Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Samuël 7

שְׁמוּאֵל ב
Hoofdstukken (24)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֕י כִּי יָשַׁ֥ב הַ/מֶּ֖לֶךְ בְּ/בֵית֑/וֹ וַ/יהוָ֛ה הֵנִֽיחַ ל֥/וֹ מִ/סָּבִ֖יב מִ/כָּל אֹיְבָֽי/ו־־־׃
STATEN

En het geschiedde, als de koning in zijn huis zat, en de HEERE hem rust gegeven had van al zijn vijanden rondom,

2
וַ/יֹּ֤אמֶר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֶל נָתָ֣ן הַ/נָּבִ֔יא רְאֵ֣ה נָ֔א אָנֹכִ֥י יוֹשֵׁ֖ב בְּ/בֵ֣ית אֲרָזִ֑ים וַֽ/אֲרוֹן֙ הָֽ/אֱלֹהִ֔ים יֹשֵׁ֖ב בְּ/ת֥וֹךְ הַ/יְרִיעָֽה־׃
STATEN

Zo zeide de koning tot den profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark Gods woont in het midden der gordijnen.

3
וַ/יֹּ֤אמֶר נָתָן֙ אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ כֹּ֛ל אֲשֶׁ֥ר בִּֽ/לְבָבְ/ךָ֖ לֵ֣ךְ עֲשֵׂ֑ה כִּ֥י יְהוָ֖ה עִמָּֽ/ךְ־׃ס
STATEN

En Nathan zeide tot den koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.

4
וַ/יְהִ֖י בַּ/לַּ֣יְלָה הַ/ה֑וּא וַֽ/יְהִי֙ דְּבַר יְהוָ֔ה אֶל נָתָ֖ן לֵ/אמֹֽר־־׃
STATEN

Maar het gebeurde in denzelfden nacht, dat het woord des HEEREN tot Nathan geschiedde, zeggende:

5
לֵ֤ךְ וְ/אָֽמַרְתָּ֙ אֶל עַבְדִּ֣/י אֶל דָּוִ֔ד כֹּ֖ה אָמַ֣ר יְהוָ֑ה הַ/אַתָּ֛ה תִּבְנֶה לִּ֥/י בַ֖יִת לְ/שִׁבְתִּֽ/י־־־׃
STATEN

Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE: Zoudt gij Mij een huis bouwen tot Mijn woning?

6
כִּ֣י לֹ֤א יָשַׁ֨בְתִּי֙ בְּ/בַ֔יִת לְ֠/מִ/יּוֹם הַעֲלֹתִ֞/י אֶת בְּנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ מִ/מִּצְרַ֔יִם וְ/עַ֖ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וָ/אֶֽהְיֶה֙ מִתְהַלֵּ֔ךְ בְּ/אֹ֖הֶל וּ/בְ/מִשְׁכָּֽן־׃
STATEN

Want Ik heb in geen huis gewoond, van dien dag af, dat Ik de kinderen Israëls uit Egypte opvoerde, tot op dezen dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel.

7
בְּ/כֹ֥ל אֲשֶֽׁר הִתְהַלַּכְתִּי֮ בְּ/כָל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵל֒ הֲ/דָבָ֣ר דִּבַּ֗רְתִּי אֶת אַחַד֙ שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁ֣ר צִוִּ֗יתִי לִ/רְע֛וֹת אֶת עַמִּ֥/י אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר לָ֛/מָּה לֹֽא בְנִיתֶ֥ם לִ֖/י בֵּ֥ית אֲרָזִֽים־־־־־־׃
STATEN

Overal, waar Ik met al de kinderen Israëls heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met een der stammen Israëls, dien Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis?

8
וְ֠/עַתָּה כֹּֽה תֹאמַ֞ר לְ/עַבְדִּ֣/י לְ/דָוִ֗ד כֹּ֤ה אָמַר֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת אֲנִ֤י לְקַחְתִּ֨י/ךָ֙ מִן הַ/נָּוֶ֔ה מֵ/אַחַ֖ר הַ/צֹּ֑אן לִֽ/הְי֣וֹת נָגִ֔יד עַל עַמִּ֖/י עַל יִשְׂרָאֵֽל־־־־׃
STATEN

Nu dan, alzo zult gij tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël.

9
וָ/אֶהְיֶ֣ה עִמְּ/ךָ֗ בְּ/כֹל֙ אֲשֶׁ֣ר הָלַ֔כְתָּ וָ/אַכְרִ֥תָ/ה אֶת כָּל אֹיְבֶ֖י/ךָ מִ/פָּנֶ֑י/ךָ וְ/עָשִׂ֤תִֽי לְ/ךָ֙ שֵׁ֣ם גָּד֔וֹל כְּ/שֵׁ֥ם הַ/גְּדֹלִ֖ים אֲשֶׁ֥ר בָּ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN

En Ik ben met u geweest, overal, waar gij gegaan zijt, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een groten naam gemaakt, als den naam der groten, die op de aarde zijn.

10
וְ/שַׂמְתִּ֣י מָ֠קוֹם לְ/עַמִּ֨/י לְ/יִשְׂרָאֵ֤ל וּ/נְטַעְתִּי/ו֙ וְ/שָׁכַ֣ן תַּחְתָּ֔י/ו וְ/לֹ֥א יִרְגַּ֖ז ע֑וֹד וְ/לֹֽא יֹסִ֤יפוּ בְנֵֽי עַוְלָה֙ לְ/עַנּוֹת֔/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֖ר בָּ/רִאשׁוֹנָֽה־־׃
STATEN

En Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone, en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst.

11
וּ/לְ/מִן הַ/יּ֗וֹם אֲשֶׁ֨ר צִוִּ֤יתִי שֹֽׁפְטִים֙ עַל עַמִּ֣/י יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/הֲנִיחֹ֥תִי לְ/ךָ֖ מִ/כָּל אֹיְבֶ֑י/ךָ וְ/הִגִּ֤יד לְ/ךָ֙ יְהוָ֔ה כִּי בַ֖יִת יַעֲשֶׂה לְּ/ךָ֥ יְהוָֽה־־־־־׃
STATEN

En van dien dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Doch u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u de HEERE te kennen, dat de HEERE u een huis maken zal.

12
כִּ֣י יִמְלְא֣וּ יָמֶ֗י/ךָ וְ/שָֽׁכַבְתָּ֙ אֶת אֲבֹתֶ֔י/ךָ וַ/הֲקִימֹתִ֤י אֶֽת זַרְעֲ/ךָ֙ אַחֲרֶ֔י/ךָ אֲשֶׁ֥ר יֵצֵ֖א מִ/מֵּעֶ֑י/ךָ וַ/הֲכִינֹתִ֖י אֶת מַמְלַכְתּֽ/וֹ׀־־־׃
STATEN

Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Samuël 7

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Samuël 7 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →