KETUVIM

1 Kronieken 12

דִּבְרֵי הַיָּמִים א
Hoofdstukken (29)
1234567891011121314151617181920212223242526272829
Getuigen
Interlineair
1
וְ/אֵ֗לֶּה הַ/בָּאִ֤ים אֶל דָּוִיד֙ לְ/צִ֣יקְלַ֔ג ע֣וֹד עָצ֔וּר מִ/פְּנֵ֖י שָׁא֣וּל בֶּן קִ֑ישׁ וְ/הֵ֨מָּה֙ בַּ/גִּבּוֹרִ֔ים עֹזְרֵ֖י הַ/מִּלְחָמָֽה
STATEN

Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot dien krijg hielpen.

2
נֹ֣שְׁקֵי קֶ֗שֶׁת מַיְמִינִ֤ים וּ/מַשְׂמִאלִים֙ בָּֽ/אֲבָנִ֔ים וּ/בַ/חִצִּ֖ים בַּ/קָּ֑שֶׁת מֵ/אֲחֵ֥י שָׁא֖וּל מִ/בִּנְיָמִֽן
STATEN

Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit den boog; zij waren van de broederen van Saul, uit Benjamin.

3
הָ/רֹ֨אשׁ אֲחִיעֶ֜זֶר וְ/יוֹאָ֗שׁ בְּנֵי֙ הַ/שְּׁמָעָ֣ה הַ/גִּבְעָתִ֔י ו/יזואל וָ/פֶ֖לֶט בְּנֵ֣י עַזְמָ֑וֶת וּ/בְרָכָ֕ה וְ/יֵה֖וּא הָ/עֲנְּתֹתִֽי וִ/יזִיאֵ֥ל
STATEN

Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Semáä, den Gibeathiet; daarna Jeziël en Pelet, zonen van Azmáveth, en Berácha, en Jehu, de Anathothiet.

4
וְ/יִֽשְׁמַֽעְיָ֧ה הַ/גִּבְעוֹנִ֛י גִּבּ֥וֹר בַּ/שְּׁלֹשִׁ֖ים וְ/עַל הַ/שְּׁלֹשִֽׁים
STATEN

En Jísmaja, de Gíbeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jírmeja, en Jaháziël, en Jóhanan, en Józabad, de Géderathiet;

5
וְ/יִרְמְיָ֤ה וְ/יַחֲזִיאֵל֙ וְ/י֣וֹחָנָ֔ן וְ/יוֹזָבָ֖ד הַ/גְּדֵרָתִֽי
STATEN

Elúzai, en Jerimoth, en Beálja, en Semárja, en Sefátja, de Harufiet;

6
הַ/חֲרוּפִֽי אֶלְעוּזַ֤י וִ/ירִימוֹת֙ וּ/בְעַלְיָ֣ה וּ/שְׁמַרְיָ֔הוּ וּ/שְׁפַטְיָ֖הוּ ה/חריפי
STATEN

Elkana, en Jissía, en Azáreël, en Joëzer, en Jasóbam, de Korahieten;

7
אֶלְקָנָ֡ה וְ֠/יִשִּׁיָּהוּ וַ/עֲזַרְאֵ֧ל וְ/יוֹעֶ֛זֶר וְ/יָשָׁבְעָ֖ם הַ/קָּרְחִֽים
STATEN

En Joëla en Zebadja, de zonen van Jeróham, van Gedor.

8
וְ/יוֹעֵאלָ֧ה וּ/זְבַדְיָ֛ה בְּנֵ֥י יְרֹחָ֖ם מִן הַ/גְּדֽוֹר
STATEN

Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeën op de bergen in snelheid.

9
וּ/מִן הַ/גָּדִ֡י נִבְדְּל֣וּ אֶל דָּוִיד֩ לַ/מְצַ֨ד מִדְבָּ֜רָ/ה גִּבֹּרֵ֣י הַ/חַ֗יִל אַנְשֵׁ֤י צָבָא֙ לַ/מִּלְחָמָ֔ה עֹרְכֵ֥י צִנָּ֖ה וָ/רֹ֑מַח וּ/פְנֵ֤י אַרְיֵה֙ פְּנֵי/הֶ֔ם וְ/כִ/צְבָאיִ֥ם עַל הֶ/הָרִ֖ים לְ/מַהֵֽר
STATEN

Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Elíab de derde;

10
עֵ֖זֶר הָ/רֹ֑אשׁ עֹבַדְיָה֙ הַ/שֵּׁנִ֔י אֱלִיאָ֖ב הַ/שְּׁלִשִֽׁי
STATEN

Mismánna de vierde; Jirméja de vijfde;

11
מִשְׁמַנָּה֙ הָ/רְבִיעִ֔י יִרְמְיָ֖ה הַ/חֲמִשִֽׁי
STATEN

Attai de zesde; Elíël de zevende;

12
עַתַּי֙ הַ/שִּׁשִּׁ֔י אֱלִיאֵ֖ל הַ/שְּׁבִעִֽי
STATEN

Jóhanan de achtste; Elzábad de negende;

13
יֽוֹחָנָן֙ הַ/שְּׁמִינִ֔י אֶלְזָבָ֖ד הַ/תְּשִׁיעִֽי
STATEN

Jirméja de tiende; Machbánnai de elfde.

14
יִרְמְיָ֨הוּ֙ הָ/עֲשִׂירִ֔י מַכְבַּנַּ֖י עַשְׁתֵּ֥י עָשָֽׂר
STATEN

Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.

15
אֵ֥לֶּה מִ/בְּנֵי גָ֖ד רָאשֵׁ֣י הַ/צָּבָ֑א אֶחָ֤ד לְ/מֵאָה֙ הַ/קָּטָ֔ן וְ/הַ/גָּד֖וֹל לְ/אָֽלֶף
STATEN

Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners der laagten, tegen het oosten en tegen het westen.

16
גְּדוֹתָ֑י/ו אֵ֣לֶּה הֵ֗ם אֲשֶׁ֨ר עָבְר֤וּ אֶת הַ/יַּרְדֵּן֙ בַּ/חֹ֣דֶשׁ הָ/רִאשׁ֔וֹן וְ/ה֥וּא מְמַלֵּ֖א עַל כָּל גדיתי/ו וַ/יַּבְרִ֨יחוּ֙ אֶת כָּל הָ֣/עֲמָקִ֔ים לַ/מִּזְרָ֖ח וְ/לַֽ/מַּעֲרָֽב
STATEN

Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David.

17
וַ/יָּבֹ֗אוּ מִן בְּנֵ֤י בִנְיָמִן֙ וִֽ/יהוּדָ֔ה עַד לַ/מְצָ֖ד לְ/דָוִֽיד
STATEN

En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zeide tot hen: Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het!

18
וַ/יֵּצֵ֣א דָוִיד֮ לִ/פְנֵי/הֶם֒ וַ/יַּ֨עַן֙ וַ/יֹּ֣אמֶר לָ/הֶ֔ם אִם לְ/שָׁל֞וֹם בָּאתֶ֤ם אֵלַ/י֙ לְ/עָזְרֵ֔/נִי יִֽהְיֶה לִּ֧/י עֲלֵי/כֶ֛ם לֵבָ֖ב לְ/יָ֑חַד וְ/אִֽם לְ/רַמּוֹתַ֣/נִי לְ/צָרַ֗/י בְּ/לֹ֤א חָמָס֙ בְּ/כַפַּ֔/י יֵ֛רֶא אֱלֹהֵ֥י אֲבוֹתֵ֖י/נוּ וְ/יוֹכַֽח
STATEN

En de Geest toog Amásai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.

19
הַ/שָּׁלִישִׁים֒ וְ/ר֣וּחַ לָבְשָׁ֗ה אֶת עֲמָשַׂי֮ רֹ֣אשׁ ה/שלושים לְ/ךָ֤ דָוִיד֙ וְ/עִמְּ/ךָ֣ בֶן יִשַׁ֔י שָׁל֨וֹם שָׁל֜וֹם לְ/ךָ֗ וְ/שָׁלוֹם֙ לְ/עֹ֣זְרֶ֔/ךָ כִּ֥י עֲזָרְ/ךָ֖ אֱלֹהֶ֑י/ךָ וַ/יְקַבְּלֵ֣/ם דָּוִ֔יד וַֽ/יִּתְּנֵ֖/ם בְּ/רָאשֵׁ֥י הַ/גְּדֽוּד
STATEN

Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.

20
וּ/מִֽ/מְּנַשֶּׁ֞ה נָפְל֣וּ עַל דָּוִ֗יד בְּ/בֹא֨/וֹ עִם פְּלִשְׁתִּ֧ים עַל שָׁא֛וּל לַ/מִּלְחָמָ֖ה וְ/לֹ֣א עֲזָרֻ֑/ם כִּ֣י בְ/עֵצָ֗ה שִׁלְּחֻ֜/הוּ סַרְנֵ֤י פְלִשְׁתִּים֙ לֵ/אמֹ֔ר בְּ/רָאשֵׁ֕י/נוּ יִפּ֖וֹל אֶל אֲדֹנָ֥י/ו שָׁאֽוּל
STATEN

Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Józabad, en Jedíaël, en Míchaël, en Józabad, en Elíhu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.

