NEVIIM

2 Samuël 22

שְׁמוּאֵל ב
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְדַבֵּ֤ר דָּוִד֙ לַֽ/יהוָ֔ה אֶת דִּבְרֵ֖י הַ/שִּׁירָ֣ה הַ/זֹּ֑את בְּ/יוֹם֩ הִצִּ֨יל יְהוָ֥ה אֹת֛/וֹ מִ/כַּ֥ף כָּל אֹיְבָ֖י/ו וּ/מִ/כַּ֥ף שָׁאֽוּל
STATEN

En David sprak de woorden dezes lieds tot den HEERE, ten dage als de HEERE hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.

2
וַ/יֹּאמַ֑ר יְהוָ֛ה סַֽלְעִ֥/י וּ/מְצֻדָתִ֖/י וּ/מְפַלְטִ/י לִֽ/י
STATEN

Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.

3
אֱלֹהֵ֥י צוּרִ֖/י אֶחֱסֶה בּ֑/וֹ מָגִנִּ֞/י וְ/קֶ֣רֶן יִשְׁעִ֗/י מִשְׂגַּבִּ/י֙ וּ/מְנוּסִ֔/י מֹשִׁעִ֕/י מֵ/חָמָ֖ס תֹּשִׁעֵֽ/נִי
STATEN

God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!

4
מְהֻלָּ֖ל אֶקְרָ֣א יְהוָ֑ה וּ/מֵ/אֹיְבַ֖/י אִוָּשֵֽׁעַ
STATEN

Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.

5
כִּ֥י אֲפָפֻ֖/נִי מִשְׁבְּרֵי מָ֑וֶת נַחֲלֵ֥י בְלִיַּ֖עַל יְבַעֲתֻֽ/נִי
STATEN

Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.

6
חֶבְלֵ֥י שְׁא֖וֹל סַבֻּ֑/נִי קִדְּמֻ֖/נִי מֹֽקְשֵׁי מָֽוֶת
STATEN

Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.

7
בַּ/צַּר לִ/י֙ אֶקְרָ֣א יְהוָ֔ה וְ/אֶל אֱלֹהַ֖/י אֶקְרָ֑א וַ/יִּשְׁמַ֤ע מֵ/הֵֽיכָל/וֹ֙ קוֹלִ֔/י וְ/שַׁוְעָתִ֖/י בְּ/אָזְנָֽי/ו
STATEN

Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.

8
ו/תגעש וַ/תִּרְעַשׁ֙ הָ/אָ֔רֶץ מוֹסְד֥וֹת הַ/שָּׁמַ֖יִם יִרְגָּ֑זוּ וַ/יִּֽתְגָּעֲשׁ֖וּ כִּֽי חָ֥רָה לֽ/וֹ וַ/יִּתְגָּעַ֤שׁ
STATEN

Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.

9
עָלָ֤ה עָשָׁן֙ בְּ/אַפּ֔/וֹ וְ/אֵ֥שׁ מִ/פִּ֖י/ו תֹּאכֵ֑ל גֶּחָלִ֖ים בָּעֲר֥וּ מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

10
וַ/יֵּ֥ט שָׁמַ֖יִם וַ/יֵּרַ֑ד וַ/עֲרָפֶ֖ל תַּ֥חַת רַגְלָֽי/ו
STATEN

En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.

11
וַ/יִּרְכַּ֥ב עַל כְּר֖וּב וַ/יָּעֹ֑ף וַ/יֵּרָ֖א עַל כַּנְפֵי רֽוּחַ
STATEN

En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.

12
וַ/יָּ֥שֶׁת חֹ֛שֶׁךְ סְבִיבֹתָ֖י/ו סֻכּ֑וֹת חַֽשְׁרַת מַ֖יִם עָבֵ֥י שְׁחָקִֽים
STATEN

En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.

13
מִ/נֹּ֖גַהּ נֶגְדּ֑/וֹ בָּעֲר֖וּ גַּחֲלֵי אֵֽשׁ
STATEN

Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.

14
יַרְעֵ֥ם מִן שָׁמַ֖יִם יְהוָ֑ה וְ/עֶלְי֖וֹן יִתֵּ֥ן קוֹלֽ/וֹ
STATEN

De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.

15
וַ/יִּשְׁלַ֥ח חִצִּ֖ים וַ/יְפִיצֵ֑/ם בָּרָ֖ק ו/יהמ/ם וַ/יָּהֹֽם
STATEN

En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.

