֑ם הַ/נֶּ֥שֶׁר וְ/הַ/פֶּ֖רֶס וְ/הָֽ/עָזְנִיָּֽה־׃
STATEN

Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 14

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 14 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →