NEVIIM

2 Samuël 10

שְׁמוּאֵל ב
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
וַֽ/יְהִי֙ אַֽחֲרֵי כֵ֔ן וַ/יָּ֕מָת מֶ֖לֶךְ בְּנֵ֣י עַמּ֑וֹן וַ/יִּמְלֹ֛ךְ חָנ֥וּן בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו
STATEN

En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats.

2
וַ/יֹּ֨אמֶר דָּוִ֜ד אֶעֱשֶׂה חֶ֣סֶד עִם חָנ֣וּן בֶּן נָחָ֗שׁ כַּ/אֲשֶׁר֩ עָשָׂ֨ה אָבִ֤י/ו עִמָּדִ/י֙ חֶ֔סֶד וַ/יִּשְׁלַ֨ח דָּוִ֧ד לְ/נַחֲמ֛/וֹ בְּ/יַד עֲבָדָ֖י/ו אֶל אָבִ֑י/ו וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ עַבְדֵ֣י דָוִ֔ד אֶ֖רֶץ בְּנֵ֥י עַמּֽוֹן
STATEN

Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons.

3
וַ/יֹּאמְרוּ֩ שָׂרֵ֨י בְנֵֽי עַמּ֜וֹן אֶל חָנ֣וּן אֲדֹֽנֵי/הֶ֗ם הַֽ/מְכַבֵּ֨ד דָּוִ֤ד אֶת אָבִ֨י/ךָ֙ בְּ/עֵינֶ֔י/ךָ כִּֽי שָׁלַ֥ח לְ/ךָ֖ מְנַֽחֲמִ֑ים הֲ֠/לוֹא בַּ/עֲב֞וּר חֲק֤וֹר אֶת הָ/עִיר֙ וּ/לְ/רַגְּלָ֣/הּ וּ/לְ/הָפְכָ֔/הּ שָׁלַ֥ח דָּוִ֛ד אֶת עֲבָדָ֖י/ו אֵלֶֽי/ךָ
STATEN

Toen zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere?

4
וַ/יִּקַּ֨ח חָנ֜וּן אֶת עַבְדֵ֣י דָוִ֗ד וַ/יְגַלַּח֙ אֶת חֲצִ֣י זְקָנָ֔/ם וַ/יִּכְרֹ֧ת אֶת מַדְוֵי/הֶ֛ם בַּ/חֵ֖צִי עַ֣ד שְׁתֽוֹתֵי/הֶ֑ם וַֽ/יְשַׁלְּחֵֽ/ם
STATEN

Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun klederen half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.

5
וַ/יַּגִּ֤דוּ לְ/דָוִד֙ וַ/יִּשְׁלַ֣ח לִ/קְרָאתָ֔/ם כִּֽי הָי֥וּ הָ/אֲנָשִׁ֖ים נִכְלָמִ֣ים מְאֹ֑ד וַ/יֹּ֤אמֶר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ שְׁב֣וּ בִֽ/ירֵח֔וֹ עַד יְצַמַּ֥ח זְקַנְ/כֶ֖ם וְ/שַׁבְתֶּֽם
STATEN

Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zeide: Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder.

6
וַ/יִּרְאוּ֙ בְּנֵ֣י עַמּ֔וֹן כִּ֥י נִבְאֲשׁ֖וּ בְּ/דָוִ֑ד וַ/יִּשְׁלְח֣וּ בְנֵֽי עַמּ֡וֹן וַ/יִּשְׂכְּרוּ֩ אֶת אֲרַ֨ם בֵּית רְח֜וֹב וְ/אֶת אֲרַ֣ם צוֹבָ֗א עֶשְׂרִ֥ים אֶ֨לֶף֙ רַגְלִ֔י וְ/אֶת מֶ֤לֶךְ מַֽעֲכָה֙ אֶ֣לֶף אִ֔ישׁ וְ/אִ֣ישׁ ט֔וֹב שְׁנֵים עָשָׂ֥ר אֶ֖לֶף אִֽישׁ
STATEN

Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van den koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.

7
וַ/יִּשְׁמַ֖ע דָּוִ֑ד וַ/יִּשְׁלַח֙ אֶת יוֹאָ֔ב וְ/אֵ֥ת כָּל הַ/צָּבָ֖א הַ/גִּבֹּרִֽים
STATEN

Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het ganse heir met de helden.

8
וַ/יֵּֽצְאוּ֙ בְּנֵ֣י עַמּ֔וֹן וַ/יַּעַרְכ֥וּ מִלְחָמָ֖ה פֶּ֣תַח הַ/שָּׁ֑עַר וַ/אֲרַ֨ם צוֹבָ֤א וּ/רְחוֹב֙ וְ/אִֽישׁ ט֣וֹב וּ/מַֽעֲכָ֔ה לְ/בַדָּ֖/ם בַּ/שָּׂדֶֽה
STATEN

En de kinderen Ammons togen uit, en stelden de slagorde voor de deur der poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maächa waren bijzonder in het veld.

9
וַ/יַּ֣רְא יוֹאָ֗ב כִּֽי הָיְתָ֤ה אֵלָי/ו֙ פְּנֵ֣י הַ/מִּלְחָמָ֔ה מִ/פָּנִ֖ים וּ/מֵֽ/אָח֑וֹר וַ/יִּבְחַ֗ר מִ/כֹּל֙ בְּחוּרֵ֣י ב/ישראל וַֽ/יַּעֲרֹ֖ךְ לִ/קְרַ֥את אֲרָֽם יִשְׂרָאֵ֔ל
STATEN

Als nu Joab zag, dat de spits der slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël, en stelde hen in orde tegen de Syriërs aan;

10
וְ/אֵת֙ יֶ֣תֶר הָ/עָ֔ם נָתַ֕ן בְּ/יַ֖ד אַבְשַׁ֣י אָחִ֑י/ו וַֽ/יַּעֲרֹ֕ךְ לִ/קְרַ֖את בְּנֵ֥י עַמּֽוֹן
STATEN

En het overige des volks gaf hij onder de hand van zijn broeder Abísai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.

11
וַ/יֹּ֗אמֶר אִם תֶּחֱזַ֤ק אֲרָם֙ מִמֶּ֔/נִּי וְ/הָיִ֥תָה לִּ֖/י לִֽ/ישׁוּעָ֑ה וְ/אִם בְּנֵ֤י עַמּוֹן֙ יֶחֱזְק֣וּ מִמְּ/ךָ֔ וְ/הָלַכְתִּ֖י לְ/הוֹשִׁ֥יעַֽ לָֽ/ךְ
STATEN

En hij zeide: Zo de Syriërs mij te sterk zullen zijn, zo zult gij mij komen verlossen; en zo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen.

12
חֲזַ֤ק וְ/נִתְחַזַּק֙ בְּעַד עַמֵּ֔/נוּ וּ/בְעַ֖ד עָרֵ֣י אֱלֹהֵ֑י/נוּ וַֽ/יהוָ֔ה יַעֲשֶׂ֥ה הַ/טּ֖וֹב בְּ/עֵינָֽי/ו
STATEN

Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe, wat goed is in Zijn ogen.

13
וַ/יִּגַּ֣שׁ יוֹאָ֗ב וְ/הָ/עָם֙ אֲשֶׁ֣ר עִמּ֔/וֹ לַ/מִּלְחָמָ֖ה בַּֽ/אֲרָ֑ם וַ/יָּנֻ֖סוּ מִ/פָּנָֽי/ו
STATEN

Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot den strijd tegen de Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezicht.

14
וּ/בְנֵ֨י עַמּ֤וֹן רָאוּ֙ כִּי נָ֣ס אֲרָ֔ם וַ/יָּנֻ֨סוּ֙ מִ/פְּנֵ֣י אֲבִישַׁ֔י וַ/יָּבֹ֖אוּ הָ/עִ֑יר וַ/יָּ֣שָׁב יוֹאָ֗ב מֵ/עַל֙ בְּנֵ֣י עַמּ֔וֹן וַ/יָּבֹ֖א יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Als de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abísai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem.

15
וַ/יַּ֣רְא אֲרָ֔ם כִּ֥י נִגַּ֖ף לִ/פְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יֵּאָסְפ֖וּ יָֽחַד
STATEN

Toen nu de Syriërs zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, zo vergaderden zij zich weder te zamen.

16
וַ/יִּשְׁלַ֣ח הֲדַדְעֶ֗זֶר וַ/יֹּצֵ֤א אֶת אֲרָם֙ אֲשֶׁר֙ מֵ/עֵ֣בֶר הַ/נָּהָ֔ר וַ/יָּבֹ֖אוּ חֵילָ֑ם וְ/שׁוֹבַ֛ךְ שַׂר צְבָ֥א הֲדַדְעֶ֖זֶר לִ/פְנֵי/הֶֽם
STATEN

En Hadad-ézer zond heen, en deed de Syriërs uitkomen, die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ézers krijgsoverste, toog voor hun aangezicht heen.

17
וַ/יֻּגַּ֣ד לְ/דָוִ֗ד וַ/יֶּאֱסֹ֤ף אֶת כָּל יִשְׂרָאֵל֙ וַ/יַּעֲבֹ֣ר אֶת הַ/יַּרְדֵּ֔ן וַ/יָּבֹ֖א חֵלָ֑אמָ/ה וַ/יַּעַרְכ֤וּ אֲרָם֙ לִ/קְרַ֣את דָּוִ֔ד וַ/יִּלָּחֲמ֖וּ עִמּֽ/וֹ
STATEN

Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gans Israël, en toog over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriërs stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem.

18
וַ/יָּ֣נָס אֲרָם֮ מִ/פְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵל֒ וַ/יַּהֲרֹ֨ג דָּוִ֜ד מֵ/אֲרָ֗ם שְׁבַ֤ע מֵאוֹת֙ רֶ֔כֶב וְ/אַרְבָּעִ֥ים אֶ֖לֶף פָּרָשִׁ֑ים וְ/אֵ֨ת שׁוֹבַ֧ךְ שַׂר צְבָא֛/וֹ הִכָּ֖ה וַ/יָּ֥מָת שָֽׁם
STATEN

Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagenen, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij aldaar stierf.

19
וַ/יִּרְא֨וּ כָֽל הַ/מְּלָכִ֜ים עַבְדֵ֣י הֲדַדְעֶ֗זֶר כִּ֤י נִגְּפוּ֙ לִ/פְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יַּשְׁלִ֥מוּ אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל וַ/יַּֽעַבְד֑וּ/ם וַ/יִּֽרְא֣וּ אֲרָ֔ם לְ/הוֹשִׁ֥יעַ ע֖וֹד אֶת בְּנֵ֥י עַמּֽוֹן
STATEN

Toen nu al de koningen, die Hadad-ézers knechten waren, zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en dienden hen; en de Syriërs vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.