Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 29

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּקְרָ֥א מֹשֶׁ֛ה אֶל כָּל יִשְׂרָאֵ֖ל וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֑ם אַתֶּ֣ם רְאִיתֶ֗ם אֵ֣ת כָּל אֲשֶׁר֩ עָשָׂ֨ה יְהוָ֤ה לְ/עֵֽינֵי/כֶם֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם לְ/פַרְעֹ֥ה וּ/לְ/כָל עֲבָדָ֖י/ו וּ/לְ/כָל אַרְצֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN

Dit zijn de woorden des verbonds, dat de HEERE Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israëls, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb.

2
הַ/מַּסּוֹת֙ הַ/גְּדֹלֹ֔ת אֲשֶׁ֥ר רָא֖וּ עֵינֶ֑י/ךָ הָ/אֹתֹ֧ת וְ/הַ/מֹּפְתִ֛ים הַ/גְּדֹלִ֖ים הָ/הֵֽם׃
STATEN

En Mozes riep gans Israël, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan zijn land;

3
וְ/לֹֽא נָתַן֩ יְהוָ֨ה לָ/כֶ֥ם לֵב֙ לָ/דַ֔עַת וְ/עֵינַ֥יִם לִ/רְא֖וֹת וְ/אָזְנַ֣יִם לִ/שְׁמֹ֑עַ עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־׃
STATEN

De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, diezelve tekenen en grote wonderen.

4
וָ/אוֹלֵ֥ךְ אֶתְ/כֶ֛ם אַרְבָּעִ֥ים שָׁנָ֖ה בַּ/מִּדְבָּ֑ר לֹֽא בָל֤וּ שַׂלְמֹֽתֵי/כֶם֙ מֵ/עֲלֵי/כֶ֔ם וְ/נַֽעַלְ/ךָ֥ לֹֽא בָלְתָ֖ה מֵ/עַ֥ל רַגְלֶֽ/ךָ־־׃
STATEN

Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.

5
לֶ֚חֶם לֹ֣א אֲכַלְתֶּ֔ם וְ/יַ֥יִן וְ/שֵׁכָ֖ר לֹ֣א שְׁתִיתֶ֑ם לְמַ֨עַן֙ תֵּֽדְע֔וּ כִּ֛י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה אֱלֹהֵי/כֶֽם׃
STATEN

En Ik heb ulieden veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet.

6
וַ/תָּבֹ֖אוּ אֶל הַ/מָּק֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וַ/יֵּצֵ֣א סִיחֹ֣ן מֶֽלֶךְ חֶ֠שְׁבּוֹן וְ/ע֨וֹג מֶֽלֶךְ הַ/בָּשָׁ֧ן לִ/קְרָאתֵ֛/נוּ לַ/מִּלְחָמָ֖ה וַ/נַּכֵּֽ/ם־־־׃
STATEN

Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wistet, dat Ik de HEERE, uw God, ben.

7
וַ/נִּקַּח֙ אֶת אַרְצָ֔/ם וַ/נִּתְּנָ֣/הּ לְ/נַחֲלָ֔ה לָ/רֽאוּבֵנִ֖י וְ/לַ/גָּדִ֑י וְ/לַ/חֲצִ֖י שֵׁ֥בֶט הַֽ/מְנַשִּֽׁי־׃
STATEN

Toen gij nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.

8
וּ/שְׁמַרְתֶּ֗ם אֶת דִּבְרֵי֙ הַ/בְּרִ֣ית הַ/זֹּ֔את וַ/עֲשִׂיתֶ֖ם אֹתָ֑/ם לְמַ֣עַן תַּשְׂכִּ֔ילוּ אֵ֖ת כָּל אֲשֶׁ֥ר תַּעֲשֽׂוּ/ן־־׃פ
STATEN

En wij hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, mitsgaders aan den halven stam der Manassieten.

9
אַתֶּ֨ם נִצָּבִ֤ים הַ/יּוֹם֙ כֻּלְּ/כֶ֔ם לִ/פְנֵ֖י יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/כֶ֑ם רָאשֵׁי/כֶ֣ם שִׁבְטֵי/כֶ֗ם זִקְנֵי/כֶם֙ וְ/שֹׁ֣טְרֵי/כֶ֔ם כֹּ֖ל אִ֥ישׁ יִשְׂרָאֵֽל׃
STATEN

Houdt dan de woorden dezes verbonds, en doet ze; opdat gij verstandelijk handelt in alles, wat gij doen zult.

10
טַפְּ/כֶ֣ם נְשֵׁי/כֶ֔ם וְ/גֵ֣רְ/ךָ֔ אֲשֶׁ֖ר בְּ/קֶ֣רֶב מַחֲנֶ֑י/ךָ מֵ/חֹטֵ֣ב עֵצֶ֔י/ךָ עַ֖ד שֹׁאֵ֥ב מֵימֶֽי/ךָ׃
STATEN

Gij staat heden allen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods: uw hoofden uwer stammen, uw oudsten, en uw ambtlieden, alle man van Israël;

11
לְ/עָבְרְ/ךָ֗ בִּ/בְרִ֛ית יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖י/ךָ וּ/בְ/אָלָת֑/וֹ אֲשֶׁר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ כֹּרֵ֥ת עִמְּ/ךָ֖ הַ/יּֽוֹם׃
STATEN

Uw kinderkens, uw vrouwen, en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uw houthouwer tot uw waterputter toe;

12
לְמַ֣עַן הָקִֽים אֹתְ/ךָ֩ הַ/יּ֨וֹם ל֜/וֹ לְ/עָ֗ם וְ/ה֤וּא יִֽהְיֶה לְּ/ךָ֙ לֵֽ/אלֹהִ֔ים כַּ/אֲשֶׁ֖ר דִּבֶּר לָ֑/ךְ וְ/כַ/אֲשֶׁ֤ר נִשְׁבַּע֙ לַ/אֲבֹתֶ֔י/ךָ לְ/אַבְרָהָ֥ם לְ/יִצְחָ֖ק וּֽ/לְ/יַעֲקֹֽב־׀־־׃
STATEN

Om over te gaan in het verbond des HEEREN, uws Gods, en in Zijn vloek, hetwelk de HEERE, uw God, heden met u maakt;

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 29

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 29 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →