Ga naar inhoud
TORAH

Deuteronomium 32

דְּבָרִים
Hoofdstukken (34)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הַאֲזִ֥ינוּ הַ/שָּׁמַ֖יִם וַ/אֲדַבֵּ֑רָה וְ/תִשְׁמַ֥ע הָ/אָ֖רֶץ אִמְרֵי פִֽ/י־׃
STATEN

Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.

2
יַעֲרֹ֤ף כַּ/מָּטָר֙ לִקְחִ֔/י תִּזַּ֥ל כַּ/טַּ֖ל אִמְרָתִ֑/י כִּ/שְׂעִירִ֣ם עֲלֵי דֶ֔שֶׁא וְ/כִ/רְבִיבִ֖ים עֲלֵי עֵֽשֶׂב־־׃
STATEN

Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.

3
כִּ֛י שֵׁ֥ם יְהוָ֖ה אֶקְרָ֑א הָב֥וּ גֹ֖דֶל לֵ/אלֹהֵֽי/נוּ׃
STATEN

Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!

4
הַ/צּוּר֙ תָּמִ֣ים פָּעֳל֔/וֹ כִּ֥י כָל דְּרָכָ֖י/ו מִשְׁפָּ֑ט אֵ֤ל אֱמוּנָה֙ וְ/אֵ֣ין עָ֔וֶל צַדִּ֥יק וְ/יָשָׁ֖ר הֽוּא־׃
STATEN

Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.

5
שִׁחֵ֥ת ל֛/וֹ לֹ֖א בָּנָ֣י/ו מוּמָ֑/ם דּ֥וֹר עִקֵּ֖שׁ וּ/פְתַלְתֹּֽל׃
STATEN

Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.

6
הֲ לַ/יְהוָה֙ תִּגְמְלוּ זֹ֔את עַ֥ם נָבָ֖ל וְ/לֹ֣א חָכָ֑ם הֲ/לוֹא הוּא֙ אָבִ֣י/ךָ קָּנֶ֔/ךָ ה֥וּא עָֽשְׂ/ךָ֖ וַֽ/יְכֹנְנֶֽ/ךָ־־־׃
STATEN

Zult gij dit den HEERE vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?

7
זְכֹר֙ יְמ֣וֹת עוֹלָ֔ם בִּ֖ינוּ שְׁנ֣וֹת דּוֹר וָ/ד֑וֹר שְׁאַ֤ל אָבִ֨י/ךָ֙ וְ/יַגֵּ֔דְ/ךָ זְקֵנֶ֖י/ךָ וְ/יֹ֥אמְרוּ לָֽ/ךְ־׃
STATEN

Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.

8
בְּ/הַנְחֵ֤ל עֶלְיוֹן֙ גּוֹיִ֔ם בְּ/הַפְרִיד֖/וֹ בְּנֵ֣י אָדָ֑ם יַצֵּב֙ גְּבֻלֹ֣ת עַמִּ֔ים לְ/מִסְפַּ֖ר בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל׃
STATEN

Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israëls.

9
כִּ֛י חֵ֥לֶק יְהֹוָ֖ה עַמּ֑/וֹ יַעֲקֹ֖ב חֶ֥בֶל נַחֲלָתֽ/וֹ׃
STATEN

Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.

10
יִמְצָאֵ֨/הוּ֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִדְבָּ֔ר וּ/בְ/תֹ֖הוּ יְלֵ֣ל יְשִׁמֹ֑ן יְסֹֽבְבֶ֨/נְהוּ֙ יְב֣וֹנְנֵ֔/הוּ יִצְּרֶ֖/נְהוּ כְּ/אִישׁ֥וֹן עֵינֽ/וֹ׃
STATEN

Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.

11
כְּ/נֶ֨שֶׁר֙ יָעִ֣יר קִנּ֔/וֹ עַל גּוֹזָלָ֖י/ו יְרַחֵ֑ף יִפְרֹ֤שׂ כְּנָפָי/ו֙ יִקָּחֵ֔/הוּ יִשָּׂאֵ֖/הוּ עַל אֶבְרָתֽ/וֹ־־׃
STATEN

Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;

12
יְהוָ֖ה בָּדָ֣ד יַנְחֶ֑/נּוּ וְ/אֵ֥ין עִמּ֖/וֹ אֵ֥ל נֵכָֽר׃
STATEN

Zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.

Op De Naamdragers

Blogs over Deuteronomium 32

Nog geen artikelen die specifiek naar Deuteronomium 32 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →