KETUVIM

1 Kronieken 27

דִּבְרֵי הַיָּמִים א
Hoofdstukken (29)
1234567891011121314151617181920212223242526272829
Getuigen
Interlineair
1
וּ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֣ל לְֽ/מִסְפָּרָ֡/ם רָאשֵׁ֣י הָ/אָב֣וֹת וְ/שָׂרֵ֣י הָֽ/אֲלָפִ֣ים וְ/הַ/מֵּא֡וֹת וְ/שֹׁטְרֵי/הֶם֩ הַ/מְשָׁרְתִ֨ים אֶת הַ/מֶּ֜לֶךְ לְ/כֹ֣ל דְּבַ֣ר הַֽ/מַּחְלְק֗וֹת הַ/בָּאָ֤ה וְ/הַ/יֹּצֵאת֙ חֹ֣דֶשׁ בְּ/חֹ֔דֶשׁ לְ/כֹ֖ל חָדְשֵׁ֣י הַ/שָּׁנָ֑ה הַֽ/מַּחֲלֹ֨קֶת֙ הָֽ/אַחַ֔ת עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

Dit nu zijn de kinderen Israëls naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden en der honderden, met hun ambtlieden, den koning dienende in alle zaken der verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden des jaars; elke verdeling was vier en twintig duizend.

2
עַ֞ל הַ/מַּחֲלֹ֤קֶת הָ/רִֽאשׁוֹנָה֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הָ/רִאשׁ֔וֹן יָֽשָׁבְעָ֖ם בֶּן זַבְדִּיאֵ֑ל וְ/עַל֙ מַֽחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

Over de eerste verdeling in de eerste maand was Jásobam, de zoon van Zabdíël; en in zijn verdeling waren er vier en twintig duizend.

3
מִן בְּנֵי פֶ֗רֶץ הָ/רֹ֛אשׁ לְ/כָל שָׂרֵ֥י הַ/צְּבָא֖וֹת לַ/חֹ֥דֶשׁ הָ/רִאשֽׁוֹן
STATEN

Hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van al de oversten der heiren in de eerste maand.

4
וְ/עַ֞ל מַחֲלֹ֣קֶת הַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שֵּׁנִ֗י דּוֹדַ֤י הָ/אֲחוֹחִי֙ וּ/מַ֣חֲלֻקְתּ֔/וֹ וּ/מִקְל֖וֹת הַ/נָּגִ֑יד וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

En over de verdeling in de tweede maand was Dodai, de Ahohiet, en over zijn verdeling was Mikloth ook voorganger; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

5
שַׂ֣ר הַ/צָּבָ֤א הַ/שְּׁלִישִׁי֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שְּׁלִישִׁ֔י בְּנָיָ֧הוּ בֶן יְהוֹיָדָ֛ע הַ/כֹּהֵ֖ן רֹ֑אשׁ וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De derde overste des heirs in de derde maand was Benája, de zoon van Jójada, den opperambtman; die was het hoofd; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

6
ה֧וּא בְנָיָ֛הוּ גִּבּ֥וֹר הַ/שְּׁלֹשִׁ֖ים וְ/עַל הַ/שְּׁלֹשִׁ֑ים וּ/מַ֣חֲלֻקְתּ֔/וֹ עַמִּיזָבָ֖ד בְּנֽ/וֹ
STATEN

Deze Benája was een held van de dertig, en over de dertig; en over zijn verdeling was Ammízabad, zijn zoon.

7
הָֽ/רְבִיעִ֞י לַ/חֹ֣דֶשׁ הָ/רְבִיעִ֗י עֲשָׂה אֵל֙ אֲחִ֣י יוֹאָ֔ב וּ/זְבַדְיָ֥ה בְנ֖/וֹ אַחֲרָ֑י/ו וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broeder van Joab, en na hem Zebádja, zijn zoon; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

8
הַ/חַמִישִׁי֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/חֲמִישִׁ֔י הַ/שַּׂ֖ר שַׁמְה֣וּת הַ/יִּזְרָ֑ח וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth, de Jizrahiet, de overste; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

9
הַ/שִּׁשִּׁי֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שִּׁשִּׁ֔י עִירָ֥א בֶן עִקֵּ֖שׁ הַ/תְּקוֹעִ֑י וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoïet; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

10
הַ/שְּׁבִיעִי֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שְּׁבִיעִ֔י חֶ֥לֶץ הַ/פְּלוֹנִ֖י מִן בְּנֵ֣י אֶפְרָ֑יִם וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De zevende, in de zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

11
הַ/שְּׁמִינִי֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/שְּׁמִינִ֔י סִבְּכַ֥י הַ/חֻשָׁתִ֖י לַ/זַּרְחִ֑י וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De achtste, in de achtste maand, was Síbbechai, de Husathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

12
הַ/תְּשִׁיעִי֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/תְּשִׁיעִ֔י אֲבִיעֶ֥זֶר הָ/עַנְּתֹתִ֖י ל/בנימיני וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף לַ/בֵּ֣ן יְמִינִ֑י
STATEN

De negende, in de negende maand, was Abiézer, de Anathothiet; van de Benjaminieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

13
הָ/עֲשִׂירִי֙ לַ/חֹ֣דֶשׁ הָ/עֲשִׂירִ֔י מַהְרַ֥י הַ/נְּטֽוֹפָתִ֖י לַ/זַּרְחִ֑י וְ/עַל֙ מַֽחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De tiende, in de tiende maand, was Máharai, de Nethofathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

14
עַשְׁתֵּֽי עָשָׂר֙ לְ/עַשְׁתֵּ֣י עָשָׂ֣ר הַ/חֹ֔דֶשׁ בְּנָיָ֥ה הַ/פִּרְעָתוֹנִ֖י מִן בְּנֵ֣י אֶפְרָ֑יִם וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De elfde, in de elfde maand, was Benája, de Pirhathoniet, van de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

15
הַ/שְּׁנֵ֤ים עָשָׂר֙ לִ/שְׁנֵ֣ים עָשָׂ֣ר הַ/חֹ֔דֶשׁ חֶלְדַּ֥י הַ/נְּטוֹפָתִ֖י לְ/עָתְנִיאֵ֑ל וְ/עַל֙ מַחֲלֻקְתּ֔/וֹ עֶשְׂרִ֥ים וְ/אַרְבָּעָ֖ה אָֽלֶף
STATEN

De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniël; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

16
וְ/עַל֙ שִׁבְטֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל לָ/רֽאוּבֵנִ֣י נָגִ֔יד אֱלִיעֶ֖זֶר בֶּן זִכְרִ֑י לַ/שִּׁ֨מְעוֹנִ֔י שְׁפַטְיָ֖הוּ בֶּֽן מַעֲכָֽה
STATEN

Doch over de stammen van Israël waren dezen: over de Rubenieten was Eliézer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefátja, de zoon van Máächa;

17
לְ/לֵוִ֛י חֲשַׁבְיָ֥ה בֶן קְמוּאֵ֖ל לְ/אַהֲרֹ֥ן צָדֽוֹק
STATEN

Over de Levieten was Hasábja, de zoon van Kemúël; over de Aäronieten was Zadok;

18
לִֽ/יהוּדָ֕ה אֱלִיה֖וּ מֵ/אֲחֵ֣י דָוִ֑יד לְ/יִ֨שָׂשכָ֔ר עָמְרִ֖י בֶּן מִיכָאֵֽל
STATEN

Over Juda was Elíhu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Míchaël;

19
לִ/זְבוּלֻ֕ן יִֽשְׁמַֽעְיָ֖הוּ בֶּן עֹבַדְיָ֑הוּ לְ/נַ֨פְתָּלִ֔י יְרִימ֖וֹת בֶּן עַזְרִיאֵֽל
STATEN

Over Zebulon was Jísmaja, de zoon van Obádja; over Nafthali was Jerímôth, de zoon van Azriël;

20
לִ/בְנֵ֣י אֶפְרַ֔יִם הוֹשֵׁ֖עַ בֶּן עֲזַזְיָ֑הוּ לַ/חֲצִי֙ שֵׁ֣בֶט מְנַשֶּׁ֔ה יוֹאֵ֖ל בֶּן פְּדָיָֽהוּ
STATEN

Over de kinderen van Efraïm was Hoséa, de zoon van Azázja; over den halven stam van Manasse was Joël, de zoon van Pedája;

21
לַ/חֲצִ֤י הַֽ/מְנַשֶּׁה֙ גִּלְעָ֔דָ/ה יִדּ֖וֹ בֶּן זְכַרְיָ֑הוּ לְ/בִנְיָמִ֔ן יַעֲשִׂיאֵ֖ל בֶּן אַבְנֵֽר
STATEN

Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zechárja; over Benjamin was Jaäsiël, de zoon van Abner;

22
לְ/דָ֕ן עֲזַרְאֵ֖ל בֶּן יְרֹחָ֑ם אֵ֕לֶּה שָׂרֵ֖י שִׁבְטֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Over Dan was Azarel, de zoon van Jeróham. Dezen waren de oversten der stammen van Israël.

23
וְ/לֹא נָשָׂ֤א דָוִיד֙ מִסְפָּרָ֔/ם לְ/מִ/בֶּ֛ן עֶשְׂרִ֥ים שָׁנָ֖ה וּ/לְ/מָ֑טָּה כִּ֚י אָמַ֣ר יְהוָ֔ה לְ/הַרְבּ֥וֹת אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל כְּ/כוֹכְבֵ֥י הַ/שָּׁמָֽיִם
STATEN

Maar David nam het getal van die niet op, die twintig jaren oud en daar beneden waren; omdat de HEERE gezegd had, dat Hij Israël vermenigvuldigen zou als de sterren des hemels.

24
יוֹאָ֨ב בֶּן צְרוּיָ֜ה הֵחֵ֤ל לִ/מְנוֹת֙ וְ/לֹ֣א כִלָּ֔ה וַ/יְהִ֥י בָ/זֹ֛את קֶ֖צֶף עַל יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/לֹ֤א עָלָה֙ הַ/מִּסְפָּ֔ר בְּ/מִסְפַּ֥ר דִּבְרֵֽי הַ/יָּמִ֖ים לַ/מֶּ֥לֶךְ דָּוִֽיד
STATEN

Joab, de zoon van Zerúja, had begonnen te tellen, maar hij voleindde het niet, omdat er deshalve een grote toorn over Israël gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening der kronieken van den koning David.

25
וְ/עַל֙ אֹצְר֣וֹת הַ/מֶּ֔לֶךְ עַזְמָ֖וֶת בֶּן עֲדִיאֵ֑ל וְ/עַ֣ל הָֽ/אֹצָר֡וֹת בַּ/שָּׂדֶ֞ה בֶּ/עָרִ֤ים וּ/בַ/כְּפָרִים֙ וּ/בַ/מִּגְדָּל֔וֹת יְהוֹנָתָ֖ן בֶּן עֻזִּיָּֽהוּ
STATEN

En over de schatten des konings was Azmáveth, de zoon van Adíël; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in de torens, was Jónathan, de zoon van Uzzia.

26
וְ/עַ֗ל עֹשֵׂי֙ מְלֶ֣אכֶת הַ/שָּׂדֶ֔ה לַ/עֲבֹדַ֖ת הָ/אֲדָמָ֑ה עֶזְרִ֖י בֶּן כְּלֽוּב
STATEN

En over die, die het akkerwerk deden, in de landbouwing, was Ezri, de zoon van Chelub.

27
וְ/עַל הַ֨/כְּרָמִ֔ים שִׁמְעִ֖י הָ/רָֽמָתִ֑י וְ/עַ֤ל שֶׁ/בַּ/כְּרָמִים֙ לְ/אֹצְר֣וֹת הַ/יַּ֔יִן זַבְדִּ֖י הַ/שִּׁפְמִֽי
STATEN

En over de wijngaarden was Simeï, de Ramathiet; maar over hetgeen dat van de wijnstokken kwam tot de schatten des wijns, was Zabdi, de Sifmiet.

28
וְ/עַל הַ/זֵּיתִ֤ים וְ/הַ/שִּׁקְמִים֙ אֲשֶׁ֣ר בַּ/שְּׁפֵלָ֔ה בַּ֥עַל חָנָ֖ן הַ/גְּדֵרִ֑י וְ/עַל אֹצְר֥וֹת הַ/שֶּׁ֖מֶן יוֹעָֽשׁ
STATEN

En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in de laagte waren, was Baäl-Hánan, de Gederiet; maar Joas was over de schatten der olie.

29
וְ/עַל הַ/בָּקָר֙ הָ/רֹעִ֣ים בַּ/שָּׁר֔וֹן שטרי הַ/שָּׁרוֹנִ֑י וְ/עַל הַ/בָּקָר֙ בָּֽ/עֲמָקִ֔ים שָׁפָ֖ט בֶּן עַדְלָֽי שִׁרְטַ֖י
STATEN

En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai.

30
וְ/עַל הַ֨/גְּמַלִּ֔ים אוֹבִ֖יל הַ/יִּשְׁמְעֵלִ֑י וְ/עַל הָ֣/אֲתֹנ֔וֹת יֶחְדְּיָ֖הוּ הַ/מֵּרֹנֹתִֽי
STATEN

En over de kemelen was Obil, de Ismaëliet; en over de ezelinnen was Jéchdeja, de Meronothiet.

31
וְ/עַל הַ/צֹּ֖אן יָזִ֣יז הַֽ/הַגְרִ֑י כָּל אֵ֨לֶּה֙ שָׂרֵ֣י הָ/רְכ֔וּשׁ אֲשֶׁ֖ר לַ/מֶּ֥לֶךְ דָּוִֽיד
STATEN

En over het kleine vee was Jaziz, de Hageriet. Alle dezen waren oversten over de have, die de koning David had.

32
וִֽ/יהוֹנָתָ֤ן דּוֹד דָּוִיד֙ יוֹעֵ֔ץ אִישׁ מֵבִ֥ין וְ/סוֹפֵ֖ר ה֑וּא וִֽ/יחִיאֵ֥ל בֶּן חַכְמוֹנִ֖י עִם בְּנֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

En Jónathan, Davids oom, was raad, een verstandig man; hij was ook schrijver; Jehíël nu, de zoon van Hachmóni, was bij de zonen des konings.

33
וַ/אֲחִיתֹ֖פֶל יוֹעֵ֣ץ לַ/מֶּ֑לֶךְ וְ/חוּשַׁ֥י הָ/אַרְכִּ֖י רֵ֥עַ הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

En Achitófel was raad des konings; en Husai, de Archiet, was des konings vriend.

34
וְ/אַחֲרֵ֣י אֲחִיתֹ֗פֶל יְהוֹיָדָ֤ע בֶּן בְּנָיָ֨הוּ֙ וְ/אֶבְיָתָ֔ר וְ/שַׂר צָבָ֥א לַ/מֶּ֖לֶךְ יוֹאָֽב
STATEN

En na Achitófel was Jójada, de zoon van Benája, en Abjathar; maar Joab was des konings krijgsoverste.