KETUVIM

1 Kronieken 4

דִּבְרֵי הַיָּמִים א
Hoofdstukken (29)
1234567891011121314151617181920212223242526272829
Getuigen
Interlineair
1
בְּנֵ֖י יְהוּדָ֑ה פֶּ֧רֶץ חֶצְר֛וֹן וְ/כַרְמִ֖י וְ/ח֥וּר וְ/שׁוֹבָֽל
STATEN

De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.

2
וּ/רְאָיָ֤ה בֶן שׁוֹבָל֙ הוֹלִ֣יד אֶת יַ֔חַת וְ/יַ֣חַת הֹלִ֔יד אֶת אֲחוּמַ֖י וְ/אֶת לָ֑הַד אֵ֖לֶּה מִשְׁפְּח֥וֹת הַ/צָּֽרְעָתִֽי
STATEN

En Reája, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahúmai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

3
וְ/אֵ֨לֶּה֙ אֲבִ֣י עֵיטָ֔ם יִזְרְעֶ֥אל וְ/יִשְׁמָ֖א וְ/יִדְבָּ֑שׁ וְ/שֵׁ֥ם אֲחוֹתָ֖/ם הַצְלֶלְפּֽוֹנִי
STATEN

En dezen zijn van den vader Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelpóni.

4
וּ/פְנוּאֵל֙ אֲבִ֣י גְדֹ֔ר וְ/עֵ֖זֶר אֲבִ֣י חוּשָׁ֑ה אֵ֤לֶּה בְנֵי חוּר֙ בְּכ֣וֹר אֶפְרָ֔תָה אֲבִ֖י בֵּ֥ית לָֽחֶם
STATEN

En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

5
וּ/לְ/אַשְׁחוּר֙ אֲבִ֣י תְק֔וֹעַ הָי֖וּ שְׁתֵּ֣י נָשִׁ֑ים חֶלְאָ֖ה וְ/נַעֲרָֽה
STATEN

Asschur nu, de vader van Thekóa, had twee vrouwen, Hela en Náära.

6
וַ/תֵּ֨לֶד ל֤/וֹ נַעֲרָה֙ אֶת אֲחֻזָּ֣ם וְ/אֶת חֵ֔פֶר וְ/אֶת תֵּימְנִ֖י וְ/אֶת הָ/אֲחַשְׁתָּרִ֑י אֵ֖לֶּה בְּנֵ֥י נַעֲרָֽה
STATEN

En Náära baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Témeni, en Haähástari. Dit zijn de kinderen van Náära.

7
וּ/בְנֵ֖י חֶלְאָ֑ה צֶ֥רֶת יצחר וְ/אֶתְנָֽן וְ/צֹ֖חַר
STATEN

En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezóhar, en Ethnan.

8
וְ/ק֣וֹץ הוֹלִ֔יד אֶת עָנ֖וּב וְ/אֶת הַ/צֹּבֵבָ֑ה וּ/מִשְׁפְּח֥וֹת אֲחַרְחֵ֖ל בֶּן הָרֽוּם
STATEN

En Koz gewon Anub en Hazobéba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.

9
וַ/יְהִ֣י יַעְבֵּ֔ץ נִכְבָּ֖ד מֵ/אֶחָ֑י/ו וְ/אִמּ֗/וֹ קָרְאָ֨ה שְׁמ֤/וֹ יַעְבֵּץ֙ לֵ/אמֹ֔ר כִּ֥י יָלַ֖דְתִּי בְּ/עֹֽצֶב
STATEN

Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.

10
וַ/יִּקְרָ֣א יַ֠עְבֵּץ לֵ/אלֹהֵ֨י יִשְׂרָאֵ֜ל לֵ/אמֹ֗ר אִם בָּרֵ֨ךְ תְּבָרֲכֵ֜/נִי וְ/הִרְבִּ֤יתָ אֶת גְּבוּלִ/י֙ וְ/הָיְתָ֤ה יָדְ/ךָ֙ עִמִּ֔/י וְ/עָשִׂ֥יתָ מֵּ/רָעָ֖ה לְ/בִלְתִּ֣י עָצְבִּ֑/י וַ/יָּבֵ֥א אֱלֹהִ֖ים אֵ֥ת אֲשֶׁר שָׁאָֽל
STATEN

Want Jabez riep den God Israëls aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.

11
וּ/כְל֥וּב אֲחִֽי שׁוּחָ֖ה הוֹלִ֣יד אֶת מְחִ֑יר ה֖וּא אֲבִ֥י אֶשְׁתּֽוֹן
STATEN

En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.

12
וְ/אֶשְׁתּ֗וֹן הוֹלִ֞יד אֶת בֵּ֤ית רָפָא֙ וְ/אֶת פָּסֵ֔חַ וְ/אֶת תְּחִנָּ֖ה אֲבִ֣י עִ֣יר נָחָ֑שׁ אֵ֖לֶּה אַנְשֵׁ֥י רֵכָֽה
STATEN

Eston nu gewon Beth-rafa, en Paséa, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.

13
וּ/בְנֵ֣י קְנַ֔ז עָתְנִיאֵ֖ל וּ/שְׂרָיָ֑ה וּ/בְנֵ֥י עָתְנִיאֵ֖ל חֲתַֽת
STATEN

En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Serája; en de kinderen van Othniël, Hathath.

14
וּ/מְעוֹנֹתַ֖י הוֹלִ֣יד אֶת עָפְרָ֑ה וּ/שְׂרָיָ֗ה הוֹלִ֤יד אֶת יוֹאָב֙ אֲבִי֙ גֵּ֣יא חֲרָשִׁ֔ים כִּ֥י חֲרָשִׁ֖ים הָיֽוּ
STATEN

En Meónothai gewon Ofra; en Serája gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.

15
וּ/בְנֵי֙ כָּלֵ֣ב בֶּן יְפֻנֶּ֔ה עִ֥ירוּ אֵלָ֖ה וָ/נָ֑עַם וּ/בְנֵ֥י אֵלָ֖ה וּ/קְנַֽז
STATEN

De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.

16
וּ/בְנֵ֖י יְהַלֶּלְאֵ֑ל זִ֣יף וְ/זִיפָ֔ה תִּירְיָ֖א וַ/אֲשַׂרְאֵֽל
STATEN

En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thírea en Asáreël.

17
וּ/בֶן עֶזְרָ֔ה יֶ֥תֶר וּ/מֶ֖רֶד וְ/עֵ֣פֶר וְ/יָל֑וֹן וַ/תַּ֨הַר֙ אֶת מִרְיָ֣ם וְ/אֶת שַׁמַּ֔י וְ/אֶת יִשְׁבָּ֖ח אֲבִ֥י אֶשְׁתְּמֹֽעַ
STATEN

En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemóa.

18
וְ/אִשְׁתּ֣/וֹ הַ/יְהֻדִיָּ֗ה יָלְדָ֞ה אֶת יֶ֨רֶד אֲבִ֤י גְדוֹר֙ וְ/אֶת חֶ֨בֶר֙ אֲבִ֣י שׂוֹכ֔וֹ וְ/אֶת יְקֽוּתִיאֵ֖ל אֲבִ֣י זָנ֑וֹחַ וְ/אֵ֗לֶּה בְּנֵי֙ בִּתְיָ֣ה בַת פַּרְעֹ֔ה אֲשֶׁ֥ר לָקַ֖ח מָֽרֶד
STATEN

En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekúthiël, den vader van Zanóah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Faraö, die Mered genomen had.

19
וּ/בְנֵי֙ אֵ֣שֶׁת הֽוֹדִיָּ֔ה אֲח֣וֹת נַ֔חַם אֲבִ֥י קְעִילָ֖ה הַ/גַּרְמִ֑י וְ/אֶשְׁתְּמֹ֖עַ הַ/מַּעֲכָתִֽי
STATEN

En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehíla, de Garmiet, en Esthemóa, de Maächathiet.

20
וּ/בְנֵ֣י שִׁימ֔וֹן אַמְנ֣וֹן וְ/רִנָּ֔ה בֶּן חָנָ֖ן ו/תולון וּ/בְנֵ֣י יִשְׁעִ֔י זוֹחֵ֖ת וּ/בֶן זוֹחֵֽת וְ/תִיל֑וֹן
STATEN

En de kinderen van Simon nu waren Ammon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Iseï waren Zoheth en Ben-Zoheth.

21
בְּנֵי֙ שֵׁלָ֣ה בֶן יְהוּדָ֔ה עֵ֚ר אֲבִ֣י לֵכָ֔ה וְ/לַעְדָּ֖ה אֲבִ֣י מָרֵשָׁ֑ה וּ/מִשְׁפְּח֛וֹת בֵּית עֲבֹדַ֥ת הַ/בֻּ֖ץ לְ/בֵ֥ית אַשְׁבֵּֽעַ
STATEN

De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Marésa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbéa.

22
וְ/יוֹקִ֞ים וְ/אַנְשֵׁ֣י כֹזֵבָ֗א וְ/יוֹאָ֧שׁ וְ/שָׂרָ֛ף אֲשֶׁר בָּעֲל֥וּ לְ/מוֹאָ֖ב וְ/יָשֻׁ֣בִי לָ֑חֶם וְ/הַ/דְּבָרִ֖ים עַתִּיקִֽים
STATEN

Daartoe Jokim, en de mannen van Chozéba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasúbiléhem; doch deze dingen zijn oud.

23
הֵ֚מָּה הַ/יּ֣וֹצְרִ֔ים וְ/יֹשְׁבֵ֥י נְטָעִ֖ים וּ/גְדֵרָ֑ה עִם הַ/מֶּ֥לֶךְ בִּ/מְלַאכְתּ֖/וֹ יָ֥שְׁבוּ שָֽׁם
STATEN

Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk.

24
בְּנֵ֖י שִׁמְע֑וֹן נְמוּאֵ֣ל וְ/יָמִ֔ין יָרִ֖יב זֶ֥רַח שָׁאֽוּל
STATEN

De kinderen van Simeon waren Nenúël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.

25
שַׁלֻּ֥ם בְּנ֛/וֹ מִבְשָׂ֥ם בְּנ֖/וֹ מִשְׁמָ֥ע בְּנֽ/וֹ
STATEN

Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.

26
וּ/בְנֵ֖י מִשְׁמָ֑ע חַמּוּאֵ֥ל בְּנ֛/וֹ זַכּ֥וּר בְּנ֖/וֹ שִׁמְעִ֥י בְנֽ/וֹ
STATEN

De kinderen van Misma waren dezen: Hammúël zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simeï zijn zoon.

27
וּ/לְ/שִׁמְעִ֞י בָּנִ֨ים שִׁשָּׁ֤ה עָשָׂר֙ וּ/בָנ֣וֹת שֵׁ֔שׁ וּ/לְ/אֶחָ֕י/ו אֵ֖ין בָּנִ֣ים רַבִּ֑ים וְ/כֹל֙ מִשְׁפַּחְתָּ֔/ם לֹ֥א הִרְבּ֖וּ עַד בְּנֵ֥י יְהוּדָֽה
STATEN

Simeï nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.

28
וַ/יֵּֽשְׁב֛וּ בִּ/בְאֵֽר שֶׁ֥בַע וּ/מוֹלָדָ֖ה וַ/חֲצַ֥ר שׁוּעָֽל
STATEN

En zij woonden te Ber-séba, en te Mólada, en te Hazar-Sual,

29
וּ/בְ/בִלְהָ֥ה וּ/בְ/עֶ֖צֶם וּ/בְ/תוֹלָֽד
STATEN

En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,

30
וּ/בִ/בְתוּאֵ֥ל וּ/בְ/חָרְמָ֖ה וּ/בְ/צִֽיקְלָֽג
STATEN

En te Bethúël, en te Horma, en te Ziklag,

31
וּ/בְ/בֵ֤ית מַרְכָּבוֹת֙ וּ/בַ/חֲצַ֣ר סוּסִ֔ים וּ/בְ/בֵ֥ית בִּרְאִ֖י וּֽ/בְ/שַׁעֲרָ֑יִם אֵ֥לֶּה עָרֵי/הֶ֖ם עַד מְלֹ֥ךְ דָּוִֽיד
STATEN

En te Beth-markabôth, en te Hazar-Susim, en te Beth-bíri, en te Saäráïm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.

32
וְ/חַצְרֵי/הֶם֙ עֵיטָ֣ם וָ/עַ֔יִן רִמּ֥וֹן וְ/תֹ֖כֶן וְ/עָשָׁ֑ן עָרִ֖ים חָמֵֽשׁ
STATEN

En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.

33
וְ/כָל חַצְרֵי/הֶ֗ם אֲשֶׁ֧ר סְבִיב֛וֹת הֶ/עָרִ֥ים הָ/אֵ֖לֶּה עַד בָּ֑עַל זֹ֚את מוֹשְׁבֹתָ֔/ם וְ/הִתְיַחְשָׂ֖/ם לָ/הֶֽם
STATEN

En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baäl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.

34
וּ/מְשׁוֹבָ֣ב וְ/יַמְלֵ֔ךְ וְ/יוֹשָׁ֖ה בֶּן אֲמַצְיָֽה
STATEN

Doch Mesóbab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amázia,

35
וְ/יוֹאֵ֑ל וְ/יֵהוּא֙ בֶּן י֣וֹשִׁבְיָ֔ה בֶּן שְׂרָיָ֖ה בֶּן עֲשִׂיאֵֽל
STATEN

En Joël, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël,

36
וְ/אֶלְיוֹעֵינַ֡י וְֽ/יַעֲקֹ֡בָה וִ֠/ישׁוֹחָיָה וַ/עֲשָׂיָ֧ה וַ/עֲדִיאֵ֛ל וִ/ישִׂימִאֵ֖ל וּ/בְנָיָֽה
STATEN

En Eljoënai, en Jaäkóba, en Jesóhaja, en Asája, en Adíël, en Jesiméël, en Benája,

37
וְ/זִיזָ֨א בֶן שִׁפְעִ֧י בֶן אַלּ֛וֹן בֶּן יְדָיָ֥ה בֶן שִׁמְרִ֖י בֶּן שְׁמַֽעְיָֽה
STATEN

En Ziza, de zoon van Sifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedája, den zoon van Simri, den zoon van Semája;

38
אֵ֚לֶּה הַ/בָּאִ֣ים בְּ/שֵׁמ֔וֹת נְשִׂיאִ֖ים בְּ/מִשְׁפְּחוֹתָ֑/ם וּ/בֵית֙ אֲב֣וֹתֵי/הֶ֔ם פָּרְצ֖וּ לָ/רֽוֹב
STATEN

Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.

39
וַ/יֵּלְכוּ֙ לִ/מְב֣וֹא גְדֹ֔ר עַ֖ד לְ/מִזְרַ֣ח הַ/גָּ֑יְא לְ/בַקֵּ֥שׁ מִרְעֶ֖ה לְ/צֹאנָֽ/ם
STATEN

En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.

40
וַֽ/יִּמְצְא֤וּ מִרְעֶה֙ שָׁמֵ֣ן וָ/ט֔וֹב וְ/הָ/אָ֨רֶץ֙ רַחֲבַ֣ת יָדַ֔יִם וְ/שֹׁקֶ֖טֶת וּ/שְׁלֵוָ֑ה כִּ֣י מִן חָ֔ם הַ/יֹּשְׁבִ֥ים שָׁ֖ם לְ/פָנִֽים
STATEN

En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren.

41
וַ/יָּבֹ֡אוּ אֵלֶּה֩ הַ/כְּתוּבִ֨ים בְּ/שֵׁמ֜וֹת בִּ/ימֵ֣י יְחִזְקִיָּ֣הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֗ה וַ/יַּכּ֨וּ אֶת אָהֳלֵי/הֶ֜ם וְ/אֶת ה/מעינים אֲשֶׁ֤ר נִמְצְאוּ שָׁ֨מָּ/ה֙ וַ/יַּחֲרִימֻ/ם֙ עַד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה וַ/יֵּשְׁב֖וּ תַּחְתֵּי/הֶ֑ם כִּֽי מִרְעֶ֥ה לְ/צֹאנָ֖/ם שָֽׁם הַ/מְּעוּנִ֨ים
STATEN

Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkía, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.

42
וּ/מֵ/הֶ֣ם מִן בְּנֵ֣י שִׁמְע֗וֹן הָלְכוּ֙ לְ/הַ֣ר שֵׂעִ֔יר אֲנָשִׁ֖ים חֲמֵ֣שׁ מֵא֑וֹת וּ/פְלַטְיָ֡ה וּ֠/נְעַרְיָה וּ/רְפָיָ֧ה וְ/עֻזִּיאֵ֛ל בְּנֵ֥י יִשְׁעִ֖י בְּ/רֹאשָֽׁ/ם
STATEN

Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Símeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refája, en Izziël, de zonen van Iseï, waren hun tot hoofden.

43
וַ/יַּכּ֕וּ אֶת שְׁאֵרִ֥ית הַ/פְּלֵטָ֖ה לַ/עֲמָלֵ֑ק וַ/יֵּ֣שְׁבוּ שָׁ֔ם עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה
STATEN

En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.