16
וַ/יֵּֽרָאוּ֙ אֲפִ֣קֵי יָ֔ם יִגָּל֖וּ מֹסְד֣וֹת תֵּבֵ֑ל בְּ/גַעֲרַ֣ת יְהוָ֔ה מִ/נִּשְׁמַ֖ת ר֥וּחַ אַפּֽ/וֹ
STATEN

En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.

17
יִשְׁלַ֥ח מִ/מָּר֖וֹם יִקָּחֵ֑/נִי יַֽמְשֵׁ֖/נִי מִ/מַּ֥יִם רַבִּֽים
STATEN

Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

18
יַצִּילֵ֕/נִי מֵ/אֹיְבִ֖/י עָ֑ז מִ/שֹּׂ֣נְאַ֔/י כִּ֥י אָמְצ֖וּ מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

19
יְקַדְּמֻ֖/נִי בְּ/י֣וֹם אֵידִ֑/י וַ/יְהִ֧י יְהוָ֛ה מִשְׁעָ֖ן לִֽ/י
STATEN

Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.

20
וַ/יֹּצֵ֥א לַ/מֶּרְחָ֖ב אֹתִ֑/י יְחַלְּצֵ֖/נִי כִּי חָ֥פֵֽץ בִּֽ/י
STATEN

En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

21
יִגְמְלֵ֥/נִי יְהוָ֖ה כְּ/צִדְקָתִ֑/י כְּ/בֹ֥ר יָדַ֖/י יָשִׁ֥יב לִֽ/י
STATEN

De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

22
כִּ֥י שָׁמַ֖רְתִּי דַּרְכֵ֣י יְהוָ֑ה וְ/לֹ֥א רָשַׁ֖עְתִּי מֵ/אֱלֹהָֽ/י
STATEN

Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

23
כִּ֥י כָל משפט/ו לְ/נֶגְדִּ֑/י וְ/חֻקֹּתָ֖י/ו לֹא אָס֥וּר מִמֶּֽ/נָּה מִשְׁפָּטָ֖י/ו
STATEN

Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.

24
וָ/אֶהְיֶ֥ה תָמִ֖ים ל֑/וֹ וָ/אֶשְׁתַּמְּרָ֖/ה מֵ/עֲוֺנִֽ/י
STATEN

Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

25
וַ/יָּ֧שֶׁב יְהוָ֛ה לִ֖/י כְּ/צִדְקָתִ֑/י כְּ/בֹרִ֖/י לְ/נֶ֥גֶד עֵינָֽי/ו
STATEN

Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.

26
עִם חָסִ֖יד תִּתְחַסָּ֑ד עִם גִּבּ֥וֹר תָּמִ֖ים תִּתַּמָּֽם
STATEN

Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren; bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.

27
עִם נָבָ֖ר תִּתָּבָ֑ר וְ/עִם עִקֵּ֖שׁ תִּתַּפָּֽל
STATEN

Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.

28
וְ/אֶת עַ֥ם עָנִ֖י תּוֹשִׁ֑יעַ וְ/עֵינֶ֖י/ךָ עַל רָמִ֥ים תַּשְׁפִּֽיל
STATEN

En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.

29
כִּֽי אַתָּ֥ה נֵירִ֖/י יְהוָ֑ה וַ/יהוָ֖ה יַגִּ֥יהַּ חָשְׁכִּֽ/י
STATEN

Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.

30
כִּ֥י בְ/כָ֖ה אָר֣וּץ גְּד֑וּד בֵּ/אלֹהַ֖/י אֲדַלֶּג שֽׁוּר
STATEN

Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur.

31
הָ/אֵ֖ל תָּמִ֣ים דַּרְכּ֑/וֹ אִמְרַ֤ת יְהוָה֙ צְרוּפָ֔ה מָגֵ֣ן ה֔וּא לְ/כֹ֖ל הַ/חֹסִ֥ים בּֽ/וֹ
STATEN

Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.

32
כִּ֥י מִי אֵ֖ל מִ/בַּלְעֲדֵ֣י יְהוָ֑ה וּ/מִ֥י צ֖וּר מִֽ/בַּלְעֲדֵ֥י אֱלֹהֵֽי/נוּ
STATEN

Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?

33
הָ/אֵ֥ל מָעוּזִּ֖/י חָ֑יִל וַ/יַּתֵּ֥ר תָּמִ֖ים דרכ/ו דַּרְכִּֽ/י
STATEN

God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.

34
מְשַׁוֶּ֥ה רגלי/ו כָּ/אַיָּל֑וֹת וְ/עַ֥ל בָּמוֹתַ֖/י יַעֲמִדֵֽ/נִי רַגְלַ֖/י
STATEN

Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.

35
מְלַמֵּ֥ד יָדַ֖/י לַ/מִּלְחָמָ֑ה וְ/נִחַ֥ת קֶֽשֶׁת נְחוּשָׁ֖ה זְרֹעֹתָֽ/י
STATEN

Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

36
וַ/תִּתֶּן לִ֖/י מָגֵ֣ן יִשְׁעֶ֑/ךָ וַ/עֲנֹתְ/ךָ֖ תַּרְבֵּֽ/נִי
STATEN

Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.

37
תַּרְחִ֥יב צַעֲדִ֖/י תַּחְתֵּ֑/נִי וְ/לֹ֥א מָעֲד֖וּ קַרְסֻלָּֽ/י
STATEN

Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

38
אֶרְדְּפָ֥ה אֹיְבַ֖/י וָ/אַשְׁמִידֵ֑/ם וְ/לֹ֥א אָשׁ֖וּב עַד כַּלּוֹתָֽ/ם
STATEN

Ik vervolgde mijn vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had.

39
וָ/אֲכַלֵּ֥/ם וָ/אֶמְחָצֵ֖/ם וְ/לֹ֣א יְקוּמ֑וּ/ן וַֽ/יִּפְּל֖וּ תַּ֥חַת רַגְלָֽ/י
STATEN

En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.

40
וַ/תַּזְרֵ֥/נִי חַ֖יִל לַ/מִּלְחָמָ֑ה תַּכְרִ֥יעַ קָמַ֖/י תַּחְתֵּֽ/נִי
STATEN

Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.

41
וְ/אֹ֣יְבַ֔/י תַּ֥תָּה לִּ֖/י עֹ֑רֶף מְשַׂנְאַ֖/י וָ/אַצְמִיתֵֽ/ם
STATEN

En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.

42
יִשְׁע֖וּ וְ/אֵ֣ין מֹשִׁ֑יעַ אֶל יְהוָ֖ה וְ/לֹ֥א עָנָֽ/ם
STATEN

Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.

43
וְ/אֶשְׁחָקֵ֖/ם כַּ/עֲפַר אָ֑רֶץ כְּ/טִיט חוּצ֥וֹת אֲדִקֵּ֖/ם אֶרְקָעֵֽ/ם
STATEN

Toen vergruisde ik hen als stof der aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk der straten.

44
וַֽ/תְּפַלְּטֵ֔/נִי מֵ/רִיבֵ֖י עַמִּ֑/י תִּשְׁמְרֵ֨/נִי֙ לְ/רֹ֣אשׁ גּוֹיִ֔ם עַ֥ם לֹא יָדַ֖עְתִּי יַעַבְדֻֽ/נִי
STATEN

Ook hebt Gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks, Gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.

45
בְּנֵ֥י נֵכָ֖ר יִתְכַּֽחֲשׁוּ לִ֑/י לִ/שְׁמ֥וֹעַ אֹ֖זֶן יִשָּׁ֥מְעוּ לִֽ/י
STATEN

Vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.

46
בְּנֵ֥י נֵכָ֖ר יִבֹּ֑לוּ וְ/יַחְגְּר֖וּ מִ/מִּסְגְּרוֹתָֽ/ם
STATEN

Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten.

47
חַי יְהוָ֖ה וּ/בָר֣וּךְ צוּרִ֑/י וְ/יָרֻ֕ם אֱלֹהֵ֖י צ֥וּר יִשְׁעִֽ/י
STATEN

De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils!

48
הָ/אֵ֕ל הַ/נֹּתֵ֥ן נְקָמֹ֖ת לִ֑/י וּ/מוֹרִ֥יד עַמִּ֖ים תַּחְתֵּֽ/נִי
STATEN

De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;

49
וּ/מוֹצִיאִ֖/י מֵ/אֹֽיְבָ֑/י וּ/מִ/קָּמַ/י֙ תְּר֣וֹמְמֵ֔/נִי מֵ/אִ֥ישׁ חֲמָסִ֖ים תַּצִּילֵֽ/נִי
STATEN

En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.

50
עַל כֵּ֛ן אוֹדְ/ךָ֥ יְהוָ֖ה בַּ/גּוֹיִ֑ם וּ/לְ/שִׁמְ/ךָ֖ אֲזַמֵּֽר
STATEN

Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.

51
מגדיל יְשׁוּע֣וֹת מַלְכּ֑/וֹ וְ/עֹֽשֶׂה חֶ֧סֶד לִ/מְשִׁיח֛/וֹ לְ/דָוִ֥ד וּ/לְ/זַרְע֖/וֹ עַד עוֹלָֽם מִגְדּ֖וֹל
STATEN

Hij is een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.