21
בְּ/לֶכְתּ֣/וֹ אֶל צִֽיקְלַ֗ג נָפְל֣וּ עָלָ֣י/ו מִֽ/מְּנַשֶּׁ֡ה עַ֠דְנַח וְ/יוֹזָבָ֤ד וִ/ידִֽיעֲאֵל֙ וּ/מִיכָאֵ֣ל וְ/יוֹזָבָ֔ד וֶ/אֱלִיה֖וּא וְ/צִלְּתָ֑י רָאשֵׁ֥י הָ/אֲלָפִ֖ים אֲשֶׁ֥ר לִ/מְנַשֶּֽׁה
STATEN

En dezen hielpen David mede tegen die benden; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.

22
וְ/הֵ֗מָּה עָזְר֤וּ עִם דָּוִיד֙ עַֽל הַ/גְּד֔וּד כִּֽי גִבּ֥וֹרֵי חַ֖יִל כֻּלָּ֑/ם וַ/יִּהְי֥וּ שָׂרִ֖ים בַּ/צָּבָֽא
STATEN

Want er kwamen er te dier tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods.

23
כִּ֚י לְ/עֶת י֣וֹם בְּ/י֔וֹם יָבֹ֥אוּ עַל דָּוִ֖יד לְ/עָזְר֑/וֹ עַד לְ/מַחֲנֶ֥ה גָד֖וֹל כְּ/מַחֲנֵ֥ה אֱלֹהִֽים
STATEN

En dit zijn de getallen der hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar den mond des HEEREN:

24
וְ֠/אֵלֶּה מִסְפְּרֵ֞י רָאשֵׁ֤י הֶֽ/חָלוּץ֙ לַ/צָּבָ֔א בָּ֥אוּ עַל דָּוִ֖יד חֶבְר֑וֹנָ/ה לְ/הָסֵ֞ב מַלְכ֥וּת שָׁא֛וּל אֵלָ֖י/ו כְּ/פִ֥י יְהוָֽה
STATEN

Van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten heire;

25
בְּנֵ֣י יְהוּדָ֔ה נֹשְׂאֵ֥י צִנָּ֖ה וָ/רֹ֑מַח שֵׁ֧שֶׁת אֲלָפִ֛ים וּ/שְׁמוֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת חֲלוּצֵ֥י צָבָֽא
STATEN

Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;

26
מִן בְּנֵ֣י שִׁמְע֗וֹן גִּבּ֤וֹרֵי חַ֨יִל֙ לַ/צָּבָ֔א שִׁבְעַ֥ת אֲלָפִ֖ים וּ/מֵאָֽה
STATEN

Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;

27
מִן בְּנֵי֙ הַ/לֵּוִ֔י אַרְבַּ֥עַת אֲלָפִ֖ים וְ/שֵׁ֥שׁ מֵאֽוֹת
STATEN

En Jehójada was overste der Aäronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd.

28
וִ/יהוֹיָדָ֖ע הַ/נָּגִ֣יד לְ/אַהֲרֹ֑ן וְ/עִמּ֕/וֹ שְׁלֹ֥שֶׁת אֲלָפִ֖ים וּ/שְׁבַ֥ע מֵאֽוֹת
STATEN

En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten;

29
וְ/צָד֥וֹק נַ֖עַר גִּבּ֣וֹר חָ֑יִל וּ/בֵית אָבִ֥י/ו שָׂרִ֖ים עֶשְׂרִ֥ים וּ/שְׁנָֽיִם
STATEN

En van de kinderen van Benjamin, de broederen van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden;

30
וּ/מִן בְּנֵ֧י בִנְיָמִ֛ן אֲחֵ֥י שָׁא֖וּל שְׁלֹ֣שֶׁת אֲלָפִ֑ים וְ/עַד הֵ֨נָּה֙ מַרְבִּיתָ֔/ם שֹׁמְרִ֕ים מִשְׁמֶ֖רֶת בֵּ֥ית שָׁאֽוּל
STATEN

En van de kinderen van Efraïm, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;

31
וּ/מִן בְּנֵ֣י אֶפְרַ֔יִם עֶשְׂרִ֥ים אֶ֖לֶף וּ/שְׁמוֹנֶ֣ה מֵא֑וֹת גִּבּ֣וֹרֵי חַ֔יִל אַנְשֵׁ֥י שֵׁמ֖וֹת לְ/בֵ֥ית אֲבוֹתָֽ/ם
STATEN

En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;

32
וּ/מֵ/חֲצִי֙ מַטֵּ֣ה מְנַשֶּׁ֔ה שְׁמוֹנָ֥ה עָשָׂ֖ר אָ֑לֶף אֲשֶׁ֤ר נִקְּבוּ֙ בְּ/שֵׁמ֔וֹת לָ/ב֖וֹא לְ/הַמְלִ֥יךְ אֶת דָּוִֽיד
STATEN

En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israël doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broeders pasten op hun woord;

33
וּ/מִ/בְּנֵ֣י יִשָּׂשכָ֗ר יוֹדְעֵ֤י בִינָה֙ לַֽ/עִתִּ֔ים לָ/דַ֖עַת מַה יַּעֲשֶׂ֣ה יִשְׂרָאֵ֑ל רָאשֵׁי/הֶ֣ם מָאתַ֔יִם וְ/כָל אֲחֵי/הֶ֖ם עַל פִּי/הֶֽם
STATEN

Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;

34
מִ/זְּבֻל֞וּן יוֹצְאֵ֣י צָבָ֗א עֹרְכֵ֧י מִלְחָמָ֛ה בְּ/כָל כְּלֵ֥י מִלְחָמָ֖ה חֲמִשִּׁ֣ים אָ֑לֶף וְ/לַ/עֲדֹ֖ר בְּ/לֹא לֵ֥ב וָ/לֵֽב
STATEN

En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

35
וּ/מִ/נַּפְתָּלִ֖י שָׂרִ֣ים אָ֑לֶף וְ/עִמָּ/הֶם֙ בְּ/צִנָּ֣ה וַ/חֲנִ֔ית שְׁלֹשִׁ֥ים וְ/שִׁבְעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;

36
וּ/מִן הַ/דָּנִי֙ עֹרְכֵ֣י מִלְחָמָ֔ה עֶשְׂרִֽים וּ/שְׁמוֹנָ֥ה אֶ֖לֶף וְ/שֵׁ֥שׁ מֵאֽוֹת
STATEN

En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;

37
וּ/מֵ/אָשֵׁ֗ר יוֹצְאֵ֥י צָבָ֛א לַ/עֲרֹ֥ךְ מִלְחָמָ֖ה אַרְבָּעִ֥ים אָֽלֶף
STATEN

En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.

38
וּ/מֵ/עֵ֣בֶר לַ֠/יַּרְדֵּן מִן הָ/ראוּבֵנִ֨י וְ/הַ/גָּדִ֜י וַ/חֲצִ֣י שֵׁ֣בֶט מְנַשֶּׁ֗ה בְּ/כֹל֙ כְּלֵי֙ צְבָ֣א מִלְחָמָ֔ה מֵאָ֥ה וְ/עֶשְׂרִ֖ים אָֽלֶף
STATEN

Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gans Israël. En ook was al het overige van Israël één hart, om David tot koning te maken.

39
כָּל אֵ֜לֶּה אַנְשֵׁ֣י מִלְחָמָה֮ עֹדְרֵ֣י מַעֲרָכָה֒ בְּ/לֵבָ֤ב שָׁלֵם֙ בָּ֣אוּ חֶבְר֔וֹנָ/ה לְ/הַמְלִ֥יךְ אֶת דָּוִ֖יד עַל כָּל יִשְׂרָאֵ֑ל וְ֠/גַם כָּל שֵׁרִ֧ית יִשְׂרָאֵ֛ל לֵ֥ב אֶחָ֖ד לְ/הַמְלִ֥יךְ אֶת דָּוִֽיד
STATEN

En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende; want hun broeders hadden voor hen wat toebereid.

40
וַ/יִּהְיוּ שָׁ֤ם עִם דָּוִיד֙ יָמִ֣ים שְׁלוֹשָׁ֔ה אֹכְלִ֖ים וְ/שׁוֹתִ֑ים כִּֽי הֵכִ֥ינוּ לָ/הֶ֖ם אֲחֵי/הֶֽם
STATEN

En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israël.

41
וְ/גַ֣ם הַ/קְּרֽוֹבִים אֲ֠לֵי/הֶם עַד יִשָׂשכָ֨ר וּ/זְבֻל֜וּן וְ/נַפְתָּלִ֗י מְבִיאִ֣ים לֶ֡חֶם בַּ/חֲמוֹרִ֣ים וּ/בַ/גְּמַלִּ֣ים וּ/בַ/פְּרָדִ֣ים וּֽ/בַ/בָּקָ֡ר מַאֲכָ֡ל קֶ֠מַח דְּבֵלִ֨ים וְ/צִמּוּקִ֧ים וְ/יַֽיִן וְ/שֶׁ֛מֶן וּ/בָקָ֥ר וְ/צֹ֖אן לָ/רֹ֑ב כִּ֥י שִׂמְחָ֖ה בְּ/יִשְׂרָאֵֽל