Ga naar inhoud
NEVIIM

2 Samuël 20

שְׁמוּאֵל ב
Hoofdstukken (24)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/שָׁ֨ם נִקְרָ֜א אִ֣ישׁ בְּלִיַּ֗עַל וּ/שְׁמ֛/וֹ שֶׁ֥בַע בֶּן בִּכְרִ֖י אִ֣ישׁ יְמִינִ֑י וַ/יִּתְקַ֣ע בַּ/שֹּׁפָ֗ר וַ֠/יֹּאמֶר אֵֽין לָ֨/נוּ חֵ֜לֶק בְּ/דָוִ֗ד וְ/לֹ֤א נַֽחֲלָה לָ֨/נוּ֙ בְּ/בֶן יִשַׁ֔י אִ֥ישׁ לְ/אֹהָלָ֖י/ו יִשְׂרָאֵֽל־־־־׃
STATEN

Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan den zoon van Isaï, een iegelijk naar zijn tenten, o Israël!

2
וַ/יַּ֜עַל כָּל אִ֤ישׁ יִשְׂרָאֵל֙ מֵ/אַחֲרֵ֣י דָוִ֔ד אַחֲרֵ֖י שֶׁ֣בַע בֶּן בִּכְרִ֑י וְ/אִ֤ישׁ יְהוּדָה֙ דָּבְק֣וּ בְ/מַלְכָּ֔/ם מִן הַ/יַּרְדֵּ֖ן וְ/עַד יְרוּשָׁלִָֽם־־־־׃
STATEN

Toen toog alle man van Israël op van achter David, Seba, den zoon van Bichri, achterna; maar de mannen van Juda kleefden hun koning aan, van de Jordaan af tot aan Jeruzalem.

3
וַ/יָּבֹ֨א דָוִ֣ד אֶל בֵּית/וֹ֮ יְרֽוּשָׁלִַם֒ וַ/יִּקַּ֣ח הַ/מֶּ֡לֶךְ אֵ֣ת עֶֽשֶׂר נָשִׁ֣ים פִּלַגְשִׁ֡ים אֲשֶׁ֣ר הִנִּיחַ֩ לִ/שְׁמֹ֨ר הַ/בַּ֜יִת וַֽ/יִּתְּנֵ֤/ם בֵּית מִשְׁמֶ֨רֶת֙ וַֽ/יְכַלְכְּלֵ֔/ם וַ/אֲלֵי/הֶ֖ם לֹא בָ֑א וַ/תִּהְיֶ֧ינָה צְרֻר֛וֹת עַד י֥וֹם מֻתָ֖/ן אַלְמְנ֥וּת חַיּֽוּת־־׀־־־׃ס
STATEN

Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de koning de tien vrouwen, zijn bijwijven, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op den dag van haarlieder dood, levende als weduwen.

4
וַ/יֹּ֤אמֶר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֶל עֲמָשָׂ֔א הַזְעֶק לִ֥/י אֶת אִישׁ יְהוּדָ֖ה שְׁלֹ֣שֶׁת יָמִ֑ים וְ/אַתָּ֖ה פֹּ֥ה עֲמֹֽד־־־־׃
STATEN

Voorts zeide de koning tot Amása: Roep mij de mannen van Juda te zamen, tegen den derden dag; en gij, stel u dan hier.

5
וַ/יֵּ֥לֶךְ עֲמָשָׂ֖א לְ/הַזְעִ֣יק אֶת יְהוּדָ֑ה ו/ייחר מִן הַ/מּוֹעֵ֖ד אֲשֶׁ֥ר יְעָדֽ/וֹ־־׃ס וַ/יּ֕וֹחֶר
STATEN

En Amása ging heen, om Juda bijeen te roepen; maar hij bleef achter, boven den gezetten tijd, dien hij hem gezet had.

6
וַ/יֹּ֤אמֶר דָּוִד֙ אֶל אֲבִישַׁ֔י עַתָּ֗ה יֵ֧רַֽע לָ֛/נוּ שֶׁ֥בַע בֶּן בִּכְרִ֖י מִן אַבְשָׁל֑וֹם אַ֠תָּה קַ֞ח אֶת עַבְדֵ֤י אֲדֹנֶ֨י/ךָ֙ וּ/רְדֹ֣ף אַחֲרָ֔י/ו פֶּן מָ֥צָא ל֛/וֹ עָרִ֥ים בְּצֻר֖וֹת וְ/הִצִּ֥יל עֵינֵֽ/נוּ־־־־־׃
STATEN

Toen zeide David tot Abísai: Nu zal ons Seba, de zoon van Bichri, meer kwaads doen, dan Absalom; neem gij de knechten uws heren, en jaag hem achterna, opdat hij niet misschien vaste steden voor zich vinde, en zich aan onze ogen onttrekke.

7
וַ/יֵּצְא֤וּ אַֽחֲרָי/ו֙ אַנְשֵׁ֣י יוֹאָ֔ב וְ/הַ/כְּרֵתִ֥י וְ/הַ/פְּלֵתִ֖י וְ/כָל הַ/גִּבֹּרִ֑ים וַ/יֵּֽצְאוּ֙ מִ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם לִ/רְדֹּ֕ף אַחֲרֵ֖י שֶׁ֥בַע בֶּן בִּכְרִֽי־־׃
STATEN

Toen togen uit, hem achterna, de mannen van Joab, en de Krethi, en de Plethi, en al de helden. Dezen togen uit van Jeruzalem, om Seba, den zoon van Bichri, achterna te jagen.

8
הֵ֗ם עִם הָ/אֶ֤בֶן הַ/גְּדוֹלָה֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/גִבְע֔וֹן וַ/עֲמָשָׂ֖א בָּ֣א לִ/פְנֵי/הֶ֑ם וְ/יוֹאָ֞ב חָג֣וּר מִדּ֣/וֹ לְבֻשׁ֗/וּ ו/על/ו חֲג֥וֹר חֶ֨רֶב֙ מְצֻמֶּ֤דֶת עַל מָתְנָי/ו֙ בְּ/תַעְרָ֔/הּ וְ/ה֥וּא יָצָ֖א וַ/תִּפֹּֽל־׀־׃ס וְ/עָלָ֞י/ו
STATEN

Als zij nu waren bij den groten steen, die bij Gíbeon is, zo kwam Amása voor hun aangezicht. En Joab was omgord over zijn kleed, dat hij aan had, en daarop was een gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijn lenden in zijn schede; en als hij voortging, zo viel het uit.

9
וַ/יֹּ֤אמֶר יוֹאָב֙ לַ/עֲמָשָׂ֔א הֲ/שָׁל֥וֹם אַתָּ֖ה אָחִ֑/י וַ/תֹּ֜חֶז יַד יְמִ֥ין יוֹאָ֛ב בִּ/זְקַ֥ן עֲמָשָׂ֖א לִ/נְשָׁק לֽ/וֹ־־׃
STATEN

En Joab zeide tot Amása: Is het wel met u, mijn broeder? En Joab vatte met de rechterhand den baard van Amása, om hem te kussen.

10
וַ/עֲמָשָׂ֨א לֹֽא נִשְׁמַ֜ר בַּ/חֶ֣רֶב אֲשֶׁ֣ר בְּ/יַד יוֹאָ֗ב וַ/יַּכֵּ/הוּ֩ בָ֨/הּ אֶל הַ/חֹ֜מֶשׁ וַ/יִּשְׁפֹּ֨ךְ מֵעָ֥י/ו אַ֛רְצָ/ה וְ/לֹא שָׁ֥נָה ל֖/וֹ וַ/יָּמֹ֑ת וְ/יוֹאָב֙ וַ/אֲבִישַׁ֣י אָחִ֔י/ו רָדַ֕ף אַחֲרֵ֖י שֶׁ֥בַע בֶּן בִּכְרִֽי־׀־־־ס־׃
STATEN

En Amása hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweeden male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broeder Abísai, Seba, den zoon van Bichri, achterna.

11
וְ/אִישׁ֙ עָמַ֣ד עָלָ֔י/ו מִֽ/נַּעֲרֵ֖י יוֹאָ֑ב וַ/יֹּ֗אמֶר מִי֩ אֲשֶׁ֨ר חָפֵ֧ץ בְּ/יוֹאָ֛ב וּ/מִ֥י אֲשֶׁר לְ/דָוִ֖ד אַחֲרֵ֥י יוֹאָֽב־׃
STATEN

Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zeide: Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is, die volge Joab na!

12
וַ/עֲמָשָׂ֛א מִתְגֹּלֵ֥ל בַּ/דָּ֖ם בְּ/ת֣וֹךְ הַֽ/מְסִּלָּ֑ה וַ/יַּ֨רְא הָ/אִ֜ישׁ כִּֽי עָמַ֣ד כָּל הָ/עָ֗ם וַ/יַּסֵּב֩ אֶת עֲמָשָׂ֨א מִן הַֽ/מְסִלָּ֤ה הַ/שָּׂדֶה֙ וַ/יַּשְׁלֵ֤ךְ עָלָי/ו֙ בֶּ֔גֶד כַּ/אֲשֶׁ֣ר רָאָ֔ה כָּל הַ/בָּ֥א עָלָ֖י/ו וְ/עָמָֽד־־־־־׃
STATEN

Amása nu lag in het bloed gewenteld, midden op de straat. Als die man zag, dat al het volk staan bleef, zo deed hij Amása weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, dewijl hij zag, dat al wie bij hem kwam, bleef staan.

Op De Naamdragers

Blogs over 2 Samuël 20

Nog geen artikelen die specifiek naar 2 Samuël 20 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →