Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Samuël 12

שְׁמוּאֵל ב
Hoofdstukken (24)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּשְׁלַ֧ח יְהוָ֛ה אֶת נָתָ֖ן אֶל דָּוִ֑ד וַ/יָּבֹ֣א אֵלָ֗י/ו וַ/יֹּ֤אמֶר ל/וֹ֙ שְׁנֵ֣י אֲנָשִׁ֗ים הָיוּ֙ בְּ/עִ֣יר אֶחָ֔ת אֶחָ֥ד עָשִׁ֖יר וְ/אֶחָ֥ד רָֽאשׁ־־׃
STATEN

En de HEERE zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm.

2
לְ/עָשִׁ֗יר הָיָ֛ה צֹ֥אן וּ/בָקָ֖ר הַרְבֵּ֥ה מְאֹֽד׃
STATEN

De rijke had zeer veel schapen en runderen.

3
וְ/לָ/רָ֣שׁ אֵֽין כֹּ֗ל כִּי֩ אִם כִּבְשָׂ֨ה אַחַ֤ת קְטַנָּה֙ אֲשֶׁ֣ר קָנָ֔ה וַ/יְחַיֶּ֕/הָ וַ/תִּגְדַּ֥ל עִמּ֛/וֹ וְ/עִם בָּנָ֖י/ו יַחְדָּ֑ו מִ/פִּתּ֨/וֹ תֹאכַ֜ל וּ/מִ/כֹּס֤/וֹ תִשְׁתֶּה֙ וּ/בְ/חֵיק֣/וֹ תִשְׁכָּ֔ב וַ/תְּהִי ל֖/וֹ כְּ/בַֽת־־־־׃
STATEN

Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.

4
וַ/יָּ֣בֹא הֵלֶךְ֮ לְ/אִ֣ישׁ הֶֽ/עָשִׁיר֒ וַ/יַּחְמֹ֗ל לָ/קַ֤חַת מִ/צֹּאנ/וֹ֙ וּ/מִ/בְּקָר֔/וֹ לַ/עֲשׂ֕וֹת לָ/אֹרֵ֖חַ הַ/בָּא ל֑/וֹ וַ/יִּקַּ֗ח אֶת כִּבְשַׂת֙ הָ/אִ֣ישׁ הָ/רָ֔אשׁ וַֽ/יַּעֲשֶׂ֔/הָ לָ/אִ֖ישׁ הַ/בָּ֥א אֵלָֽי/ו־־׃
STATEN

Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was.

5
וַ/יִּֽחַר אַ֥ף דָּוִ֛ד בָּ/אִ֖ישׁ מְאֹ֑ד וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אֶל נָתָ֔ן חַי יְהוָ֕ה כִּ֣י בֶן מָ֔וֶת הָ/אִ֖ישׁ הָ/עֹשֶׂ֥ה זֹֽאת־־־־׃
STATEN

Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods!

6
וְ/אֶת הַ/כִּבְשָׂ֖ה יְשַׁלֵּ֣ם אַרְבַּעְתָּ֑יִם עֵ֗קֶב אֲשֶׁ֤ר עָשָׂה֙ אֶת הַ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֔ה וְ/עַ֖ל אֲשֶׁ֥ר לֹֽא חָמָֽל־־־׃
STATEN

En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.

7
וַ/יֹּ֧אמֶר נָתָ֛ן אֶל דָּוִ֖ד אַתָּ֣ה הָ/אִ֑ישׁ כֹּה אָמַ֨ר יְהוָ֜ה אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל אָנֹכִ֞י מְשַׁחְתִּ֤י/ךָֽ לְ/מֶ֨לֶךְ֙ עַל יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/אָנֹכִ֥י הִצַּלְתִּ֖י/ךָ מִ/יַּ֥ד שָׁאֽוּל־־־׃
STATEN

Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u ten koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered;

8
וָ/אֶתְּנָ֨/ה לְ/ךָ֜ אֶת בֵּ֣ית אֲדֹנֶ֗י/ךָ וְ/אֶת נְשֵׁ֤י אֲדֹנֶ֨י/ךָ֙ בְּ/חֵיקֶ֔/ךָ וָ/אֶתְּנָ֣/ה לְ/ךָ֔ אֶת בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵ֖ל וִֽ/יהוּדָ֑ה וְ/אִ֨ם מְעָ֔ט וְ/אֹסִ֥פָה לְּ/ךָ֖ כָּ/הֵ֥נָּה וְ/כָ/הֵֽנָּה־־־־׃
STATEN

En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen.

9
מַדּ֜וּעַ בָּזִ֣יתָ אֶת דְּבַ֣ר יְהוָ֗ה לַ/עֲשׂ֣וֹת הָ/רַע֮ ב/עינ/ו אֵ֣ת אוּרִיָּ֤ה הַֽ/חִתִּי֙ הִכִּ֣יתָ בַ/חֶ֔רֶב וְ/אֶ֨ת אִשְׁתּ֔/וֹ לָקַ֥חְתָּ לְּ/ךָ֖ לְ/אִשָּׁ֑ה וְ/אֹת֣/וֹ הָרַ֔גְתָּ בְּ/חֶ֖רֶב בְּנֵ֥י עַמּֽוֹן׀־־׃ בְּ/עֵינַ/י֒
STATEN

Waarom hebt gij dan het woord des HEEREN veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uría, den Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen; en hem hebt gij met het zwaard van de kinderen Ammons doodgeslagen.

10
וְ/עַתָּ֗ה לֹא תָס֥וּר חֶ֛רֶב מִ/בֵּיתְ/ךָ֖ עַד עוֹלָ֑ם עֵ֚קֶב כִּ֣י בְזִתָ֔/נִי וַ/תִּקַּ֗ח אֶת אֵ֨שֶׁת֙ אוּרִיָּ֣ה הַ/חִתִּ֔י לִ/הְי֥וֹת לְ/ךָ֖ לְ/אִשָּֽׁה־־־׃ס
STATEN

Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uría, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.

11
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה הִנְ/נִי֩ מֵקִ֨ים עָלֶ֤י/ךָ רָעָה֙ מִ/בֵּיתֶ֔/ךָ וְ/לָקַחְתִּ֤י אֶת נָשֶׁ֨י/ךָ֙ לְ/עֵינֶ֔י/ךָ וְ/נָתַתִּ֖י לְ/רֵעֶ֑י/ךָ וְ/שָׁכַב֙ עִם נָשֶׁ֔י/ךָ לְ/עֵינֵ֖י הַ/שֶּׁ֥מֶשׁ הַ/זֹּֽאת׀־־׃
STATEN

Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon.

12
כִּ֥י אַתָּ֖ה עָשִׂ֣יתָ בַ/סָּ֑תֶר וַ/אֲנִ֗י אֶעֱשֶׂה֙ אֶת הַ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֔ה נֶ֥גֶד כָּל יִשְׂרָאֵ֖ל וְ/נֶ֥גֶד הַ/שָּֽׁמֶשׁ־־׃ס
STATEN

Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israël, en voor de zon.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Samuël 12

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Samuël 12 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →