Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 26

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/הָיָה֙ כִּֽי תָב֣וֹא אֶל הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ נֹתֵ֥ן לְ/ךָ֖ נַחֲלָ֑ה וִֽ/ירִשְׁתָּ֖/הּ וְ/יָשַׁ֥בְתָּ בָּֽ/הּ־־׃
STATEN

Voorts zal het geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;

2
וְ/לָקַחְתָּ֞ מֵ/רֵאשִׁ֣ית כָּל פְּרִ֣י הָ/אֲדָמָ֗ה אֲשֶׁ֨ר תָּבִ֧יא מֵֽ/אַרְצְ/ךָ֛ אֲשֶׁ֨ר יְהוָ֧ה אֱלֹהֶ֛י/ךָ נֹתֵ֥ן לָ֖/ךְ וְ/שַׂמְתָּ֣ בַ/טֶּ֑נֶא וְ/הָֽלַכְתָּ֙ אֶל הַ/מָּק֔וֹם אֲשֶׁ֤ר יִבְחַר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ לְ/שַׁכֵּ֥ן שְׁמ֖/וֹ שָֽׁם׀־־׃
STATEN

Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;

3
וּ/בָאתָ֙ אֶל הַ/כֹּהֵ֔ן אֲשֶׁ֥ר יִהְיֶ֖ה בַּ/יָּמִ֣ים הָ/הֵ֑ם וְ/אָמַרְתָּ֣ אֵלָ֗י/ו הִגַּ֤דְתִּי הַ/יּוֹם֙ לַ/יהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ כִּי בָ֨אתִי֙ אֶל הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֨ר נִשְׁבַּ֧ע יְהוָ֛ה לַ/אֲבֹתֵ֖י/נוּ לָ֥/תֶת לָֽ/נוּ־־־׃
STATEN

En gij zult komen tot den priester, dewelke in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor den HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk de HEERE onzen vaderen gezworen heeft ons te zullen geven.

4
וְ/לָקַ֧ח הַ/כֹּהֵ֛ן הַ/טֶּ֖נֶא מִ/יָּדֶ֑/ךָ וְ/הִ֨נִּיח֔/וֹ לִ/פְנֵ֕י מִזְבַּ֖ח יְהוָ֥ה אֱלֹהֶֽי/ךָ׃
STATEN

En de priester zal den korf van uw hand nemen, en hij zal dien voor het altaar des HEEREN, uws Gods, nederzetten.

5
וְ/עָנִ֨יתָ וְ/אָמַרְתָּ֜ לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ אֲרַמִּי֙ אֹבֵ֣ד אָבִ֔/י וַ/יֵּ֣רֶד מִצְרַ֔יְמָ/ה וַ/יָּ֥גָר שָׁ֖ם בִּ/מְתֵ֣י מְעָ֑ט וַֽ/יְהִי שָׁ֕ם לְ/ג֥וֹי גָּד֖וֹל עָצ֥וּם וָ/רָֽב׀־׃
STATEN

Dan zult gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.

6
וַ/יָּרֵ֧עוּ אֹתָ֛/נוּ הַ/מִּצְרִ֖ים וַ/יְעַנּ֑וּ/נוּ וַ/יִּתְּנ֥וּ עָלֵ֖י/נוּ עֲבֹדָ֥ה קָשָֽׁה׃
STATEN

Doch de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harden dienst op.

7
וַ/נִּצְעַ֕ק אֶל יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י אֲבֹתֵ֑י/נוּ וַ/יִּשְׁמַ֤ע יְהוָה֙ אֶת קֹלֵ֔/נוּ וַ/יַּ֧רְא אֶת עָנְיֵ֛/נוּ וְ/אֶת עֲמָלֵ֖/נוּ וְ/אֶת לַחֲצֵֽ/נוּ־־־־־׃
STATEN

Toen riepen wij tot den HEERE, den God onzer vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onzen arbeid, en onze onderdrukking.

8
וַ/יּוֹצִאֵ֤/נוּ יְהוָה֙ מִ/מִּצְרַ֔יִם בְּ/יָ֤ד חֲזָקָה֙ וּ/בִ/זְרֹ֣עַ נְטוּיָ֔ה וּ/בְ/מֹרָ֖א גָּדֹ֑ל וּ/בְ/אֹת֖וֹת וּ/בְ/מֹפְתִֽים׃
STATEN

En de HEERE voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door groten schrik, en door tekenen, en door wonderen.

9
וַ/יְבִאֵ֖/נוּ אֶל הַ/מָּק֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וַ/יִּתֶּן לָ֨/נוּ֙ אֶת הָ/אָ֣רֶץ הַ/זֹּ֔את אֶ֛רֶץ זָבַ֥ת חָלָ֖ב וּ/דְבָֽשׁ־־־׃
STATEN

En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig.

10
וְ/עַתָּ֗ה הִנֵּ֤ה הֵבֵ֨אתִי֙ אֶת רֵאשִׁית֙ פְּרִ֣י הָ/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁר נָתַ֥תָּה לִּ֖/י יְהוָ֑ה וְ/הִנַּחְתּ֗/וֹ לִ/פְנֵי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ וְ/הִֽשְׁתַּחֲוִ֔יתָ לִ/פְנֵ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֶֽי/ךָ־־׃
STATEN

En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, dat Gij, HEERE, mij gegeven hebt! Dan zult gij ze nederzetten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en zult u buigen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods;

11
וְ/שָׂמַחְתָּ֣ בְ/כָל הַ/טּ֗וֹב אֲשֶׁ֧ר נָֽתַן לְ/ךָ֛ יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖י/ךָ וּ/לְ/בֵיתֶ֑/ךָ אַתָּה֙ וְ/הַ/לֵּוִ֔י וְ/הַ/גֵּ֖ר אֲשֶׁ֥ר בְּ/קִרְבֶּֽ/ךָ־־׃ס
STATEN

En gij zult vrolijk zijn over al het goede, dat de HEERE, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; gij, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is.

12
כִּ֣י תְכַלֶּ֞ה לַ֠/עְשֵׂר אֶת כָּל מַעְשַׂ֧ר תְּבוּאָתְ/ךָ֛ בַּ/שָּׁנָ֥ה הַ/שְּׁלִישִׁ֖ת שְׁנַ֣ת הַֽ/מַּעֲשֵׂ֑ר וְ/נָתַתָּ֣ה לַ/לֵּוִ֗י לַ/גֵּר֙ לַ/יָּת֣וֹם וְ/לָֽ/אַלְמָנָ֔ה וְ/אָכְל֥וּ בִ/שְׁעָרֶ֖י/ךָ וְ/שָׂבֵֽעוּ־־׃
STATEN

Wanneer gij zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden; dan zult gij aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 26

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 26 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →