TORAH

Numeri 10

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

2
עֲשֵׂ֣ה לְ/ךָ֗ שְׁתֵּי֙ חֲצֽוֹצְרֹ֣ת כֶּ֔סֶף מִקְשָׁ֖ה תַּעֲשֶׂ֣ה אֹתָ֑/ם וְ/הָי֤וּ לְ/ךָ֙ לְ/מִקְרָ֣א הָֽ/עֵדָ֔ה וּ/לְ/מַסַּ֖ע אֶת הַֽ/מַּחֲנֽוֹת
STATEN

Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.

3
וְ/תָקְע֖וּ בָּ/הֵ֑ן וְ/נֽוֹעֲד֤וּ אֵלֶ֨י/ךָ֙ כָּל הָ֣/עֵדָ֔ה אֶל פֶּ֖תַח אֹ֥הֶל מוֹעֵֽד
STATEN

Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.

4
וְ/אִם בְּ/אַחַ֖ת יִתְקָ֑עוּ וְ/נוֹעֲד֤וּ אֵלֶ֨י/ךָ֙ הַ/נְּשִׂיאִ֔ים רָאשֵׁ֖י אַלְפֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Maar als zij met de éne zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israël.

5
וּ/תְקַעְתֶּ֖ם תְּרוּעָ֑ה וְ/נָֽסְעוּ֙ הַֽ/מַּחֲנ֔וֹת הַ/חֹנִ֖ים קֵֽדְמָ/ה
STATEN

Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.

6
וּ/תְקַעְתֶּ֤ם תְּרוּעָה֙ שֵׁנִ֔ית וְ/נָֽסְעוּ֙ הַֽ/מַּחֲנ֔וֹת הַ/חֹנִ֖ים תֵּימָ֑נָ/ה תְּרוּעָ֥ה יִתְקְע֖וּ לְ/מַסְעֵי/הֶֽם
STATEN

Maar als gij ten tweeden male met een gebroken geklank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken geklank zullen zij blazen tot hun optochten.

7
וּ/בְ/הַקְהִ֖יל אֶת הַ/קָּהָ֑ל תִּתְקְע֖וּ וְ/לֹ֥א תָרִֽיעוּ
STATEN

Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.

8
וּ/בְנֵ֤י אַהֲרֹן֙ הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים יִתְקְע֖וּ בַּֽ/חֲצֹצְר֑וֹת וְ/הָי֥וּ לָ/כֶ֛ם לְ/חֻקַּ֥ת עוֹלָ֖ם לְ/דֹרֹתֵי/כֶֽם
STATEN

En de zonen van Aäron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.

9
וְ/כִֽי תָבֹ֨אוּ מִלְחָמָ֜ה בְּ/אַרְצְ/כֶ֗ם עַל הַ/צַּר֙ הַ/צֹּרֵ֣ר אֶתְ/כֶ֔ם וַ/הֲרֵעֹתֶ֖ם בַּ/חֲצֹצְר֑וֹת וֲ/נִזְכַּרְתֶּ֗ם לִ/פְנֵי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹֽהֵי/כֶ֔ם וְ/נוֹשַׁעְתֶּ֖ם מֵ/אֹיְבֵי/כֶֽם
STATEN

En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.

10
וּ/בְ/י֨וֹם שִׂמְחַתְ/כֶ֥ם וּֽ/בְ/מוֹעֲדֵי/כֶם֮ וּ/בְ/רָאשֵׁ֣י חָדְשֵׁי/כֶם֒ וּ/תְקַעְתֶּ֣ם בַּ/חֲצֹֽצְרֹ֗ת עַ֚ל עֹלֹ֣תֵי/כֶ֔ם וְ/עַ֖ל זִבְחֵ֣י שַׁלְמֵי/כֶ֑ם וְ/הָי֨וּ לָ/כֶ֤ם לְ/זִכָּרוֹן֙ לִ/פְנֵ֣י אֱלֹֽהֵי/כֶ֔ם אֲנִ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם
STATEN

Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!

11
וַ/יְהִ֞י בַּ/שָּׁנָ֧ה הַ/שֵּׁנִ֛ית בַּ/חֹ֥דֶשׁ הַ/שֵּׁנִ֖י בְּ/עֶשְׂרִ֣ים בַּ/חֹ֑דֶשׁ נַעֲלָה֙ הֶֽ/עָנָ֔ן מֵ/עַ֖ל מִשְׁכַּ֥ן הָ/עֵדֻֽת
STATEN

En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.

12
וַ/יִּסְע֧וּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֛ל לְ/מַסְעֵי/הֶ֖ם מִ/מִּדְבַּ֣ר סִינָ֑י וַ/יִּשְׁכֹּ֥ן הֶ/עָנָ֖ן בְּ/מִדְבַּ֥ר פָּארָֽן
STATEN

En de kinderen Israëls togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran.

13
וַ/יִּסְע֖וּ בָּ/רִאשֹׁנָ֑ה עַל פִּ֥י יְהוָ֖ה בְּ/יַד מֹשֶֽׁה
STATEN

Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.

14
וַ/יִּסַּ֞ע דֶּ֣גֶל מַחֲנֵ֧ה בְנֵֽי יְהוּדָ֛ה בָּ/רִאשֹׁנָ֖ה לְ/צִבְאֹתָ֑/ם וְ/עַל צְבָא֔/וֹ נַחְשׁ֖וֹן בֶּן עַמִּינָדָֽב
STATEN

Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminádab.

15
וְ/עַ֨ל צְבָ֔א מַטֵּ֖ה בְּנֵ֣י יִשָׂשכָ֑ר נְתַנְאֵ֖ל בֶּן צוּעָֽר
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Netháneël, den zoon van Zuar.

16
וְ/עַ֨ל צְבָ֔א מַטֵּ֖ה בְּנֵ֣י זְבוּלֻ֑ן אֱלִיאָ֖ב בֶּן חֵלֽוֹן
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Elíab, de zoon van Helon.

17
וְ/הוּרַ֖ד הַ/מִּשְׁכָּ֑ן וְ/נָסְע֤וּ בְנֵֽי גֵרְשׁוֹן֙ וּ/בְנֵ֣י מְרָרִ֔י נֹשְׂאֵ֖י הַ/מִּשְׁכָּֽן
STATEN

Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merári togen op, dragende den tabernakel.

18
וְ/נָסַ֗ע דֶּ֛גֶל מַחֲנֵ֥ה רְאוּבֵ֖ן לְ/צִבְאֹתָ֑/ם וְ/עַל צְבָא֔/וֹ אֱלִיצ֖וּר בֶּן שְׁדֵיאֽוּר
STATEN

Daarna toog op de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elízur, de zoon van Sedéür.

19
וְ/עַ֨ל צְבָ֔א מַטֵּ֖ה בְּנֵ֣י שִׁמְע֑וֹן שְׁלֻֽמִיאֵ֖ל בֶּן צוּרִֽי שַׁדָּֽי
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selûmiël, de zoon van Zurísaddai.

20
וְ/עַל צְבָ֖א מַטֵּ֣ה בְנֵי גָ֑ד אֶלְיָסָ֖ף בֶּן דְּעוּאֵֽל
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuël.

21
וְ/נָסְעוּ֙ הַ/קְּהָתִ֔ים נֹשְׂאֵ֖י הַ/מִּקְדָּ֑שׁ וְ/הֵקִ֥ימוּ אֶת הַ/מִּשְׁכָּ֖ן עַד בֹּאָֽ/ם
STATEN

Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.

22
וְ/נָסַ֗ע דֶּ֛גֶל מַחֲנֵ֥ה בְנֵֽי אֶפְרַ֖יִם לְ/צִבְאֹתָ֑/ם וְ/עַל צְבָא֔/וֹ אֱלִישָׁמָ֖ע בֶּן עַמִּיהֽוּד
STATEN

Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraïm, naar hun heiren; en over zijn heir was Elisáma, de zoon van Ammihud.

23
וְ/עַ֨ל צְבָ֔א מַטֵּ֖ה בְּנֵ֣י מְנַשֶּׁ֑ה גַּמְלִיאֵ֖ל בֶּן פְּדָה צֽוּר
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamáliël, de zoon van Pedázur.

24
וְ/עַ֨ל צְבָ֔א מַטֵּ֖ה בְּנֵ֣י בִנְיָמִ֑ן אֲבִידָ֖ן בֶּן גִּדְעוֹנִֽי
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abídan, de zoon van Gideóni.

25
וְ/נָסַ֗ע דֶּ֚גֶל מַחֲנֵ֣ה בְנֵי דָ֔ן מְאַסֵּ֥ף לְ/כָל הַֽ/מַּחֲנֹ֖ת לְ/צִבְאֹתָ֑/ם וְ/עַל צְבָא֔/וֹ אֲחִיעֶ֖זֶר בֶּן עַמִּישַׁדָּֽי
STATEN

Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiëzer de zoon van Ammísaddai.

26
וְ/עַל צְבָ֔א מַטֵּ֖ה בְּנֵ֣י אָשֵׁ֑ר פַּגְעִיאֵ֖ל בֶּן עָכְרָֽן
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Págiël, de zoon van Ochran.

27
וְ/עַ֨ל צְבָ֔א מַטֵּ֖ה בְּנֵ֣י נַפְתָּלִ֑י אֲחִירַ֖ע בֶּן עֵינָֽן
STATEN

En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahíra, de zoon van Enan.

28
אֵ֛לֶּה מַסְעֵ֥י בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל לְ/צִבְאֹתָ֑/ם וַ/יִּסָּֽעוּ
STATEN

Dit waren de tochten der kinderen Israëls, naar hun heiren, als zij reisden.

29
וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֗ה לְ֠/חֹבָב בֶּן רְעוּאֵ֣ל הַ/מִּדְיָנִי֮ חֹתֵ֣ן מֹשֶׁה֒ נֹסְעִ֣ים אֲנַ֗חְנוּ אֶל הַ/מָּקוֹם֙ אֲשֶׁ֣ר אָמַ֣ר יְהוָ֔ה אֹת֖/וֹ אֶתֵּ֣ן לָ/כֶ֑ם לְכָ֤/ה אִתָּ֨/נוּ֙ וְ/הֵטַ֣בְנוּ לָ֔/ךְ כִּֽי יְהוָ֥ה דִּבֶּר ט֖וֹב עַל יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.

30
וַ/יֹּ֥אמֶר אֵלָ֖י/ו לֹ֣א אֵלֵ֑ךְ כִּ֧י אִם אֶל אַרְצִ֛/י וְ/אֶל מוֹלַדְתִּ֖/י אֵלֵֽךְ
STATEN

Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.

31
וַ/יֹּ֕אמֶר אַל נָ֖א תַּעֲזֹ֣ב אֹתָ֑/נוּ כִּ֣י עַל כֵּ֣ן יָדַ֗עְתָּ חֲנֹתֵ֨/נוּ֙ בַּ/מִּדְבָּ֔ר וְ/הָיִ֥יתָ לָּ֖/נוּ לְ/עֵינָֽיִם
STATEN

En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.

32
וְ/הָיָ֖ה כִּי תֵלֵ֣ךְ עִמָּ֑/נוּ וְ/הָיָ֣ה הַ/טּ֣וֹב הַ/ה֗וּא אֲשֶׁ֨ר יֵיטִ֧יב יְהוָ֛ה עִמָּ֖/נוּ וְ/הֵטַ֥בְנוּ לָֽ/ךְ
STATEN

En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.

33
וַ/יִּסְעוּ֙ מֵ/הַ֣ר יְהוָ֔ה דֶּ֖רֶךְ שְׁלֹ֣שֶׁת יָמִ֑ים וַ/אֲר֨וֹן בְּרִית יְהוָ֜ה נֹסֵ֣עַ לִ/פְנֵי/הֶ֗ם דֶּ֚רֶךְ שְׁלֹ֣שֶׁת יָמִ֔ים לָ/ת֥וּר לָ/הֶ֖ם מְנוּחָֽה
STATEN

Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.

34
וַ/עֲנַ֧ן יְהוָ֛ה עֲלֵי/הֶ֖ם יוֹמָ֑ם בְּ/נָסְעָ֖/ם מִן הַֽ/מַּחֲנֶֽה
STATEN

En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.

35
וַ/יְהִ֛י בִּ/נְסֹ֥עַ הָ/אָרֹ֖ן וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֑ה קוּמָ֣/ה יְהוָ֗ה וְ/יָפֻ֨צוּ֙ אֹֽיְבֶ֔י/ךָ וְ/יָנֻ֥סוּ מְשַׂנְאֶ֖י/ךָ מִ/פָּנֶֽי/ךָ
STATEN

Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!

36
וּ/בְ/נֻחֹ֖/ה יֹאמַ֑ר שׁוּבָ֣/ה יְהוָ֔ה רִֽבְב֖וֹת אַלְפֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israël!