NEVIIM

2 Samuël 23

שְׁמוּאֵל ב
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
וְ/אֵ֛לֶּה דִּבְרֵ֥י דָוִ֖ד הָ/אַֽחֲרֹנִ֑ים נְאֻ֧ם דָּוִ֣ד בֶּן יִשַׁ֗י וּ/נְאֻ֤ם הַ/גֶּ֨בֶר֙ הֻ֣קַם עָ֔ל מְשִׁ֨יחַ֙ אֱלֹהֵ֣י יַֽעֲקֹ֔ב וּ/נְעִ֖ים זְמִר֥וֹת יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Voorts zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van Isaï zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israël, zegt:

2
ר֥וּחַ יְהוָ֖ה דִּבֶּר בִּ֑/י וּ/מִלָּת֖/וֹ עַל לְשׁוֹנִֽ/י
STATEN

De Geest des HEEREN heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.

3
אָמַר֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל לִ֥/י דִבֶּ֖ר צ֣וּר יִשְׂרָאֵ֑ל מוֹשֵׁל֙ בָּ/אָדָ֔ם צַדִּ֕יק מוֹשֵׁ֖ל יִרְאַ֥ת אֱלֹהִֽים
STATEN

De God Israëls heeft gezegd, de Rotssteen Israëls heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods.

4
וּ/כְ/א֥וֹר בֹּ֖קֶר יִזְרַח שָׁ֑מֶשׁ בֹּ֚קֶר לֹ֣א עָב֔וֹת מִ/נֹּ֥גַהּ מִ/מָּטָ֖ר דֶּ֥שֶׁא מֵ/אָֽרֶץ
STATEN

En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.

5
כִּֽי לֹא כֵ֥ן בֵּיתִ֖/י עִם אֵ֑ל כִּי֩ בְרִ֨ית עוֹלָ֜ם שָׂ֣ם לִ֗/י עֲרוּכָ֤ה בַ/כֹּל֙ וּ/שְׁמֻרָ֔ה כִּֽי כָל יִשְׁעִ֥/י וְ/כָל חֵ֖פֶץ כִּֽי לֹ֥א יַצְמִֽיחַ
STATEN

Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.

6
וּ/בְלִיַּ֕עַל כְּ/ק֥וֹץ מֻנָ֖ד כֻּלָּ֑/הַם כִּֽי לֹ֥א בְ/יָ֖ד יִקָּֽחוּ
STATEN

Maar de mannen Belials zullen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten;

7
וְ/אִישׁ֙ יִגַּ֣ע בָּ/הֶ֔ם יִמָּלֵ֥א בַרְזֶ֖ל וְ/עֵ֣ץ חֲנִ֑ית וּ/בָ/אֵ֕שׁ שָׂר֥וֹף יִשָּׂרְפ֖וּ בַּ/שָּֽׁבֶת
STATEN

Maar een iegelijk, die ze zal aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout ener spies; en zij zullen ganselijk met vuur verbrand worden ter zelver plaats.

8
אֵ֛לֶּה שְׁמ֥וֹת הַ/גִּבֹּרִ֖ים אֲשֶׁ֣ר לְ/דָוִ֑ד יֹשֵׁ֨ב בַּשֶּׁ֜בֶת תַּחְכְּמֹנִ֣י רֹ֣אשׁ הַ/שָּׁלִשִׁ֗י ה֚וּא עֲדִינ֣/וֹ ה/עצנ/ו עַל שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֛וֹת חָלָ֖ל בְּ/פַ֥עַם אחד הָֽ/עֶצְנִ֔י אֶחָֽת
STATEN

Dit zijn de namen der helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschébeth, de zoon van Tachkemóni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adíno, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.

9
ו/אחר/ו אֶלְעָזָ֥ר בֶּן דדי בֶּן אֲחֹחִ֑י בִּ/שְׁלֹשָׁ֨ה גברים עִם דָּוִ֗ד בְּ/חָֽרְפָ֤/ם בַּ/פְּלִשְׁתִּים נֶאֶסְפוּ שָׁ֣ם לַ/מִּלְחָמָ֔ה וַֽ/יַּעֲל֖וּ אִ֥ישׁ יִשְׂרָאֵֽל וְ/אַחֲרָ֛י/ו דֹּד֖וֹ הַ/גִּבֹּרִ֜ים
STATEN

En na hem was Eleázar, de zoon van Dodo, zoon van Ahóhi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen.

10
ה֣וּא קָם֩ וַ/יַּ֨ךְ בַּ/פְּלִשְׁתִּ֜ים עַ֣ד כִּֽי יָגְעָ֣ה יָד֗/וֹ וַ/תִּדְבַּ֤ק יָד/וֹ֙ אֶל הַ/חֶ֔רֶב וַ/יַּ֧עַשׂ יְהוָ֛ה תְּשׁוּעָ֥ה גְדוֹלָ֖ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֑וּא וְ/הָ/עָ֛ם יָשֻׁ֥בוּ אַחֲרָ֖י/ו אַךְ לְ/פַשֵּֽׁט
STATEN

Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moede werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en de HEERE wrocht een groot heil ten zelven dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen.

11
וְ/אַחֲרָ֛י/ו שַׁמָּ֥א בֶן אָגֵ֖א הָרָרִ֑י וַ/יֵּאָסְפ֨וּ פְלִשְׁתִּ֜ים לַ/חַיָּ֗ה וַ/תְּהִי שָׁ֞ם חֶלְקַ֤ת הַ/שָּׂדֶה֙ מְלֵאָ֣ה עֲדָשִׁ֔ים וְ/הָ/עָ֥ם נָ֖ס מִ/פְּנֵ֥י פְלִשְׁתִּֽים
STATEN

Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en aldaar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vluchtte;

12
וַ/יִּתְיַצֵּ֤ב בְּ/תוֹךְ הַֽ/חֶלְקָה֙ וַ/יַּצִּילֶ֔/הָ וַ/יַּ֖ךְ אֶת פְּלִשְׁתִּ֑ים וַ/יַּ֥עַשׂ יְהוָ֖ה תְּשׁוּעָ֥ה גְדוֹלָֽה
STATEN

Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en de HEERE wrocht een groot heil.

13
וַ/יֵּרְד֨וּ שלשים מֵ/הַ/שְּׁלֹשִׁ֣ים רֹ֗אשׁ וַ/יָּבֹ֤אוּ אֶל קָצִיר֙ אֶל דָּוִ֔ד אֶל מְעָרַ֖ת עֲדֻלָּ֑ם וְ/חַיַּ֣ת פְּלִשְׁתִּ֔ים חֹנָ֖ה בְּ/עֵ֥מֶק רְפָאִֽים שְׁלֹשָׁ֜ה
STATEN

Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in den oogst tot David, in de spelonk van Adullam; en de hoop der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Rafaïm.

14
וְ/דָוִ֖ד אָ֣ז בַּ/מְּצוּדָ֑ה וּ/מַצַּ֣ב פְּלִשְׁתִּ֔ים אָ֖ז בֵּ֥ית לָֽחֶם
STATEN

En David was toen in een vesting; en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.

15
וַ/יִּתְאַוֶּ֥ה דָוִ֖ד וַ/יֹּאמַ֑ר מִ֚י יַשְׁקֵ֣/נִי מַ֔יִם מִ/בֹּ֥אר בֵּֽית לֶ֖חֶם אֲשֶׁ֥ר בַּ/שָּֽׁעַר
STATEN

En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is?

16
וַ/יִּבְקְעוּ֩ שְׁלֹ֨שֶׁת הַ/גִּבֹּרִ֜ים בְּ/מַחֲנֵ֣ה פְלִשְׁתִּ֗ים וַ/יִּֽשְׁאֲבוּ מַ֨יִם֙ מִ/בֹּ֤אר בֵּֽית לֶ֨חֶם֙ אֲשֶׁ֣ר בַּ/שַּׁ֔עַר וַ/יִּשְׂא֖וּ וַ/יָּבִ֣אוּ אֶל דָּוִ֑ד וְ/לֹ֤א אָבָה֙ לִ/שְׁתּוֹתָ֔/ם וַ/יַּסֵּ֥ךְ אֹתָ֖/ם לַֽ/יהוָֽה
STATEN

Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den HEERE.

17
וַ/יֹּ֡אמֶר חָלִילָ/ה֩ לִּ֨/י יְהוָ֜ה מֵ/עֲשֹׂ֣תִ/י זֹ֗את הֲ/דַ֤ם הָֽ/אֲנָשִׁים֙ הַ/הֹלְכִ֣ים בְּ/נַפְשׁוֹתָ֔/ם וְ/לֹ֥א אָבָ֖ה לִ/שְׁתּוֹתָ֑/ם אֵ֣לֶּה עָשׂ֔וּ שְׁלֹ֖שֶׁת הַ/גִּבֹּרִֽים
STATEN

En zeide: Het zij verre van mij, o HEERE, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.

18
וַ/אֲבִישַׁ֞י אֲחִ֣י יוֹאָ֣ב בֶּן צְרוּיָ֗ה ה֚וּא רֹ֣אשׁ ה/שלשי וְ/הוּא֙ עוֹרֵ֣ר אֶת חֲנִית֔/וֹ עַל שְׁלֹ֥שׁ מֵא֖וֹת חָלָ֑ל וְ/ל/וֹ שֵׁ֖ם בַּ/שְּׁלֹשָֽׁה הַ/שְּׁלֹשָׁ֔ה
STATEN

Abísai, Joabs broeder, de zoon van Zerúja, die was ook een hoofd van drieën; en die hief zijn spies op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder die drie.

19
מִן הַ/שְּׁלֹשָׁה֙ הֲ/כִ֣י נִכְבָּ֔ד וַ/יְהִ֥י לָ/הֶ֖ם לְ/שָׂ֑ר וְ/עַד הַ/שְּׁלֹשָׁ֖ה לֹא בָֽא
STATEN

Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie.

20
וּ/בְנָיָ֨הוּ בֶן יְהוֹיָדָ֧ע בֶּן אִֽישׁ חי רַב פְּעָלִ֖ים מִֽ/קַּבְצְאֵ֑ל ה֣וּא הִכָּ֗ה אֵ֣ת שְׁנֵ֤י אֲרִאֵל֙ מוֹאָ֔ב וְ֠/הוּא יָרַ֞ד וְ/הִכָּ֧ה אֶֽת ה/אריה בְּ/ת֥וֹךְ הַ/בֹּ֖אר בְּ/י֥וֹם הַ/שָּֽׁלֶג חַ֛יִל הָ/אֲרִ֛י
STATEN

Voorts Benája, de zoon van Jójada, de zoon van een dapperen man, groot van daden, van Kábzeël; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in den sneeuwtijd.

21
וְ/הוּא הִכָּה֩ אֶת אִ֨ישׁ מִצְרִ֜י אשר מַרְאֶ֗ה וּ/בְ/יַ֤ד הַ/מִּצְרִי֙ חֲנִ֔ית וַ/יֵּ֥רֶד אֵלָ֖י/ו בַּ/שָּׁ֑בֶט וַ/יִּגְזֹ֤ל אֶֽת הַ/חֲנִית֙ מִ/יַּ֣ד הַ/מִּצְרִ֔י וַ/יַּהַרְגֵ֖/הוּ בַּ/חֲנִיתֽ/וֹ אִ֣ישׁ
STATEN

Daartoe sloeg hij een Egyptischen man, een man van aanzien; en in de hand des Egyptenaars was een spies, maar hij ging tot hem af met een staf; en hij rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en doodde hem met zijn eigen spies.

22
אֵ֣לֶּה עָשָׂ֔ה בְּנָיָ֖הוּ בֶּן יְהוֹיָדָ֑ע וְ/ל/וֹ שֵׁ֖ם בִּ/שְׁלֹשָׁ֥ה הַ/גִּבֹּרִֽים
STATEN

Die dingen deed Benája, de zoon van Jójada; dies had hij een naam onder de drie helden.

23
מִן הַ/שְּׁלֹשִׁ֣ים נִכְבָּ֔ד וְ/אֶל הַ/שְּׁלֹשָׁ֖ה לֹא בָ֑א וַ/יְשִׂמֵ֥/הוּ דָוִ֖ד אֶל מִשְׁמַעְתּֽ/וֹ
STATEN

Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eersten kwam hij niet; en David stelde hem over zijn trawanten.

24
עֲשָׂה אֵ֥ל אֲחִֽי יוֹאָ֖ב בַּ/שְּׁלֹשִׁ֑ים אֶלְחָנָ֥ן בֶּן דֹּד֖וֹ בֵּ֥ית לָֽחֶם
STATEN

Asahel, Joabs broeder, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;

25
שַׁמָּה֙ הַֽ/חֲרֹדִ֔י אֱלִיקָ֖א הַ/חֲרֹדִֽי
STATEN

Samma, de Harodiet; Elíka, de Harodiet;

26
חֶ֚לֶץ הַ/פַּלְטִ֔י עִירָ֥א בֶן עִקֵּ֖שׁ הַ/תְּקוֹעִֽי
STATEN

Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoïet;

27
אֲבִיעֶ֨זֶר֙ הָֽ/עַנְּתֹתִ֔י מְבֻנַּ֖י הַ/חֻשָׁתִֽי
STATEN

Abí-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;

28
צַלְמוֹן֙ הָֽ/אֲחֹחִ֔י מַהְרַ֖י הַ/נְּטֹפָתִֽי
STATEN

Zalmon, de Ahohiet; Máharai, de Netofathiet;

29
חֵ֥לֶב בֶּֽן בַּעֲנָ֖ה הַ/נְּטֹפָתִ֑י אִתַּי֙ בֶּן רִיבַ֔י מִ/גִּבְעַ֖ת בְּנֵ֥י בִנְיָמִֽן
STATEN

Heleb, de zoon van Báëna, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gíbea der kinderen Benjamins;

30
בְּנָיָ֨הוּ֙ פִּרְעָ֣תֹנִ֔י הִדַּ֖י מִ/נַּ֥חֲלֵי גָֽעַשׁ
STATEN

Benája, de Pirháthoniet; Hiddai, van de beken van Gaäs;

31
אֲבִֽי עַלְבוֹן֙ הָֽ/עַרְבָתִ֔י עַזְמָ֖וֶת הַ/בַּרְחֻמִֽי
STATEN

Abi-Albôn, de Arbathiet; Azmáveth, de Barhumiet;

32
אֶלְיַחְבָּא֙ הַ/שַּׁ֣עַלְבֹנִ֔י בְּנֵ֥י יָשֵׁ֖ן יְהוֹנָתָֽן
STATEN

Eljachba, de Saälboniet; van de zonen van Jazen, Jónathan;

33
שַׁמָּה֙ הַֽ/הֲרָרִ֔י אֲחִיאָ֥ם בֶּן שָׁרָ֖ר הָארָרִֽי
STATEN

Samma, de Harariet; Ahíam, de zoon van Sarar, de Harariet;

34
אֱלִיפֶ֥לֶט בֶּן אֲחַסְבַּ֖י בֶּן הַ/מַּֽעֲכָתִ֑י אֱלִיעָ֥ם בֶּן אֲחִיתֹ֖פֶל הַ/גִּלֹנִֽי
STATEN

Elifélet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Máächathiet; Elíam, de zoon van Achitófel, de Giloniet;

35
חצרו הַֽ/כַּרְמְלִ֔י פַּעֲרַ֖י הָ/אַרְבִּֽי חֶצְרַי֙
STATEN

Hezrai, de Karmeliet; Paërai, de Arbiet;

36
יִגְאָ֤ל בֶּן נָתָן֙ מִ/צֹּבָ֔ה בָּנִ֖י הַ/גָּדִֽי
STATEN

Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;

37
צֶ֖לֶק הָ/עַמֹּנִ֑י נַחְרַי֙ הַ/בְּאֵ֣רֹתִ֔י נשאי כְּלֵ֖י יוֹאָ֥ב בֶּן צְרֻיָֽה נֹשֵׂ֕א
STATEN

Zelek, de Ammoniet; Náharai, de Beërothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zerúja;

38
עִירָא֙ הַ/יִּתְרִ֔י גָּרֵ֖ב הַ/יִּתְרִֽי
STATEN

Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;

39
אֽוּרִיָּה֙ הַֽ/חִתִּ֔י כֹּ֖ל שְׁלֹשִׁ֥ים וְ/שִׁבְעָֽה
STATEN

Uría, de Hethiet, zeven en dertig in alles.