TORAH

Numeri 14

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/תִּשָּׂא֙ כָּל הָ֣/עֵדָ֔ה וַֽ/יִּתְּנ֖וּ אֶת קוֹלָ֑/ם וַ/יִּבְכּ֥וּ הָ/עָ֖ם בַּ/לַּ֥יְלָה הַ/הֽוּא
STATEN

Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.

2
וַ/יִּלֹּ֨נוּ֙ עַל מֹשֶׁ֣ה וְ/עַֽל אַהֲרֹ֔ן כֹּ֖ל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽ/יֹּאמְר֨וּ אֲלֵ/הֶ֜ם כָּל הָ/עֵדָ֗ה לוּ מַ֨תְנוּ֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם א֛וֹ בַּ/מִּדְבָּ֥ר הַ/זֶּ֖ה לוּ מָֽתְנוּ
STATEN

En al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!

3
וְ/לָ/מָ֣ה יְ֠הוָה מֵבִ֨יא אֹתָ֜/נוּ אֶל הָ/אָ֤רֶץ הַ/זֹּאת֙ לִ/נְפֹּ֣ל בַּ/חֶ֔רֶב נָשֵׁ֥י/נוּ וְ/טַפֵּ֖/נוּ יִהְי֣וּ לָ/בַ֑ז הֲ/ל֧וֹא ט֦וֹב לָ֖/נוּ שׁ֥וּב מִצְרָֽיְמָ/ה
STATEN

En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?

4
וַ/יֹּאמְר֖וּ אִ֣ישׁ אֶל אָחִ֑י/ו נִתְּנָ֥ה רֹ֖אשׁ וְ/נָשׁ֥וּבָה מִצְרָֽיְמָ/ה
STATEN

En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte!

5
וַ/יִּפֹּ֥ל מֹשֶׁ֛ה וְ/אַהֲרֹ֖ן עַל פְּנֵי/הֶ֑ם לִ/פְנֵ֕י כָּל קְהַ֥ל עֲדַ֖ת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Toen vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israëls.

6
וִ/יהוֹשֻׁ֣עַ בִּן נ֗וּן וְ/כָלֵב֙ בֶּן יְפֻנֶּ֔ה מִן הַ/תָּרִ֖ים אֶת הָ/אָ֑רֶץ קָרְע֖וּ בִּגְדֵי/הֶֽם
STATEN

En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.

7
וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ אֶל כָּל עֲדַ֥ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר הָ/אָ֗רֶץ אֲשֶׁ֨ר עָבַ֤רְנוּ בָ/הּ֙ לָ/ת֣וּר אֹתָ֔/הּ טוֹבָ֥ה הָ/אָ֖רֶץ מְאֹ֥ד מְאֹֽד
STATEN

En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land.

8
אִם חָפֵ֥ץ בָּ֨/נוּ֙ יְהוָ֔ה וְ/הֵבִ֤יא אֹתָ֨/נוּ֙ אֶל הָ/אָ֣רֶץ הַ/זֹּ֔את וּ/נְתָנָ֖/הּ לָ֑/נוּ אֶ֕רֶץ אֲשֶׁר הִ֛וא זָבַ֥ת חָלָ֖ב וּ/דְבָֽשׁ
STATEN

Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende.

9
אַ֣ךְ בַּֽ/יהוָה֮ אַל תִּמְרֹדוּ֒ וְ/אַתֶּ֗ם אַל תִּֽירְאוּ֙ אֶת עַ֣ם הָ/אָ֔רֶץ כִּ֥י לַחְמֵ֖/נוּ הֵ֑ם סָ֣ר צִלָּ֧/ם מֵ/עֲלֵי/הֶ֛ם וַֽ/יהוָ֥ה אִתָּ֖/נוּ אַל תִּירָאֻֽ/ם
STATEN

Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet!

10
וַ/יֹּֽאמְרוּ֙ כָּל הָ֣/עֵדָ֔ה לִ/רְגּ֥וֹם אֹתָ֖/ם בָּ/אֲבָנִ֑ים וּ/כְב֣וֹד יְהוָ֗ה נִרְאָה֙ בְּ/אֹ֣הֶל מוֹעֵ֔ד אֶֽל כָּל בְּנֵ֖י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israëls.

11
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה עַד אָ֥נָה יְנַאֲצֻ֖/נִי הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֑ה וְ/עַד אָ֨נָה֙ לֹא יַאֲמִ֣ינוּ בִ֔/י בְּ/כֹל֙ הָֽ/אֹת֔וֹת אֲשֶׁ֥ר עָשִׂ֖יתִי בְּ/קִרְבּֽ/וֹ
STATEN

En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal Mij dat volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb?

12
אַכֶּ֥/נּוּ בַ/דֶּ֖בֶר וְ/אוֹרִשֶׁ֑/נּוּ וְ/אֶֽעֱשֶׂה֙ אֹֽתְ/ךָ֔ לְ/גוֹי גָּד֥וֹל וְ/עָצ֖וּם מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.

13
וַ/יֹּ֥אמֶר מֹשֶׁ֖ה אֶל יְהוָ֑ה וְ/שָׁמְע֣וּ מִצְרַ֔יִם כִּֽי הֶעֱלִ֧יתָ בְ/כֹחֲ/ךָ֛ אֶת הָ/עָ֥ם הַ/זֶּ֖ה מִ/קִּרְבּֽ/וֹ
STATEN

En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;

14
וְ/אָמְר֗וּ אֶל יוֹשֵׁב֮ הָ/אָ֣רֶץ הַ/זֹּאת֒ שָֽׁמְעוּ֙ כִּֽי אַתָּ֣ה יְהוָ֔ה בְּ/קֶ֖רֶב הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֑ה אֲשֶׁר עַ֨יִן בְּ/עַ֜יִן נִרְאָ֣ה אַתָּ֣ה יְהוָ֗ה וַ/עֲנָֽנְ/ךָ֙ עֹמֵ֣ד עֲלֵ/הֶ֔ם וּ/בְ/עַמֻּ֣ד עָנָ֗ן אַתָּ֨ה הֹלֵ֤ךְ לִ/פְנֵי/הֶם֙ יוֹמָ֔ם וּ/בְ/עַמּ֥וּד אֵ֖שׁ לָֽיְלָה
STATEN

En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, HEERE! in het midden van dit volk zijt; dat Gij, HEERE! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des nachts.

15
וְ/הֵמַתָּ֛ה אֶת הָ/עָ֥ם הַ/זֶּ֖ה כְּ/אִ֣ישׁ אֶחָ֑ד וְ/אָֽמְרוּ֙ הַ/גּוֹיִ֔ם אֲשֶׁר שָׁמְע֥וּ אֶֽת שִׁמְעֲ/ךָ֖ לֵ/אמֹֽר
STATEN

En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:

16
מִ/בִּלְתִּ֞י יְכֹ֣לֶת יְהוָ֗ה לְ/הָבִיא֙ אֶת הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה אֶל הָ/אָ֖רֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּ֣ע לָ/הֶ֑ם וַ/יִּשְׁחָטֵ֖/ם בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!

17
וְ/עַתָּ֕ה יִגְדַּל נָ֖א כֹּ֣חַ אֲדֹנָ֑/י כַּ/אֲשֶׁ֥ר דִּבַּ֖רְתָּ לֵ/אמֹֽר
STATEN

Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:

18
יְהוָ֗ה אֶ֤רֶךְ אַפַּ֨יִם֙ וְ/רַב חֶ֔סֶד נֹשֵׂ֥א עָוֺ֖ן וָ/פָ֑שַׁע וְ/נַקֵּה֙ לֹ֣א יְנַקֶּ֔ה פֹּקֵ֞ד עֲוֺ֤ן אָבוֹת֙ עַל בָּנִ֔ים עַל שִׁלֵּשִׁ֖ים וְ/עַל רִבֵּעִֽים
STATEN

De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.

19
סְלַֽח נָ֗א לַ/עֲוֺ֛ן הָ/עָ֥ם הַ/זֶּ֖ה כְּ/גֹ֣דֶל חַסְדֶּ֑/ךָ וְ/כַ/אֲשֶׁ֤ר נָשָׂ֨אתָה֙ לָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה מִ/מִּצְרַ֖יִם וְ/עַד הֵֽנָּה
STATEN

Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt!

20
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָ֔ה סָלַ֖חְתִּי כִּ/דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.

21
וְ/אוּלָ֖ם חַי אָ֑נִי וְ/יִמָּלֵ֥א כְבוֹד יְהוָ֖ה אֶת כָּל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden!

22
כִּ֣י כָל הָ/אֲנָשִׁ֗ים הָ/רֹאִ֤ים אֶת כְּבֹדִ/י֙ וְ/אֶת אֹ֣תֹתַ֔/י אֲשֶׁר עָשִׂ֥יתִי בְ/מִצְרַ֖יִם וּ/בַ/מִּדְבָּ֑ר וַ/יְנַסּ֣וּ אֹתִ֗/י זֶ֚ה עֶ֣שֶׂר פְּעָמִ֔ים וְ/לֹ֥א שָׁמְע֖וּ בְּ/קוֹלִֽ/י
STATEN

Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;

23
אִם יִרְאוּ֙ אֶת הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֥ר נִשְׁבַּ֖עְתִּי לַ/אֲבֹתָ֑/ם וְ/כָל מְנַאֲצַ֖/י לֹ֥א יִרְאֽוּ/הָ
STATEN

Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!

24
וְ/עַבְדִּ֣/י כָלֵ֗ב עֵ֣קֶב הָֽיְתָ֞ה ר֤וּחַ אַחֶ֨רֶת֙ עִמּ֔/וֹ וַ/יְמַלֵּ֖א אַחֲרָ֑/י וַ/הֲבִֽיאֹתִ֗י/ו אֶל הָ/אָ֨רֶץ֙ אֲשֶׁר בָּ֣א שָׁ֔מָּ/ה וְ/זַרְע֖/וֹ יוֹרִשֶֽׁ/נָּה
STATEN

Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.

25
וְ/הָֽ/עֲמָלֵקִ֥י וְ/הַֽ/כְּנַעֲנִ֖י יוֹשֵׁ֣ב בָּ/עֵ֑מֶק מָחָ֗ר פְּנ֨וּ וּ/סְע֥וּ לָ/כֶ֛ם הַ/מִּדְבָּ֖ר דֶּ֥רֶךְ יַם סֽוּף
STATEN

De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen in het dal; wendt u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee.

26
וַ/יְדַבֵּ֣ר יְהוָ֔ה אֶל מֹשֶׁ֥ה וְ/אֶֽל אַהֲרֹ֖ן לֵ/אמֹֽר
STATEN

Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:

27
עַד מָתַ֗י לָ/עֵדָ֤ה הָֽ/רָעָה֙ הַ/זֹּ֔את אֲשֶׁ֛ר הֵ֥מָּה מַלִּינִ֖ים עָלָ֑/י אֶת תְּלֻנּ֞וֹת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל אֲשֶׁ֨ר הֵ֧מָּה מַלִּינִ֛ים עָלַ֖/י שָׁמָֽעְתִּי
STATEN

Hoe lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israëls, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende.

28
אֱמֹ֣ר אֲלֵ/הֶ֗ם חַי אָ֨נִי֙ נְאֻם יְהוָ֔ה אִם לֹ֕א כַּ/אֲשֶׁ֥ר דִּבַּרְתֶּ֖ם בְּ/אָזְנָ֑/י כֵּ֖ן אֶֽעֱשֶׂ֥ה לָ/כֶֽם
STATEN

Zeg tot hen: zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!

29
בַּ/מִּדְבָּ֣ר הַ֠/זֶּה יִפְּל֨וּ פִגְרֵי/כֶ֜ם וְ/כָל פְּקֻדֵי/כֶם֙ לְ/כָל מִסְפַּרְ/כֶ֔ם מִ/בֶּ֛ן עֶשְׂרִ֥ים שָׁנָ֖ה וָ/מָ֑עְלָ/ה אֲשֶׁ֥ר הֲלִֽינֹתֶ֖ם עָלָֽ/י
STATEN

Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt.

30
אִם אַתֶּם֙ תָּבֹ֣אוּ אֶל הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֤ר נָשָׂ֨אתִי֙ אֶת יָדִ֔/י לְ/שַׁכֵּ֥ן אֶתְ/כֶ֖ם בָּ֑/הּ כִּ֚י אִם כָּלֵ֣ב בֶּן יְפֻנֶּ֔ה וִ/יהוֹשֻׁ֖עַ בִּן נֽוּן
STATEN

Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

31
וְ/טַ֨פְּ/כֶ֔ם אֲשֶׁ֥ר אֲמַרְתֶּ֖ם לָ/בַ֣ז יִהְיֶ֑ה וְ/הֵבֵיאתִ֣י אֹתָ֔/ם וְ/יָֽדְעוּ֙ אֶת הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֥ר מְאַסְתֶּ֖ם בָּֽ/הּ
STATEN

En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.

32
וּ/פִגְרֵי/כֶ֖ם אַתֶּ֑ם יִפְּל֖וּ בַּ/מִּדְבָּ֥ר הַ/זֶּֽה
STATEN

Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen!

33
וּ֠/בְנֵי/כֶם יִהְי֨וּ רֹעִ֤ים בַּ/מִּדְבָּר֙ אַרְבָּעִ֣ים שָׁנָ֔ה וְ/נָשְׂא֖וּ אֶת זְנוּתֵי/כֶ֑ם עַד תֹּ֥ם פִּגְרֵי/כֶ֖ם בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.

34
בְּ/מִסְפַּ֨ר הַ/יָּמִ֜ים אֲשֶׁר תַּרְתֶּ֣ם אֶת הָ/אָרֶץ֮ אַרְבָּעִ֣ים יוֹם֒ י֣וֹם לַ/שָּׁנָ֞ה י֣וֹם לַ/שָּׁנָ֗ה תִּשְׂאוּ֙ אֶת עֲוֺנֹ֣תֵי/כֶ֔ם אַרְבָּעִ֖ים שָׁנָ֑ה וִֽ/ידַעְתֶּ֖ם אֶת תְּנוּאָתִֽ/י
STATEN

Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking.

35
אֲנִ֣י יְהוָה֮ דִּבַּרְתִּי֒ אִם לֹ֣א זֹ֣את אֶֽעֱשֶׂ֗ה לְ/כָל הָ/עֵדָ֤ה הָֽ/רָעָה֙ הַ/זֹּ֔את הַ/נּוֹעָדִ֖ים עָלָ֑/י בַּ/מִּדְבָּ֥ר הַ/זֶּ֛ה יִתַּ֖מּוּ וְ/שָׁ֥ם יָמֻֽתוּ
STATEN

Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven!

36
וְ/הָ֣/אֲנָשִׁ֔ים אֲשֶׁר שָׁלַ֥ח מֹשֶׁ֖ה לָ/ת֣וּר אֶת הָ/אָ֑רֶץ וַ/יָּשֻׁ֗בוּ ו/ילונו עָלָי/ו֙ אֶת כָּל הָ֣/עֵדָ֔ה לְ/הוֹצִ֥יא דִבָּ֖ה עַל הָ/אָֽרֶץ וַ/יַּלִּ֤ינוּ
STATEN

En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende;

37
וַ/יָּמֻ֨תוּ֙ הָֽ/אֲנָשִׁ֔ים מוֹצִאֵ֥י דִבַּת הָ/אָ֖רֶץ רָעָ֑ה בַּ/מַּגֵּפָ֖ה לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN.

38
וִ/יהוֹשֻׁ֣עַ בִּן נ֔וּן וְ/כָלֵ֖ב בֶּן יְפֻנֶּ֑ה חָיוּ֙ מִן הָ/אֲנָשִׁ֣ים הָ/הֵ֔ם הַֽ/הֹלְכִ֖ים לָ/ת֥וּר אֶת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden.

39
וַ/יְדַבֵּ֤ר מֹשֶׁה֙ אֶת הַ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה אֶֽל כָּל בְּנֵ֖י יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יִּֽתְאַבְּל֥וּ הָ/עָ֖ם מְאֹֽד
STATEN

En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israëls. Toen treurde het volk zeer.

40
וַ/יַּשְׁכִּ֣מוּ בַ/בֹּ֔קֶר וַ/יַּֽעֲל֥וּ אֶל רֹאשׁ הָ/הָ֖ר לֵ/אמֹ֑ר הִנֶּ֗/נּוּ וְ/עָלִ֛ינוּ אֶל הַ/מָּק֛וֹם אֲשֶׁר אָמַ֥ר יְהוָ֖ה כִּ֥י חָטָֽאנוּ
STATEN

En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd!

41
וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֔ה לָ֥/מָּה זֶּ֛ה אַתֶּ֥ם עֹבְרִ֖ים אֶת פִּ֣י יְהוָ֑ה וְ/הִ֖וא לֹ֥א תִצְלָֽח
STATEN

Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben.

42
אַֽל תַּעֲל֔וּ כִּ֛י אֵ֥ין יְהוָ֖ה בְּ/קִרְבְּ/כֶ֑ם וְ/לֹא֙ תִּנָּ֣גְפ֔וּ לִ/פְנֵ֖י אֹיְבֵי/כֶֽם
STATEN

Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden.

43
כִּי֩ הָ/עֲמָלֵקִ֨י וְ/הַ/כְּנַעֲנִ֥י שָׁם֙ לִ/פְנֵי/כֶ֔ם וּ/נְפַלְתֶּ֖ם בֶּ/חָ֑רֶב כִּֽי עַל כֵּ֤ן שַׁבְתֶּם֙ מֵ/אַחֲרֵ֣י יְהוָ֔ה וְ/לֹא יִהְיֶ֥ה יְהוָ֖ה עִמָּ/כֶֽם
STATEN

Want de Amalekieten, en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u niet zijn.

44
וַ/יַּעְפִּ֕לוּ לַ/עֲל֖וֹת אֶל רֹ֣אשׁ הָ/הָ֑ר וַ/אֲר֤וֹן בְּרִית יְהוָה֙ וּ/מֹשֶׁ֔ה לֹא מָ֖שׁוּ מִ/קֶּ֥רֶב הַֽ/מַּחֲנֶֽה
STATEN

Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des HEEREN en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.

45
וַ/יֵּ֤רֶד הָ/עֲמָלֵקִי֙ וְ/הַֽ/כְּנַעֲנִ֔י הַ/יֹּשֵׁ֖ב בָּ/הָ֣ר הַ/ה֑וּא וַ/יַּכּ֥וּ/ם וַֽ/יַּכְּת֖וּ/ם עַד הַֽ/חָרְמָֽה
STATEN

Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.