Het Woord · 1 Kronieken 9 KETUVIM
1 Kronieken 9 דִּבְרֵי הַיָּמִים א
Hoofdstukken (29)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וְ/כָל יִשְׂרָאֵל֙ הִתְיַחְשׂ֔וּ וְ/הִנָּ֣/ם כְּתוּבִ֔ים עַל סֵ֖פֶר מַלְכֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וִ/יהוּדָ֛ה הָגְל֥וּ לְ/בָבֶ֖ל בְּ/מַעֲלָֽ/ם־־׃ס
STATEN
En gans Israël werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtredingen wil.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הַ/יּוֹשְׁבִים֙ הָ/רִ֣אשֹׁנִ֔ים אֲשֶׁ֥ר בַּ/אֲחֻזָּתָ֖/ם בְּ/עָרֵי/הֶ֑ם יִשְׂרָאֵל֙ הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים הַ/לְוִיִּ֖ם וְ/הַ/נְּתִינִֽים׃
STATEN
De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de Nethínim.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/בִ/ירוּשָׁלִַ֨ם֙ יָשְׁב֔וּ מִן בְּנֵ֥י יְהוּדָ֖ה וּ/מִן בְּנֵ֣י בִנְיָמִ֑ן וּ/מִן בְּנֵ֥י אֶפְרַ֖יִם וּ/מְנַשֶּֽׁה־־־׃
STATEN
Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
עוּתַ֨י בֶּן עַמִּיה֤וּד בֶּן עָמְרִי֙ בֶּן אִמְרִ֣י בֶן בני/מן בְּנֵי פֶ֖רֶץ בֶּן יְהוּדָֽה־־־־־־־׃ בָּנִ֔י מִן
STATEN
Uthai, de zoon van Ammíhud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/מִן הַ/שִּׁ֣ילוֹנִ֔י עֲשָׂיָ֥ה הַ/בְּכ֖וֹר וּ/בָנָֽי/ו־׃
STATEN
En van de Silonieten was Asája, de eerstgeborene, en zijn kinderen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/מִן בְּנֵי זֶ֖רַח יְעוּאֵ֑ל וַ/אֲחֵי/הֶ֖ם שֵׁשׁ מֵא֥וֹת וְ/תִשְׁעִֽים־־־׃
STATEN
En van de kinderen van Zerah was Jeúël, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/מִן בְּנֵ֖י בִּנְיָמִ֑ן סַלּוּא֙ בֶּן מְשֻׁלָּ֔ם בֶּן הוֹדַוְיָ֖ה בֶּן הַ/סְּנֻאָֽה־־־־׃
STATEN
En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodávja, den zoon van Hassenúa;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/יִבְנְיָה֙ בֶּן יְרֹחָ֔ם וְ/אֵלָ֥ה בֶן עֻזִּ֖י בֶּן מִכְרִ֑י וּ/מְשֻׁלָּם֙ בֶּן שְׁפַטְיָ֔ה בֶּן רְעוּאֵ֖ל בֶּן יִבְנִיָּֽה־־־־־־׃
STATEN
En Jibnéa, de zoon van Jeróham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reúël, den zoon van Jibnija;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/אֲחֵי/הֶם֙ לְ/תֹ֣לְדוֹתָ֔/ם תְּשַׁ֥ע מֵא֖וֹת וַ/חֲמִשִּׁ֣ים וְ/שִׁשָּׁ֑ה כָּל אֵ֣לֶּה אֲנָשִׁ֔ים רָאשֵׁ֥י אָב֖וֹת לְ/בֵ֥ית אֲבֹתֵי/הֶֽם־׃ס
STATEN
En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וּ/מִן הַֽ/כֹּהֲנִ֑ים יְדַֽעְיָ֥ה וִ/יהוֹיָרִ֖יב וְ/יָכִֽין־׃
STATEN
Van de priesteren nu, Jedája, en Jojárib, en Jachin,
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/עֲזַרְיָ֨ה בֶן חִלְקִיָּ֜ה בֶּן מְשֻׁלָּ֣ם בֶּן צָד֗וֹק בֶּן מְרָיוֹת֙ בֶּן אֲחִיט֔וּב נְגִ֖יד בֵּ֥ית הָ/אֱלֹהִֽים־־־־־׃ס
STATEN
En Azarja, de zoon van Hilkija, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajôth, den zoon van Ahítub, overste van het huis Gods;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/עֲדָיָה֙ בֶּן יְרֹחָ֔ם בֶּן פַּשְׁח֖וּר בֶּן מַלְכִּיָּ֑ה וּ/מַעְשַׂ֨י בֶּן עֲדִיאֵ֧ל בֶּן יַחְזֵ֛רָה בֶּן מְשֻׁלָּ֥ם בֶּן מְשִׁלֵּמִ֖ית בֶּן אִמֵּֽר־־־־־־־־׃
STATEN
En Adája, de zoon van Jeróham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiël, den zoon van Jahzéra, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillémith, den zoon van Immer.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 8 ← → navigeer Hoofdstuk 10 →