TORAH

Numeri 28

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

2
צַ֚ו אֶת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/אָמַרְתָּ֖ אֲלֵ/הֶ֑ם אֶת קָרְבָּנִ֨/י לַחְמִ֜/י לְ/אִשַּׁ֗/י רֵ֚יחַ נִֽיחֹחִ֔/י תִּשְׁמְר֕וּ לְ/הַקְרִ֥יב לִ֖/י בְּ/מוֹעֲדֽ/וֹ
STATEN

Gebied den kinderen Israëls, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn spijze voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult gij waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd.

3
וְ/אָמַרְתָּ֣ לָ/הֶ֔ם זֶ֚ה הָֽ/אִשֶּׁ֔ה אֲשֶׁ֥ר תַּקְרִ֖יבוּ לַ/יהוָ֑ה כְּבָשִׂ֨ים בְּנֵֽי שָׁנָ֧ה תְמִימִ֛ם שְׁנַ֥יִם לַ/יּ֖וֹם עֹלָ֥ה תָמִֽיד
STATEN

En gij zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, hetwelk gij den HEERE offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren des daags, tot een gedurig brandoffer.

4
אֶת הַ/כֶּ֥בֶשׂ אֶחָ֖ד תַּעֲשֶׂ֣ה בַ/בֹּ֑קֶר וְ/אֵת֙ הַ/כֶּ֣בֶשׂ הַ/שֵּׁנִ֔י תַּעֲשֶׂ֖ה בֵּ֥ין הָֽ/עַרְבָּֽיִם
STATEN

Het ene lam zult gij bereiden des morgens; en het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.

5
וַ/עֲשִׂירִ֧ית הָ/אֵיפָ֛ה סֹ֖לֶת לְ/מִנְחָ֑ה בְּלוּלָ֛ה בְּ/שֶׁ֥מֶן כָּתִ֖ית רְבִיעִ֥ת הַ/הִֽין
STATEN

En een tiende deel ener efa meelbloem, ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel van een hin van gestoten olie.

6
עֹלַ֖ת תָּמִ֑יד הָ/עֲשֻׂיָה֙ בְּ/הַ֣ר סִינַ֔י לְ/רֵ֣יחַ נִיחֹ֔חַ אִשֶּׁ֖ה לַֽ/יהוָֽה
STATEN

Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer den HEERE.

7
וְ/נִסְכּ/וֹ֙ רְבִיעִ֣ת הַ/הִ֔ין לַ/כֶּ֖בֶשׂ הָ/אֶחָ֑ד בַּ/קֹּ֗דֶשׁ הַסֵּ֛ךְ נֶ֥סֶךְ שֵׁכָ֖ר לַ/יהוָֽה
STATEN

En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult gij het drankoffer des sterken dranks den HEERE offeren.

8
וְ/אֵת֙ הַ/כֶּ֣בֶשׂ הַ/שֵּׁנִ֔י תַּעֲשֶׂ֖ה בֵּ֣ין הָֽ/עַרְבָּ֑יִם כְּ/מִנְחַ֨ת הַ/בֹּ֤קֶר וּ/כְ/נִסְכּ/וֹ֙ תַּעֲשֶׂ֔ה אִשֵּׁ֛ה רֵ֥יחַ נִיחֹ֖חַ לַ/יהוָֽה
STATEN

En het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden; gelijk het spijsoffer des morgens, en gelijk zijn drankoffer zult gij het bereiden, ten vuuroffer des liefelijken reuks den HEERE.

9
וּ/בְ/יוֹם֙ הַ/שַּׁבָּ֔ת שְׁנֵֽי כְבָשִׂ֥ים בְּנֵֽי שָׁנָ֖ה תְּמִימִ֑ם וּ/שְׁנֵ֣י עֶשְׂרֹנִ֗ים סֹ֧לֶת מִנְחָ֛ה בְּלוּלָ֥ה בַ/שֶּׁ֖מֶן וְ/נִסְכּֽ/וֹ
STATEN

Maar op den sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, mitsgaders zijn drankoffer.

10
עֹלַ֥ת שַׁבַּ֖ת בְּ/שַׁבַּתּ֑/וֹ עַל עֹלַ֥ת הַ/תָּמִ֖יד וְ/נִסְכָּֽ/הּ
STATEN

Het is het brandoffer des sabbats op elken sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer.

11
וּ/בְ/רָאשֵׁי֙ חָדְשֵׁי/כֶ֔ם תַּקְרִ֥יבוּ עֹלָ֖ה לַ/יהוָ֑ה פָּרִ֨ים בְּנֵֽי בָקָ֤ר שְׁנַ֨יִם֙ וְ/אַ֣יִל אֶחָ֔ד כְּבָשִׂ֧ים בְּנֵי שָׁנָ֛ה שִׁבְעָ֖ה תְּמִימִֽם
STATEN

En in de beginselen uwer maanden zult gij een brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;

12
וּ/שְׁלֹשָׁ֣ה עֶשְׂרֹנִ֗ים סֹ֤לֶת מִנְחָה֙ בְּלוּלָ֣ה בַ/שֶּׁ֔מֶן לַ/פָּ֖ר הָ/אֶחָ֑ד וּ/שְׁנֵ֣י עֶשְׂרֹנִ֗ים סֹ֤לֶת מִנְחָה֙ בְּלוּלָ֣ה בַ/שֶּׁ֔מֶן לָ/אַ֖יִל הָֽ/אֶחָֽד
STATEN

En drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot den enen var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot den enen ram;

13
וְ/עִשָּׂרֹ֣ן עִשָּׂר֗וֹן סֹ֤לֶת מִנְחָה֙ בְּלוּלָ֣ה בַ/שֶּׁ֔מֶן לַ/כֶּ֖בֶשׂ הָ/אֶחָ֑ד עֹלָה֙ רֵ֣יחַ נִיחֹ֔חַ אִשֶּׁ֖ה לַ/יהוָֽה
STATEN

En tot elk een tiende deel meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer, den HEERE.

14
וְ/נִסְכֵּי/הֶ֗ם חֲצִ֣י הַ/הִין֩ יִהְיֶ֨ה לַ/פָּ֜ר וּ/שְׁלִישִׁ֧ת הַ/הִ֣ין לָ/אַ֗יִל וּ/רְבִיעִ֥ת הַ/הִ֛ין לַ/כֶּ֖בֶשׂ יָ֑יִן זֹ֣את עֹלַ֥ת חֹ֨דֶשׁ֙ בְּ/חָדְשׁ֔/וֹ לְ/חָדְשֵׁ֖י הַ/שָּׁנָֽה
STATEN

En hun drankofferen zullen zijn de helft van een hin tot een var, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer der nieuwe maan in elke maand, naar de maanden des jaars.

15
וּ/שְׂעִ֨יר עִזִּ֥ים אֶחָ֛ד לְ/חַטָּ֖את לַ/יהוָ֑ה עַל עֹלַ֧ת הַ/תָּמִ֛יד יֵעָשֶׂ֖ה וְ/נִסְכּֽ/וֹ
STATEN

Daartoe zal een geitenbok ten zondoffer den HEERE, boven het gedurige brandoffer, bereid worden, met zijn drankoffer.

16
וּ/בַ/חֹ֣דֶשׁ הָ/רִאשׁ֗וֹן בְּ/אַרְבָּעָ֥ה עָשָׂ֛ר י֖וֹם לַ/חֹ֑דֶשׁ פֶּ֖סַח לַ/יהוָֽה
STATEN

En in de eerste maand, op den veertienden dag der maand, is het pascha den HEERE.

17
וּ/בַ/חֲמִשָּׁ֨ה עָשָׂ֥ר י֛וֹם לַ/חֹ֥דֶשׁ הַ/זֶּ֖ה חָ֑ג שִׁבְעַ֣ת יָמִ֔ים מַצּ֖וֹת יֵאָכֵֽל
STATEN

En op den vijftienden dag derzelve maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden.

18
בַּ/יּ֥וֹם הָ/רִאשׁ֖וֹן מִקְרָא קֹ֑דֶשׁ כָּל מְלֶ֥אכֶת עֲבֹדָ֖ה לֹ֥א תַעֲשֽׂוּ
STATEN

Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gijlieden doen;

19
וְ/הִקְרַבְתֶּ֨ם אִשֶּׁ֤ה עֹלָה֙ לַֽ/יהוָ֔ה פָּרִ֧ים בְּנֵי בָקָ֛ר שְׁנַ֖יִם וְ/אַ֣יִל אֶחָ֑ד וְ/שִׁבְעָ֤ה כְבָשִׂים֙ בְּנֵ֣י שָׁנָ֔ה תְּמִימִ֖ם יִהְי֥וּ לָ/כֶֽם
STATEN

Maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.

20
וּ/מִ֨נְחָתָ֔/ם סֹ֖לֶת בְּלוּלָ֣ה בַ/שָּׁ֑מֶן שְׁלֹשָׁ֨ה עֶשְׂרֹנִ֜ים לַ/פָּ֗ר וּ/שְׁנֵ֧י עֶשְׂרֹנִ֛ים לָ/אַ֖יִל תַּעֲשֽׂוּ
STATEN

En hun spijsoffer zal zijn meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot een var, en twee tienden tot een ram zult gij bereiden.

21
עִשָּׂר֤וֹן עִשָּׂרוֹן֙ תַּעֲשֶׂ֔ה לַ/כֶּ֖בֶשׂ הָ/אֶחָ֑ד לְ/שִׁבְעַ֖ת הַ/כְּבָשִֽׂים
STATEN

Tot elk zult gij een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe.

22
וּ/שְׂעִ֥יר חַטָּ֖את אֶחָ֑ד לְ/כַפֵּ֖ר עֲלֵי/כֶֽם
STATEN

Daarna een bok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen.

23
מִ/לְּ/בַד֙ עֹלַ֣ת הַ/בֹּ֔קֶר אֲשֶׁ֖ר לְ/עֹלַ֣ת הַ/תָּמִ֑יד תַּעֲשׂ֖וּ אֶת אֵֽלֶּה
STATEN

Behalve het morgenbrandoffer, hetwelk tot een gedurig brandoffer is, zult gij deze dingen bereiden.

24
כָּ/אֵ֜לֶּה תַּעֲשׂ֤וּ לַ/יּוֹם֙ שִׁבְעַ֣ת יָמִ֔ים לֶ֛חֶם אִשֵּׁ֥ה רֵֽיחַ נִיחֹ֖חַ לַ/יהוָ֑ה עַל עוֹלַ֧ת הַ/תָּמִ֛יד יֵעָשֶׂ֖ה וְ/נִסְכּֽ/וֹ
STATEN

Achtervolgens deze dingen zult gij des daags, zeven dagen lang, de spijze des vuuroffers bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; boven dat gedurig brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer.

25
וּ/בַ/יּוֹם֙ הַ/שְּׁבִיעִ֔י מִקְרָא קֹ֖דֶשׁ יִהְיֶ֣ה לָ/כֶ֑ם כָּל מְלֶ֥אכֶת עֲבֹדָ֖ה לֹ֥א תַעֲשֽׂוּ
STATEN

En op den zevenden dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.

26
וּ/בְ/י֣וֹם הַ/בִּכּוּרִ֗ים בְּ/הַקְרִ֨יבְ/כֶ֜ם מִנְחָ֤ה חֲדָשָׁה֙ לַֽ/יהוָ֔ה בְּ/שָׁבֻעֹ֖תֵי/כֶ֑ם מִֽקְרָא קֹ֨דֶשׁ֙ יִהְיֶ֣ה לָ/כֶ֔ם כָּל מְלֶ֥אכֶת עֲבֹדָ֖ה לֹ֥א תַעֲשֽׂוּ
STATEN

Insgelijks op den dag der eerstelingen, als gij een nieuw spijsoffer den HEERE zult offeren naar uw weken, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.

27
וְ/הִקְרַבְתֶּ֨ם עוֹלָ֜ה לְ/רֵ֤יחַ נִיחֹ֨חַ֙ לַֽ/יהוָ֔ה פָּרִ֧ים בְּנֵי בָקָ֛ר שְׁנַ֖יִם אַ֣יִל אֶחָ֑ד שִׁבְעָ֥ה כְבָשִׂ֖ים בְּנֵ֥י שָׁנָֽה
STATEN

Dan zult gij den HEERE een brandoffer ten liefelijken reuk offeren: twee jonge varren, een ram, zeven eenjarige lammeren;

28
וּ/מִנְחָתָ֔/ם סֹ֖לֶת בְּלוּלָ֣ה בַ/שָּׁ֑מֶן שְׁלֹשָׁ֤ה עֶשְׂרֹנִים֙ לַ/פָּ֣ר הָֽ/אֶחָ֔ד שְׁנֵי֙ עֶשְׂרֹנִ֔ים לָ/אַ֖יִל הָ/אֶחָֽד
STATEN

En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, twee tienden tot een ram;

29
עִשָּׂרוֹן֙ עִשָּׂר֔וֹן לַ/כֶּ֖בֶשׂ הָ/אֶחָ֑ד לְ/שִׁבְעַ֖ת הַ/כְּבָשִֽׂים
STATEN

Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;

30
שְׂעִ֥יר עִזִּ֖ים אֶחָ֑ד לְ/כַפֵּ֖ר עֲלֵי/כֶֽם
STATEN

Een geitenbok, om voor u verzoening te doen.

31
מִ/לְּ/בַ֞ד עֹלַ֧ת הַ/תָּמִ֛יד וּ/מִנְחָת֖/וֹ תַּעֲשׂ֑וּ תְּמִימִ֥ם יִהְיוּ לָ/כֶ֖ם וְ/נִסְכֵּי/הֶֽם
STATEN

Behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, zult gij ze bereiden; zij zullen u volkomen zijn met hun drankofferen.