Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 8

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
כָּל הַ/מִּצְוָ֗ה אֲשֶׁ֨ר אָנֹכִ֧י מְצַוְּ/ךָ֛ הַ/יּ֖וֹם תִּשְׁמְר֣וּ/ן לַ/עֲשׂ֑וֹת לְמַ֨עַן תִּֽחְי֜וּ/ן וּ/רְבִיתֶ֗ם וּ/בָאתֶם֙ וִֽ/ירִשְׁתֶּ֣ם אֶת הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּ֥ע יְהוָ֖ה לַ/אֲבֹתֵי/כֶֽם־־־׃
STATEN

Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat de HEERE aan uw vaderen gezworen heeft.

2
וְ/זָכַרְתָּ֣ אֶת כָּל הַ/דֶּ֗רֶךְ אֲשֶׁ֨ר הֹלִֽיכֲ/ךָ֜ יְהוָ֧ה אֱלֹהֶ֛י/ךָ זֶ֛ה אַרְבָּעִ֥ים שָׁנָ֖ה בַּ/מִּדְבָּ֑ר לְמַ֨עַן עַנֹּֽתְ/ךָ֜ לְ/נַסֹּֽתְ/ךָ֗ לָ/דַ֜עַת אֶת אֲשֶׁ֧ר בִּֽ/לְבָבְ/ךָ֛ הֲ/תִשְׁמֹ֥ר מצות/ו אִם לֹֽא־־־־׃ מִצְוֺתָ֖י/ו
STATEN

En gij zult gedenken aan al den weg, dien u de HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.

3
וַֽ/יְעַנְּ/ךָ֮ וַ/יַּרְעִבֶ/ךָ֒ וַ/יַּֽאֲכִֽלְ/ךָ֤ אֶת הַ/מָּן֙ אֲשֶׁ֣ר לֹא יָדַ֔עְתָּ וְ/לֹ֥א יָדְע֖וּ/ן אֲבֹתֶ֑י/ךָ לְמַ֣עַן הוֹדִֽעֲ/ךָ֗ כִּ֠י לֹ֣א עַל הַ/לֶּ֤חֶם לְ/בַדּ/וֹ֙ יִחְיֶ֣ה הָֽ/אָדָ֔ם כִּ֛י עַל כָּל מוֹצָ֥א פִֽי יְהוָ֖ה יִחְיֶ֥ה הָ/אָדָֽם־־־־־׃
STATEN

En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat.

4
שִׂמְלָ֨תְ/ךָ֜ לֹ֤א בָֽלְתָה֙ מֵֽ/עָלֶ֔י/ךָ וְ/רַגְלְ/ךָ֖ לֹ֣א בָצֵ֑קָה זֶ֖ה אַרְבָּעִ֥ים שָׁנָֽה׃
STATEN

Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren.

5
וְ/יָדַעְתָּ֖ עִם לְבָבֶ֑/ךָ כִּ֗י כַּ/אֲשֶׁ֨ר יְיַסֵּ֥ר אִישׁ֙ אֶת בְּנ֔/וֹ יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖י/ךָ מְיַסְּרֶֽ/ךָּ־־׃
STATEN

Bekent dan in uw hart, dat de HEERE, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt.

6
וְ/שָׁ֣מַרְתָּ֔ אֶת מִצְוֺ֖ת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ לָ/לֶ֥כֶת בִּ/דְרָכָ֖י/ו וּ/לְ/יִרְאָ֥ה אֹתֽ/וֹ־׃
STATEN

En houdt de geboden des HEEREN, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.

7
כִּ֚י יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ מְבִֽיאֲ/ךָ֖ אֶל אֶ֣רֶץ טוֹבָ֑ה אֶ֚רֶץ נַ֣חֲלֵי מָ֔יִם עֲיָנֹת֙ וּ/תְהֹמֹ֔ת יֹצְאִ֥ים בַּ/בִּקְעָ֖ה וּ/בָ/הָֽר־׃
STATEN

Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;

8
אֶ֤רֶץ חִטָּה֙ וּ/שְׂעֹרָ֔ה וְ/גֶ֥פֶן וּ/תְאֵנָ֖ה וְ/רִמּ֑וֹן אֶֽרֶץ זֵ֥ית שֶׁ֖מֶן וּ/דְבָֽשׁ־׃
STATEN

Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig;

9
אֶ֗רֶץ אֲשֶׁ֨ר לֹ֤א בְ/מִסְכֵּנֻת֙ תֹּֽאכַל בָּ֣/הּ לֶ֔חֶם לֹֽא תֶחְסַ֥ר כֹּ֖ל בָּ֑/הּ אֶ֚רֶץ אֲשֶׁ֣ר אֲבָנֶ֣י/הָ בַרְזֶ֔ל וּ/מֵ/הֲרָרֶ֖י/הָ תַּחְצֹ֥ב נְחֹֽשֶׁת־־׃
STATEN

Een land, waarin gij brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.

10
וְ/אָכַלְתָּ֖ וְ/שָׂבָ֑עְתָּ וּ/בֵֽרַכְתָּ֙ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ עַל הָ/אָ֥רֶץ הַ/טֹּבָ֖ה אֲשֶׁ֥ר נָֽתַן לָֽ/ךְ־־־׃
STATEN

Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult gij den HEERE, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.

11
הִשָּׁ֣מֶר לְ/ךָ֔ פֶּן תִּשְׁכַּ֖ח אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ לְ/בִלְתִּ֨י שְׁמֹ֤ר מִצְוֺתָי/ו֙ וּ/מִשְׁפָּטָ֣י/ו וְ/חֻקֹּתָ֔י/ו אֲשֶׁ֛ר אָנֹכִ֥י מְצַוְּ/ךָ֖ הַ/יּֽוֹם־־׃
STATEN

Wacht u, dat gij den HEERE, uw God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede;

12
פֶּן תֹּאכַ֖ל וְ/שָׂבָ֑עְתָּ וּ/בָתִּ֥ים טוֹבִ֛ים תִּבְנֶ֖ה וְ/יָשָֽׁבְתָּ־׃
STATEN

Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen,

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 8

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →