Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 33

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/זֹ֣את הַ/בְּרָכָ֗ה אֲשֶׁ֨ר בֵּרַ֥ךְ מֹשֶׁ֛ה אִ֥ישׁ הָ/אֱלֹהִ֖ים אֶת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל לִ/פְנֵ֖י מוֹתֽ/וֹ־׃
STATEN

Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israëls gezegend heeft, vóór zijn dood.

2
וַ/יֹּאמַ֗ר יְהוָ֞ה מִ/סִּינַ֥י בָּא֙ וְ/זָרַ֤ח מִ/שֵּׂעִיר֙ לָ֔/מוֹ הוֹפִ֨יעַ֙ מֵ/הַ֣ר פָּארָ֔ן וְ/אָתָ֖ה מֵ/רִבְבֹ֣ת קֹ֑דֶשׁ מִֽ/ימִינ֕/וֹ אשדת לָֽ/מוֹ אֵ֥שׁ דָּ֖ת׃
STATEN

Hij zeide dan: De HEERE is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden der heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.

3
אַ֚ף חֹבֵ֣ב עַמִּ֔ים כָּל קְדֹשָׁ֖י/ו בְּ/יָדֶ֑/ךָ וְ/הֵם֙ תֻּכּ֣וּ לְ/רַגְלֶ֔/ךָ יִשָּׂ֖א מִ/דַּבְּרֹתֶֽי/ךָ־׃
STATEN

Immers bemint Hij de volken! Al Zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden.

4
תּוֹרָ֥ה צִוָּה לָ֖/נוּ מֹשֶׁ֑ה מוֹרָשָׁ֖ה קְהִלַּ֥ת יַעֲקֹֽב־׃
STATEN

Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis van Jakobs gemeente;

5
וַ/יְהִ֥י בִ/ישֻׁר֖וּן מֶ֑לֶךְ בְּ/הִתְאַסֵּף֙ רָ֣אשֵׁי עָ֔ם יַ֖חַד שִׁבְטֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל׃
STATEN

En Hij was Koning in Jeschurun, als de hoofden des volks zich vergaderden, samen met de stammen Israëls.

6
יְחִ֥י רְאוּבֵ֖ן וְ/אַל יָמֹ֑ת וִ/יהִ֥י מְתָ֖י/ו מִסְפָּֽר־׃ס
STATEN

Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn!

7
וְ/זֹ֣את לִֽ/יהוּדָה֮ וַ/יֹּאמַר֒ שְׁמַ֤ע יְהוָה֙ ק֣וֹל יְהוּדָ֔ה וְ/אֶל עַמּ֖/וֹ תְּבִיאֶ֑/נּוּ יָדָי/ו֙ רָ֣ב ל֔/וֹ וְ/עֵ֥זֶר מִ/צָּרָ֖י/ו תִּהְיֶֽה־׃ס
STATEN

En dit is van Juda, dat hij zeide: Hoor, HEERE! de stem van Juda! en breng hem weder tot zijn volk; zijn handen moeten hem genoegzaam zijn, en zijt Gij hem een Hulp tegen zijn vijanden!

8
וּ/לְ/לֵוִ֣י אָמַ֔ר תֻּמֶּ֥י/ךָ וְ/אוּרֶ֖י/ךָ לְ/אִ֣ישׁ חֲסִידֶ֑/ךָ אֲשֶׁ֤ר נִסִּית/וֹ֙ בְּ/מַסָּ֔ה תְּרִיבֵ֖/הוּ עַל מֵ֥י מְרִיבָֽה־׃
STATEN

En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot; dien Gij verzocht hebt in Massa, met welken Gij getwist hebt aan de wateren van Meríba.

9
הָ/אֹמֵ֞ר לְ/אָבִ֤י/ו וּ/לְ/אִמּ/וֹ֙ לֹ֣א רְאִיתִ֔י/ו וְ/אֶת אֶחָי/ו֙ לֹ֣א הִכִּ֔יר וְ/אֶת בנ/ו לֹ֣א יָדָ֑ע כִּ֤י שָֽׁמְרוּ֙ אִמְרָתֶ֔/ךָ וּ/בְרִֽיתְ/ךָ֖ יִנְצֹֽרוּ־־׃ בָּנָ֖י/ו
STATEN

Die tot zijn vader en tot zijn moeder zeide: Ik zie hem niet; en die zijn broederen niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.

10
יוֹר֤וּ מִשְׁפָּטֶ֨י/ךָ֙ לְ/יַעֲקֹ֔ב וְ/תוֹרָתְ/ךָ֖ לְ/יִשְׂרָאֵ֑ל יָשִׂ֤ימוּ קְטוֹרָה֙ בְּ/אַפֶּ֔/ךָ וְ/כָלִ֖יל עַֽל מִזְבְּחֶֽ/ךָ־׃
STATEN

Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat gans verteerd zal worden, op Uw altaar.

11
בָּרֵ֤ךְ יְהוָה֙ חֵיל֔/וֹ וּ/פֹ֥עַל יָדָ֖י/ו תִּרְצֶ֑ה מְחַ֨ץ מָתְנַ֧יִם קָמָ֛י/ו וּ/מְשַׂנְאָ֖י/ו מִן יְקוּמֽוּ/ן־׃ס
STATEN

Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!

12
לְ/בִנְיָמִ֣ן אָמַ֔ר יְדִ֣יד יְהֹוָ֔ה יִשְׁכֹּ֥ן לָ/בֶ֖טַח עָלָ֑י/ו חֹפֵ֤ף עָלָי/ו֙ כָּל הַ/יּ֔וֹם וּ/בֵ֥ין כְּתֵיפָ֖י/ו שָׁכֵֽן־׃ס
STATEN

En van Benjamin zeide hij: De beminde des HEEREN, hij zal zeker bij Hem wonen. Hij zal hem den gansen dag overdekken, en tussen Zijn schouders zal hij wonen!

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 33

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 33 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →