Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 21

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
כִּי יִמָּצֵ֣א חָלָ֗ל בָּ/אֲדָמָה֙ אֲשֶׁר֩ יְהוָ֨ה אֱלֹהֶ֜י/ךָ נֹתֵ֤ן לְ/ךָ֙ לְ/רִשְׁתָּ֔/הּ נֹפֵ֖ל בַּ/שָּׂדֶ֑ה לֹ֥א נוֹדַ֖ע מִ֥י הִכָּֽה/וּ־׃
STATEN

Wanneer in het land, hetwelk de HEERE, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft;

2
וְ/יָצְא֥וּ זְקֵנֶ֖י/ךָ וְ/שֹׁפְטֶ֑י/ךָ וּ/מָדְדוּ֙ אֶל הֶ֣/עָרִ֔ים אֲשֶׁ֖ר סְבִיבֹ֥ת הֶ/חָלָֽל־׃
STATEN

Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom den verslagene zijn.

3
וְ/הָיָ֣ה הָ/עִ֔יר הַ/קְּרֹבָ֖ה אֶל הֶ/חָלָ֑ל וְ/לָֽקְח֡וּ זִקְנֵי֩ הָ/עִ֨יר הַ/הִ֜וא עֶגְלַ֣ת בָּקָ֗ר אֲשֶׁ֤ר לֹֽא עֻבַּד֙ בָּ֔/הּ אֲשֶׁ֥ר לֹא מָשְׁכָ֖ה בְּ/עֹֽל־־־׃
STATEN

De stad nu, die de naaste zal zijn aan den verslagene, daar zullen de oudsten derzelver stad een jonge koe van de runderen nemen, met dewelke niet gearbeid is, die aan het juk niet getrokken heeft.

4
וְ/הוֹרִ֡דוּ זִקְנֵי֩ הָ/עִ֨יר הַ/הִ֤וא אֶת הָֽ/עֶגְלָה֙ אֶל נַ֣חַל אֵיתָ֔ן אֲשֶׁ֛ר לֹא יֵעָבֵ֥ד בּ֖/וֹ וְ/לֹ֣א יִזָּרֵ֑עַ וְ/עָֽרְפוּ שָׁ֥ם אֶת הָ/עֶגְלָ֖ה בַּ/נָּֽחַל־־־־־׃
STATEN

En de oudsten derzelver stad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe aldaar in het dal den nek doorhouwen.

5
וְ/נִגְּשׁ֣וּ הַ/כֹּהֲנִים֮ בְּנֵ֣י לֵוִי֒ כִּ֣י בָ֗/ם בָּחַ֞ר יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ לְ/שָׁ֣רְת֔/וֹ וּ/לְ/בָרֵ֖ךְ בְּ/שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה וְ/עַל פִּי/הֶ֥ם יִהְיֶ֖ה כָּל רִ֥יב וְ/כָל נָֽגַע־־־׃
STATEN

Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want de HEERE, uw God, heeft hen verkoren, om Hem te dienen, en om in des HEEREN Naam te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle plaag afgedaan worden.

6
וְ/כֹ֗ל זִקְנֵי֙ הָ/עִ֣יר הַ/הִ֔וא הַ/קְּרֹבִ֖ים אֶל הֶ/חָלָ֑ל יִרְחֲצוּ֙ אֶת יְדֵי/הֶ֔ם עַל הָ/עֶגְלָ֖ה הָ/עֲרוּפָ֥ה בַ/נָּֽחַל־־־׃
STATEN

En alle oudsten derzelver stad, die naast aan den verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is;

7
וְ/עָנ֖וּ וְ/אָמְר֑וּ יָדֵ֗י/נוּ לֹ֤א שפכה אֶת הַ/דָּ֣ם הַ/זֶּ֔ה וְ/עֵינֵ֖י/נוּ לֹ֥א רָאֽוּ שָֽׁפְכוּ֙־׃
STATEN

En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien;

8
כַּפֵּר֩ לְ/עַמְּ/ךָ֨ יִשְׂרָאֵ֤ל אֲשֶׁר פָּדִ֨יתָ֙ יְהוָ֔ה וְ/אַל תִּתֵּן֙ דָּ֣ם נָקִ֔י בְּ/קֶ֖רֶב עַמְּ/ךָ֣ יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/נִכַּפֵּ֥ר לָ/הֶ֖ם הַ/דָּֽם־־׃
STATEN

Wees genadig aan Uw volk Israël, dat Gij, o HEERE! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israël! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn.

9
וְ/אַתָּ֗ה תְּבַעֵ֛ר הַ/דָּ֥ם הַ/נָּקִ֖י מִ/קִּרְבֶּ֑/ךָ כִּֽי תַעֲשֶׂ֥ה הַ/יָּשָׁ֖ר בְּ/עֵינֵ֥י יְהוָֽה־׃ס
STATEN

Alzo zult gij het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want gij zult doen, wat recht is in de ogen des HEEREN.

10
כִּֽי תֵצֵ֥א לַ/מִּלְחָמָ֖ה עַל אֹיְבֶ֑י/ךָ וּ/נְתָנ֞/וֹ יְהוָ֧ה אֱלֹהֶ֛י/ךָ בְּ/יָדֶ֖/ךָ וְ/שָׁבִ֥יתָ שִׁבְיֽ/וֹ־־׃
STATEN

Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd tegen uw vijanden; en de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat gij hun gevangenen gevankelijk wegvoert;

11
וְ/רָאִיתָ֙ בַּ/שִּׁבְיָ֔ה אֵ֖שֶׁת יְפַת תֹּ֑אַר וְ/חָשַׁקְתָּ֣ בָ֔/הּ וְ/לָקַחְתָּ֥ לְ/ךָ֖ לְ/אִשָּֽׁה־׃
STATEN

En gij onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt;

12
וַ/הֲבֵאתָ֖/הּ אֶל תּ֣וֹךְ בֵּיתֶ֑/ךָ וְ/גִלְּחָה֙ אֶת רֹאשָׁ֔/הּ וְ/עָשְׂתָ֖ה אֶת צִפָּרְנֶֽי/הָ־־־׃
STATEN

Zo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagelen besnijden.

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 21

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 21 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →