Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 6

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/זֹ֣את הַ/מִּצְוָ֗ה הַֽ/חֻקִּים֙ וְ/הַ/מִּשְׁפָּטִ֔ים אֲשֶׁ֥ר צִוָּ֛ה יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶ֖ם לְ/לַמֵּ֣ד אֶתְ/כֶ֑ם לַ/עֲשׂ֣וֹת בָּ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֥ר אַתֶּ֛ם עֹבְרִ֥ים שָׁ֖מָּ/ה לְ/רִשְׁתָּֽ/הּ׃
STATEN

Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en de rechten, die de HEERE, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten;

2
לְמַ֨עַן תִּירָ֜א אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ לִ֠/שְׁמֹר אֶת כָּל חֻקֹּתָ֣י/ו וּ/מִצְוֺתָי/ו֮ אֲשֶׁ֣ר אָנֹכִ֣י מְצַוֶּ/ךָ֒ אַתָּה֙ וּ/בִנְ/ךָ֣ וּ/בֶן בִּנְ/ךָ֔ כֹּ֖ל יְמֵ֣י חַיֶּ֑י/ךָ וּ/לְמַ֖עַן יַאֲרִכֻ֥/ן יָמֶֽי/ךָ־־־־׃
STATEN

Opdat gij den HEERE, uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.

3
וְ/שָׁמַעְתָּ֤ יִשְׂרָאֵל֙ וְ/שָׁמַרְתָּ֣ לַ/עֲשׂ֔וֹת אֲשֶׁר֙ יִיטַ֣ב לְ/ךָ֔ וַ/אֲשֶׁ֥ר תִּרְבּ֖וּ/ן מְאֹ֑ד כַּ/אֲשֶׁר֩ דִּבֶּ֨ר יְהוָ֜ה אֱלֹהֵ֤י אֲבֹתֶ֨י/ךָ֙ לָ֔/ךְ אֶ֛רֶץ זָבַ֥ת חָלָ֖ב וּ/דְבָֽשׁ׃פ
STATEN

Hoor dan, Israël! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigdet (gelijk als u de HEERE, uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.

4
שְׁמַ֖ יִשְׂרָאֵ֑ל יְהוָ֥ה אֱלֹהֵ֖י/נוּ יְהוָ֥ה אֶחָֽ׀׃
STATEN

Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!

5
וְ/אָ֣הַבְתָּ֔ אֵ֖ת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ בְּ/כָל לְבָבְ/ךָ֥ וּ/בְ/כָל נַפְשְׁ/ךָ֖ וּ/בְ/כָל מְאֹדֶֽ/ךָ־־־׃
STATEN

Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.

6
וְ/הָי֞וּ הַ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֗לֶּה אֲשֶׁ֨ר אָנֹכִ֧י מְצַוְּ/ךָ֛ הַ/יּ֖וֹם עַל לְבָבֶֽ/ךָ־׃
STATEN

En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.

7
וְ/שִׁנַּנְתָּ֣/ם לְ/בָנֶ֔י/ךָ וְ/דִבַּרְתָּ֖ בָּ֑/ם בְּ/שִׁבְתְּ/ךָ֤ בְּ/בֵיתֶ֨/ךָ֙ וּ/בְ/לֶכְתְּ/ךָ֣ בַ/דֶּ֔רֶךְ וּֽ/בְ/שָׁכְבְּ/ךָ֖ וּ/בְ/קוּמֶֽ/ךָ׃
STATEN

En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.

8
וּ/קְשַׁרְתָּ֥/ם לְ/א֖וֹת עַל יָדֶ֑/ךָ וְ/הָי֥וּ לְ/טֹטָפֹ֖ת בֵּ֥ין עֵינֶֽי/ךָ־׃
STATEN

Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.

9
וּ/כְתַבְתָּ֛/ם עַל מְזוּזֹ֥ת בֵּיתֶ֖/ךָ וּ/בִ/שְׁעָרֶֽי/ךָ־׃ס
STATEN

En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.

10
וְ/הָיָ֞ה כִּ֥י יְבִיאֲ/ךָ֣ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ אֶל הָ/אָ֜רֶץ אֲשֶׁ֨ר נִשְׁבַּ֧ע לַ/אֲבֹתֶ֛י/ךָ לְ/אַבְרָהָ֛ם לְ/יִצְחָ֥ק וּֽ/לְ/יַעֲקֹ֖ב לָ֣/תֶת לָ֑/ךְ עָרִ֛ים גְּדֹלֹ֥ת וְ/טֹבֹ֖ת אֲשֶׁ֥ר לֹא בָנִֽיתָ׀־־׃
STATEN

Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt,

11
וּ/בָ֨תִּ֜ים מְלֵאִ֣ים כָּל טוּב֮ אֲשֶׁ֣ר לֹא מִלֵּאתָ֒ וּ/בֹרֹ֤ת חֲצוּבִים֙ אֲשֶׁ֣ר לֹא חָצַ֔בְתָּ כְּרָמִ֥ים וְ/זֵיתִ֖ים אֲשֶׁ֣ר לֹא נָטָ֑עְתָּ וְ/אָכַלְתָּ֖ וְ/שָׂבָֽעְתָּ־־־־׃
STATEN

En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;

12
הִשָּׁ֣מֶר לְ/ךָ֔ פֶּן תִּשְׁכַּ֖ח אֶת יְהוָ֑ה אֲשֶׁ֧ר הוֹצִֽיאֲ/ךָ֛ מֵ/אֶ֥רֶץ מִצְרַ֖יִם מִ/בֵּ֥ית עֲבָדִֽים־־׃
STATEN

Zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 6

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →