Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 11

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/אָ֣הַבְתָּ֔ אֵ֖ת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ וְ/שָׁמַרְתָּ֣ מִשְׁמַרְתּ֗/וֹ וְ/חֻקֹּתָ֧י/ו וּ/מִשְׁפָּטָ֛י/ו וּ/מִצְוֺתָ֖י/ו כָּל הַ/יָּמִֽים־׃
STATEN

Daarom zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, en gij zult te alle dagen onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.

2
וִֽ/ידַעְתֶּם֮ הַ/יּוֹם֒ כִּ֣י לֹ֣א אֶת בְּנֵי/כֶ֗ם אֲשֶׁ֤ר לֹֽא יָדְעוּ֙ וַ/אֲשֶׁ֣ר לֹא רָא֔וּ אֶת מוּסַ֖ר יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/כֶ֑ם אֶת גָּדְל֕/וֹ אֶת יָד/וֹ֙ הַ/חֲזָקָ֔ה וּ/זְרֹע֖/וֹ הַ/נְּטוּיָֽה׀־־־־־־׃
STATEN

En gijlieden zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing des HEEREN, uws Gods, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekten arm;

3
וְ/אֶת אֹֽתֹתָי/ו֙ וְ/אֶֽת מַעֲשָׂ֔י/ו אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה בְּ/ת֣וֹךְ מִצְרָ֑יִם לְ/פַרְעֹ֥ה מֶֽלֶךְ מִצְרַ֖יִם וּ/לְ/כָל אַרְצֽ/וֹ־־־־׃
STATEN

Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Faraö, den koning van Egypte, en aan zijn ganse land;

4
וַ/אֲשֶׁ֣ר עָשָׂה֩ לְ/חֵ֨יל מִצְרַ֜יִם לְ/סוּסָ֣י/ו וּ/לְ/רִכְבּ֗/וֹ אֲשֶׁ֨ר הֵצִ֜יף אֶת מֵ֤י יַם סוּף֙ עַל פְּנֵי/הֶ֔ם בְּ/רָדְפָ֖/ם אַחֲרֵי/כֶ֑ם וַ/יְאַבְּדֵ֣/ם יְהוָ֔ה עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־׃
STATEN

En wat Hij gedaan heeft aan het heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan deszelfs wagenen; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij ulieden van achteren vervolgden; en de HEERE verdeed hen, tot op dezen dag.

5
וַ/אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֛ה לָ/כֶ֖ם בַּ/מִּדְבָּ֑ר עַד בֹּאֲ/כֶ֖ם עַד הַ/מָּק֥וֹם הַ/זֶּֽה־־׃
STATEN

En wat Hij ulieden gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.

6
וַ/אֲשֶׁ֨ר עָשָׂ֜ה לְ/דָתָ֣ן וְ/לַ/אֲבִירָ֗ם בְּנֵ֣י אֱלִיאָב֮ בֶּן רְאוּבֵן֒ אֲשֶׁ֨ר פָּצְתָ֤ה הָ/אָ֨רֶץ֙ אֶת פִּ֔י/הָ וַ/תִּבְלָעֵ֥/ם וְ/אֶת בָּתֵּי/הֶ֖ם וְ/אֶת אָהֳלֵי/הֶ֑ם וְ/אֵ֤ת כָּל הַ/יְקוּם֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/רַגְלֵי/הֶ֔ם בְּ/קֶ֖רֶב כָּל יִשְׂרָאֵֽל־־־־־־׃
STATEN

Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abíram, zonen van Elíab, den zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van gans Israël.

7
כִּ֤י עֵֽינֵי/כֶם֙ הָֽ/רֹאֹ֔ת אֶת כָּל מַעֲשֵׂ֥ה יְהוָ֖ה הַ/גָּדֹ֑ל אֲשֶׁ֖ר עָשָֽׂה־־׃
STATEN

Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk des HEEREN, dat Hij gedaan heeft.

8
וּ/שְׁמַרְתֶּם֙ אֶת כָּל הַ/מִּצְוָ֔ה אֲשֶׁ֛ר אָנֹכִ֥י מְצַוְּ/ךָ֖ הַ/יּ֑וֹם לְמַ֣עַן תֶּחֶזְק֗וּ וּ/בָאתֶם֙ וִֽ/ירִשְׁתֶּ֣ם אֶת הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֥ר אַתֶּ֛ם עֹבְרִ֥ים שָׁ֖מָּ/ה לְ/רִשְׁתָּֽ/הּ־־־׃
STATEN

Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebiede; opdat gij gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven;

9
וּ/לְמַ֨עַן תַּאֲרִ֤יכוּ יָמִים֙ עַל הָ֣/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁר֩ נִשְׁבַּ֨ע יְהוָ֧ה לַ/אֲבֹתֵי/כֶ֛ם לָ/תֵ֥ת לָ/הֶ֖ם וּ/לְ/זַרְעָ֑/ם אֶ֛רֶץ זָבַ֥ת חָלָ֖ב וּ/דְבָֽשׁ־׃ס
STATEN

En opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honig.

10
כִּ֣י הָ/אָ֗רֶץ אֲשֶׁ֨ר אַתָּ֤ה בָא שָׁ֨מָּ/ה֙ לְ/רִשְׁתָּ֔/הּ לֹ֣א כְ/אֶ֤רֶץ מִצְרַ֨יִם֙ הִ֔וא אֲשֶׁ֥ר יְצָאתֶ֖ם מִ/שָּׁ֑ם אֲשֶׁ֤ר תִּזְרַע֙ אֶֽת זַרְעֲ/ךָ֔ וְ/הִשְׁקִ֥יתָ בְ/רַגְלְ/ךָ֖ כְּ/גַ֥ן הַ/יָּרָֽק־־׃
STATEN

Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk gij bezaaidet met uw zaad, en bewaterdet met uw gang, als een kruidhof.

11
וְ/הָ/אָ֗רֶץ אֲשֶׁ֨ר אַתֶּ֜ם עֹבְרִ֥ים שָׁ֨מָּ/ה֙ לְ/רִשְׁתָּ֔/הּ אֶ֥רֶץ הָרִ֖ים וּ/בְקָעֹ֑ת לִ/מְטַ֥ר הַ/שָּׁמַ֖יִם תִּשְׁתֶּה מָּֽיִם־׃
STATEN

Maar het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij den regen des hemels;

12
אֶ֕רֶץ אֲשֶׁר יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖י/ךָ דֹּרֵ֣שׁ אֹתָ֑/הּ תָּמִ֗יד עֵינֵ֨י יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ בָּ֔/הּ מֵֽ/רֵשִׁית֙ הַ/שָּׁנָ֔ה וְ/עַ֖ד אַחֲרִ֥ית שָׁנָֽה־׃ס
STATEN

Een land, dat de HEERE, uw God, bezorgt; de ogen des HEEREN, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 11

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 11 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →