Ga naar inhoud
KETUVIM

1 Kronieken 19

דִּבְרֵי הַיָּמִים א
Hoofdstukken (29)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִי֙ אַחֲרֵי כֵ֔ן וַ/יָּ֕מָת נָחָ֖שׁ מֶ֣לֶךְ בְּנֵי עַמּ֑וֹן וַ/יִּמְלֹ֥ךְ בְּנ֖/וֹ תַּחְתָּֽי/ו־־׃
STATEN

En het geschiedde na dezen, dat Nahas, de koning der kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.

2
וַ/יֹּ֨אמֶר דָּוִ֜יד אֶֽעֱשֶׂה חֶ֣סֶד עִם חָנ֣וּן בֶּן נָחָ֗שׁ כִּֽי עָשָׂ֨ה אָבִ֤י/ו עִמִּ/י֙ חֶ֔סֶד וַ/יִּשְׁלַ֥ח דָּוִ֛יד מַלְאָכִ֖ים לְ/נַחֲמ֣/וֹ עַל אָבִ֑י/ו וַ/יָּבֹאוּ֩ עַבְדֵ֨י דָוִ֜יד אֶל אֶ֧רֶץ בְּנֵי עַמּ֛וֹן אֶל חָנ֖וּן לְ/נַחֲמֽ/וֹ־׀־־־־־־־׃
STATEN

Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas; want zijn vader heeft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden, om hem te troosten over zijn vader. Toen de knechten van David in het land der kinderen Ammons tot Hanun kwamen, om hem te troosten,

3
וַ/יֹּאמְרוּ֩ שָׂרֵ֨י בְנֵי עַמּ֜וֹן לְ/חָנ֗וּן הַֽ/מְכַבֵּ֨ד דָּוִ֤יד אֶת אָבִ֨י/ךָ֙ בְּ/עֵינֶ֔י/ךָ כִּֽי שָׁלַ֥ח לְ/ךָ֖ מְנַחֲמִ֑ים הֲ/לֹ֡א בַּ֠/עֲבוּר לַ/חְקֹ֨ר וְ/לַ/הֲפֹ֤ךְ וּ/לְ/רַגֵּל֙ הָ/אָ֔רֶץ בָּ֥אוּ עֲבָדָ֖י/ו אֵלֶֽי/ךָ־־־׃פ
STATEN

Zo zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijn knechten tot u gekomen, om te doorzoeken, en om om te keren, en om het land te verspieden?

4
וַ/יִּקַּ֨ח חָנ֜וּן אֶת עַבְדֵ֤י דָוִיד֙ וַֽ/יְגַלְּחֵ֔/ם וַ/יִּכְרֹ֧ת אֶת מַדְוֵי/הֶ֛ם בַּ/חֵ֖צִי עַד הַ/מִּפְשָׂעָ֑ה וַֽ/יְשַׁלְּחֵֽ/ם־־־׃
STATEN

Daarom nam Hanun de knechten van David, en hij beschoor hen, en sneed hun klederen half af tot aan de heupen, en liet hen henengaan.

5
וַ/יֵּלְכוּ֩ וַ/יַּגִּ֨ידוּ לְ/דָוִ֤יד עַל הָֽ/אֲנָשִׁים֙ וַ/יִּשְׁלַ֣ח לִ/קְרָאתָ֔/ם כִּי הָי֥וּ הָ/אֲנָשִׁ֖ים נִכְלָמִ֣ים מְאֹ֑ד וַ/יֹּ֤אמֶר הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ שְׁב֣וּ בִֽ/ירֵח֔וֹ עַ֛ד אֲשֶׁר יְצַמַּ֥ח זְקַנְ/כֶ֖ם וְ/שַׁבְתֶּֽם־־־׃
STATEN

Zij nu gingen henen, en men boodschapte David van deze mannen; en hij zond hun tegemoet; want die mannen waren zeer beschaamd. De koning dan zeide: Blijft te Jericho, totdat ulieder baard weder gewassen zij; komt dan wederom.

6
וַ/יִּרְאוּ֙ בְּנֵ֣י עַמּ֔וֹן כִּ֥י הִֽתְבָּאֲשׁ֖וּ עִם דָּוִ֑יד וַ/יִּשְׁלַ֣ח חָ֠נוּן וּ/בְנֵ֨י עַמּ֜וֹן אֶ֣לֶף כִּכַּר כֶּ֗סֶף לִ/שְׂכֹּ֣ר לָ֠/הֶם מִן אֲרַ֨ם נַהֲרַ֜יִם וּ/מִן אֲרַ֤ם מַעֲכָה֙ וּ/מִ/צּוֹבָ֔ה רֶ֖כֶב וּ/פָרָשִֽׁים־־־־׃
STATEN

Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers, om zich wagenen en ruiters te huren uit Mesopotámië, en uit Syrië-Máächa, en uit Zoba;

7
וַ/יִּשְׂכְּר֣וּ לָ/הֶ֡ם שְׁנַיִם֩ וּ/שְׁלֹשִׁ֨ים אֶ֜לֶף רֶ֗כֶב וְ/אֶת מֶ֤לֶךְ מַעֲכָה֙ וְ/אֶת עַמּ֔/וֹ וַ/יָּבֹ֕אוּ וַֽ/יַּחֲנ֖וּ לִ/פְנֵ֣י מֵידְבָ֑א וּ/בְנֵ֣י עַמּ֗וֹן נֶאֶסְפוּ֙ מֵ/עָ֣רֵי/הֶ֔ם וַ/יָּבֹ֖אוּ לַ/מִּלְחָמָֽה־־׃פ
STATEN

Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagenen; en de koning van Máächa en zijn volk kwamen en legerden zich voor Médeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde.

8
וַ/יִּשְׁמַ֖ע דָּוִ֑יד וַ/יִּשְׁלַח֙ אֶת יוֹאָ֔ב וְ/אֵ֥ת כָּל צָבָ֖א הַ/גִּבּוֹרִֽים־־׃
STATEN

Toen het David hoorde, zo zond hij Joab en het ganse heir met de helden.

9
וַ/יֵּצְאוּ֙ בְּנֵ֣י עַמּ֔וֹן וַ/יַּֽעַרְכ֥וּ מִלְחָמָ֖ה פֶּ֣תַח הָ/עִ֑יר וְ/הַ/מְּלָכִ֣ים אֲשֶׁר בָּ֔אוּ לְ/בַדָּ֖/ם בַּ/שָּׂדֶֽה־׃
STATEN

Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zo stelden zij de slagorde voor de poort der stad; maar de koningen, die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld.

10
וַ/יַּ֣רְא יוֹאָ֗ב כִּֽי הָיְתָ֧ה פְנֵי הַ/מִּלְחָמָ֛ה אֵלָ֖י/ו פָּנִ֣ים וְ/אָח֑וֹר וַ/יִּבְחַ֗ר מִ/כָּל בָּחוּר֙ בְּ/יִשְׂרָאֵ֔ל וַֽ/יַּעֲרֹ֖ךְ לִ/קְרַ֥את אֲרָֽם־־־׃
STATEN

Toen Joab zag, dat de spits der slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zo verkoos hij enigen uit alle uitgelezenen in Israël, en hij stelde hen in orde tegen de Syriërs aan.

11
וְ/אֵת֙ יֶ֣תֶר הָ/עָ֔ם נָתַ֕ן בְּ/יַ֖ד אַבְשַׁ֣י אָחִ֑י/ו וַ/יַּ֣עַרְכ֔וּ לִ/קְרַ֖את בְּנֵ֥י עַמּֽוֹן׃
STATEN

En het overige des volks gaf hij in de hand van zijn broeder Abísai, en zij stelden hen in orde tegen de kinderen Ammons aan.

12
וַ/יֹּ֗אמֶר אִם תֶּחֱזַ֤ק מִמֶּ֨/נִּי֙ אֲרָ֔ם וְ/הָיִ֥יתָ לִּ֖/י לִ/תְשׁוּעָ֑ה וְ/אִם בְּנֵ֥י עַמּ֛וֹן יֶֽחֶזְק֥וּ מִמְּ/ךָ֖ וְ/הוֹשַׁעְתִּֽי/ךָ־ס־׃
STATEN

En hij zeide: Indien mij de Syriërs te sterk worden, zo zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Ammons u te sterk worden, zo zal ik u verlossen.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Kronieken 19

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Kronieken 19 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →