TORAH

Deuteronomium 19

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
1
כִּֽי יַכְרִ֞ית יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ אֶת הַ/גּוֹיִ֔ם אֲשֶׁר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ נֹתֵ֥ן לְ/ךָ֖ אֶת אַרְצָ֑/ם וִֽ/ירִשְׁתָּ֕/ם וְ/יָשַׁבְתָּ֥ בְ/עָרֵי/הֶ֖ם וּ/בְ/בָתֵּי/הֶֽם
STATEN

Wanneer de HEERE, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, welker land de HEERE, uw God, u geven zal, en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen;

2
שָׁל֥וֹשׁ עָרִ֖ים תַּבְדִּ֣יל לָ֑/ךְ בְּ/ת֣וֹךְ אַרְצְ/ךָ֔ אֲשֶׁר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ נֹתֵ֥ן לְ/ךָ֖ לְ/רִשְׁתָּֽ/הּ
STATEN

Zo zult gij u drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, hetwelk de HEERE, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten.

3
תָּכִ֣ין לְ/ךָ֮ הַ/דֶּרֶךְ֒ וְ/שִׁלַּשְׁתָּ֙ אֶת גְּב֣וּל אַרְצְ/ךָ֔ אֲשֶׁ֥ר יַנְחִֽילְ/ךָ֖ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ וְ/הָיָ֕ה לָ/נ֥וּס שָׁ֖מָּ/ה כָּל רֹצֵֽחַ
STATEN

Gij zult u den weg bereiden, en de pale uws lands, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven, in drieën delen; dit nu zal zijn, opdat ieder doodslager daarhenen vliede.

4
וְ/זֶה֙ דְּבַ֣ר הָ/רֹצֵ֔חַ אֲשֶׁר יָנ֥וּס שָׁ֖מָּ/ה וָ/חָ֑י אֲשֶׁ֨ר יַכֶּ֤ה אֶת רֵעֵ֨/הוּ֙ בִּ/בְלִי דַ֔עַת וְ/ה֛וּא לֹא שֹׂנֵ֥א ל֖/וֹ מִ/תְּמֹ֥ל שִׁלְשֹֽׁם
STATEN

En dit zij de zaak des doodslagers, die daarhenen vlieden zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, dien hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte;

5
וַ/אֲשֶׁר֩ יָבֹ֨א אֶת רֵעֵ֥/הוּ בַ/יַּעַר֮ לַ/חְטֹ֣ב עֵצִים֒ וְ/נִדְּחָ֨ה יָד֤/וֹ בַ/גַּרְזֶן֙ לִ/כְרֹ֣ת הָ/עֵ֔ץ וְ/נָשַׁ֤ל הַ/בַּרְזֶל֙ מִן הָ/עֵ֔ץ וּ/מָצָ֥א אֶת רֵעֵ֖/הוּ וָ/מֵ֑ת ה֗וּא יָנ֛וּס אֶל אַחַ֥ת הֶ/עָרִים הָ/אֵ֖לֶּה וָ/חָֽי
STATEN

Als, dewelke met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van den steel, en treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in een dezer steden vluchten en leven;

6
פֶּן יִרְדֹּף֩ גֹּאֵ֨ל הַ/דָּ֜ם אַחֲרֵ֣י הָ/רֹצֵ֗חַ כִּי יֵחַם֮ לְבָב/וֹ֒ וְ/הִשִּׂיג֛/וֹ כִּֽי יִרְבֶּ֥ה הַ/דֶּ֖רֶךְ וְ/הִכָּ֣ה/וּ נָ֑פֶשׁ וְ/ל/וֹ֙ אֵ֣ין מִשְׁפַּט מָ֔וֶת כִּ֠י לֹ֣א שֹׂנֵ֥א ה֛וּא ל֖/וֹ מִ/תְּמ֥וֹל שִׁלְשֽׁוֹם
STATEN

Opdat de bloedwreker den doodslager niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel des doods aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.

7
עַל כֵּ֛ן אָנֹכִ֥י מְצַוְּ/ךָ֖ לֵ/אמֹ֑ר שָׁלֹ֥שׁ עָרִ֖ים תַּבְדִּ֥יל לָֽ/ךְ
STATEN

Daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult u drie steden uitscheiden.

8
וְ/אִם יַרְחִ֞יב יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ אֶת גְּבֻ֣לְ/ךָ֔ כַּ/אֲשֶׁ֥ר נִשְׁבַּ֖ע לַ/אֲבֹתֶ֑י/ךָ וְ/נָ֤תַן לְ/ךָ֙ אֶת כָּל הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֥ר דִּבֶּ֖ר לָ/תֵ֥ת לַ/אֲבֹתֶֽי/ךָ
STATEN

En indien de HEERE, uw God, uw landpale zal verwijden, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, hetwelk Hij uw vaderen te geven gesproken heeft;

9
כִּֽי תִשְׁמֹר֩ אֶת כָּל הַ/מִּצְוָ֨ה הַ/זֹּ֜את לַ/עֲשֹׂתָ֗/הּ אֲשֶׁ֨ר אָנֹכִ֣י מְצַוְּ/ךָ֮ הַ/יּוֹם֒ לְ/אַהֲבָ֞ה אֶת יְהוָ֧ה אֱלֹהֶ֛י/ךָ וְ/לָ/לֶ֥כֶת בִּ/דְרָכָ֖י/ו כָּל הַ/יָּמִ֑ים וְ/יָסַפְתָּ֨ לְ/ךָ֥ עוֹד֙ שָׁלֹ֣שׁ עָרִ֔ים עַ֖ל הַ/שָּׁלֹ֥שׁ הָ/אֵֽלֶּה
STATEN

(Wanneer gij al ditzelve gebod zult waarnemen, om dat te doen, hetgeen ik u heden gebiede, den HEERE, uw God, liefhebbende, en alle dagen in Zijn wegen wandelende) zo zult gij u nog drie steden toedoen tot deze drie;

10
וְ/לֹ֤א יִשָּׁפֵךְ֙ דָּ֣ם נָקִ֔י בְּ/קֶ֣רֶב אַרְצְ/ךָ֔ אֲשֶׁר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ נֹתֵ֥ן לְ/ךָ֖ נַחֲלָ֑ה וְ/הָיָ֥ה עָלֶ֖י/ךָ דָּמִֽים
STATEN

Opdat het bloed des onschuldigen niet vergoten worde in het midden van uw land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft, en bloedschulden op u zouden zijn.

11
וְ/כִֽי יִהְיֶ֥ה אִישׁ֙ שֹׂנֵ֣א לְ/רֵעֵ֔/הוּ וְ/אָ֤רַב ל/וֹ֙ וְ/קָ֣ם עָלָ֔י/ו וְ/הִכָּ֥ה/וּ נֶ֖פֶשׁ וָ/מֵ֑ת וְ/נָ֕ס אֶל אַחַ֖ת הֶ/עָרִ֥ים הָ/אֵֽל
STATEN

Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem lagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vliedt tot een van die steden;

12
וְ/שָֽׁלְחוּ֙ זִקְנֵ֣י עִיר֔/וֹ וְ/לָקְח֥וּ אֹת֖/וֹ מִ/שָּׁ֑ם וְ/נָתְנ֣וּ אֹת֗/וֹ בְּ/יַ֛ד גֹּאֵ֥ל הַ/דָּ֖ם וָ/מֵֽת
STATEN

Zo zullen de oudsten zijner stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve.

13
לֹא תָח֥וֹס עֵֽינְ/ךָ֖ עָלָ֑י/ו וּ/בִֽעַרְתָּ֧ דַֽם הַ/נָּקִ֛י מִ/יִּשְׂרָאֵ֖ל וְ/ט֥וֹב לָֽ/ךְ
STATEN

Uw oog zal hem niet verschonen; maar gij zult het bloed des onschuldigen uit Israël wegdoen, dat het u welga.

14
לֹ֤א תַסִּיג֙ גְּב֣וּל רֵֽעֲ/ךָ֔ אֲשֶׁ֥ר גָּבְל֖וּ רִאשֹׁנִ֑ים בְּ/נַחֲלָֽתְ/ךָ֙ אֲשֶׁ֣ר תִּנְחַ֔ל בָּ/אָ֕רֶץ אֲשֶׁר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ נֹתֵ֥ן לְ/ךָ֖ לְ/רִשְׁתָּֽ/הּ
STATEN

Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, hetwelk u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.

15
לֹֽא יָקוּם֩ עֵ֨ד אֶחָ֜ד בְּ/אִ֗ישׁ לְ/כָל עָוֺן֙ וּ/לְ/כָל חַטָּ֔את בְּ/כָל חֵ֖טְא אֲשֶׁ֣ר יֶֽחֱטָ֑א עַל פִּ֣י שְׁנֵ֣י עֵדִ֗ים א֛וֹ עַל פִּ֥י שְׁלֹשָֽׁה עֵדִ֖ים יָק֥וּם דָּבָֽר
STATEN

Eén enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op den mond van twee getuigen, of op den mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.

16
כִּֽי יָק֥וּם עֵד חָמָ֖ס בְּ/אִ֑ישׁ לַ/עֲנ֥וֹת בּ֖/וֹ סָרָֽה
STATEN

Wanneer een wrevelige getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen;

17
וְ/עָמְד֧וּ שְׁנֵֽי הָ/אֲנָשִׁ֛ים אֲשֶׁר לָ/הֶ֥ם הָ/רִ֖יב לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה לִ/פְנֵ֤י הַ/כֹּֽהֲנִים֙ וְ/הַ/שֹּׁ֣פְטִ֔ים אֲשֶׁ֥ר יִהְי֖וּ בַּ/יָּמִ֥ים הָ/הֵֽם
STATEN

Zo zullen die twee mannen, welke den twist hebben, staan voor het aangezicht des HEEREN, voor het aangezicht der priesters, en der rechters, die in diezelve dagen zullen zijn.

18
וְ/דָרְשׁ֥וּ הַ/שֹּׁפְטִ֖ים הֵיטֵ֑ב וְ/הִנֵּ֤ה עֵֽד שֶׁ֨קֶר֙ הָ/עֵ֔ד שֶׁ֖קֶר עָנָ֥ה בְ/אָחִֽי/ו
STATEN

En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broeder;

19
וַ/עֲשִׂ֣יתֶם ל֔/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֥ר זָמַ֖ם לַ/עֲשׂ֣וֹת לְ/אָחִ֑י/ו וּ/בִֽעַרְתָּ֥ הָ/רָ֖ע מִ/קִּרְבֶּֽ/ךָ
STATEN

Zo zult gijlieden hem doen, gelijk als hij zijn broeder dacht te doen; alzo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen;

20
וְ/הַ/נִּשְׁאָרִ֖ים יִשְׁמְע֣וּ וְ/יִרָ֑אוּ וְ/לֹֽא יֹסִ֨פוּ לַ/עֲשׂ֜וֹת ע֗וֹד כַּ/דָּבָ֥ר הָ/רָ֛ע הַ/זֶּ֖ה בְּ/קִרְבֶּֽ/ךָ
STATEN

Dat de overgeblevenen het horen en vrezen, en niet voortvaren meer te doen naar dit boze stuk, in het midden van u.

21
וְ/לֹ֥א תָח֖וֹס עֵינֶ֑/ךָ נֶ֣פֶשׁ בְּ/נֶ֗פֶשׁ עַ֤יִן בְּ/עַ֨יִן֙ שֵׁ֣ן בְּ/שֵׁ֔ן יָ֥ד בְּ/יָ֖ד רֶ֥גֶל בְּ/רָֽגֶל
STATEN

En uw oog zal niet verschonen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.