Het Woord · 1 Kronieken 5 KETUVIM
1 Kronieken 5 דִּבְרֵי הַיָּמִים א
Hoofdstukken (29)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וּ/בְנֵ֨י רְאוּבֵ֥ן בְּכֽוֹר יִשְׂרָאֵל֮ כִּ֣י ה֣וּא הַ/בְּכוֹר֒ וּֽ/בְ/חַלְּל/וֹ֙ יְצוּעֵ֣י אָבִ֔י/ו נִתְּנָה֙ בְּכֹ֣רָת֔/וֹ לִ/בְנֵ֥י יוֹסֵ֖ף בֶּן יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/לֹ֥א לְ/הִתְיַחֵ֖שׂ לַ/בְּכֹרָֽה־־׃
STATEN
De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
כִּ֤י יְהוּדָה֙ גָּבַ֣ר בְּ/אֶחָ֔י/ו וּ/לְ/נָגִ֖יד מִמֶּ֑/נּוּ וְ/הַ/בְּכֹרָ֖ה לְ/יוֹסֵֽף׃ס
STATEN
Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.)
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בְּנֵ֥י רְאוּבֵ֖ן בְּכ֣וֹר יִשְׂרָאֵ֑ל חֲנ֥וֹךְ וּ/פַלּ֖וּא חֶצְר֥וֹן וְ/כַרְמִֽי׃
STATEN
De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בְּנֵ֖י יוֹאֵ֑ל שְׁמַֽעְיָ֥ה בְנ֛/וֹ גּ֥וֹג בְּנ֖/וֹ שִׁמְעִ֥י בְנֽ/וֹ׃
STATEN
De kinderen van Joël: zijn zoon Semája; zijn zoon Gog; zijn zoon Simeï;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
מִיכָ֥ה בְנ֛/וֹ רְאָיָ֥ה בְנ֖/וֹ בַּ֥עַל בְּנֽ/וֹ׃
STATEN
Zijn zoon Micha; zijn zoon Reája; zijn zoon Baäl;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בְּאֵרָ֣ה בְנ֔/וֹ אֲשֶׁ֣ר הֶגְלָ֔ה תִּלְּגַ֥ת פִּלְנְאֶ֖סֶר מֶ֣לֶךְ אַשֻּׁ֑ר ה֥וּא נָשִׂ֖יא לָ/רֽאוּבֵנִֽי׃
STATEN
Zijn zoon Béëra, welken Tiglath-Pilnéser, de koning van Assyrië, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אֶחָי/ו֙ לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֔י/ו בְּ/הִתְיַחֵ֖שׂ לְ/תֹלְדוֹתָ֑/ם הָ/רֹ֥אשׁ יְעִיאֵ֖ל וּ/זְכַרְיָֽהוּ׃
STATEN
Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiël en Zecharja,
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/בֶ֨לַע֙ בֶּן עָזָ֔ז בֶּן שֶׁ֖מַע בֶּן יוֹאֵ֑ל ה֚וּא יוֹשֵׁ֣ב בַּ/עֲרֹעֵ֔ר וְ/עַד נְב֖וֹ וּ/בַ֥עַל מְעֽוֹן־־־־׃
STATEN
En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nebo, en Baäl-Meon,
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/לַ/מִּזְרָ֗ח יָשַׁב֙ עַד לְ/ב֣וֹא מִדְבָּ֔רָ/ה לְ/מִן הַ/נָּהָ֖ר פְּרָ֑ת כִּ֧י מִקְנֵי/הֶ֛ם רָב֖וּ בְּ/אֶ֥רֶץ גִּלְעָֽד־־׃
STATEN
En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/בִ/ימֵ֣י שָׁא֗וּל עָשׂ֤וּ מִלְחָמָה֙ עִם הַֽ/הַגְרִאִ֔ים וַֽ/יִּפְּל֖וּ בְּ/יָדָ֑/ם וַ/יֵּשְׁבוּ֙ בְּ/אָ֣הֳלֵי/הֶ֔ם עַֽל כָּל פְּנֵ֖י מִזְרָ֥ח לַ/גִּלְעָֽד־־־׃פ
STATEN
En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/בְנֵי גָ֣ד לְ/נֶגְדָּ֗/ם יָֽשְׁב֛וּ בְּ/אֶ֥רֶץ הַ/בָּשָׁ֖ן עַד סַלְכָֽה־־׃
STATEN
De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
יוֹאֵ֣ל הָ/רֹ֔אשׁ וְ/שָׁפָ֖ם הַ/מִּשְׁנֶ֑ה וְ/יַעְנַ֥י וְ/שָׁפָ֖ט בַּ/בָּשָֽׁן׃
STATEN
Joël was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jáënai en Safat bleven in Basan.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 4 ← → navigeer Hoofdstuk 6 →