TORAH

Numeri 3

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וְ/אֵ֛לֶּה תּוֹלְדֹ֥ת אַהֲרֹ֖ן וּ/מֹשֶׁ֑ה בְּ/י֗וֹם דִּבֶּ֧ר יְהוָ֛ה אֶת מֹשֶׁ֖ה בְּ/הַ֥ר סִינָֽי
STATEN

Dit nu zijn de geboorten van Aäron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinaï.

2
וְ/אֵ֛לֶּה שְׁמ֥וֹת בְּֽנֵי אַהֲרֹ֖ן הַ/בְּכ֣וֹר נָדָ֑ב וַ/אֲבִיה֕וּא אֶלְעָזָ֖ר וְ/אִיתָמָֽר
STATEN

En dit zijn de namen der zonen van Aäron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abíhu, Eleázar, en Ithamar.

3
אֵ֗לֶּה שְׁמוֹת֙ בְּנֵ֣י אַהֲרֹ֔ן הַ/כֹּהֲנִ֖ים הַ/מְּשֻׁחִ֑ים אֲשֶׁר מִלֵּ֥א יָדָ֖/ם לְ/כַהֵֽן
STATEN

Dit zijn de namen der zonen van Aäron, der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.

4
וַ/יָּ֣מָת נָדָ֣ב וַ/אֲבִיה֣וּא לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֡ה בְּֽ/הַקְרִבָ/ם֩ אֵ֨שׁ זָרָ֜ה לִ/פְנֵ֤י יְהוָה֙ בְּ/מִדְבַּ֣ר סִינַ֔י וּ/בָנִ֖ים לֹא הָי֣וּ לָ/הֶ֑ם וַ/יְכַהֵ֤ן אֶלְעָזָר֙ וְ/אִ֣יתָמָ֔ר עַל פְּנֵ֖י אַהֲרֹ֥ן אֲבִי/הֶֽם
STATEN

Maar Nadab en Abíhu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleázar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron.

5
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

6
הַקְרֵב֙ אֶת מַטֵּ֣ה לֵוִ֔י וְֽ/הַעֲמַדְתָּ֣ אֹת֔/וֹ לִ/פְנֵ֖י אַהֲרֹ֣ן הַ/כֹּהֵ֑ן וְ/שֵׁרְת֖וּ אֹתֽ/וֹ
STATEN

Doe den stam Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aäron, opdat zij hem dienen;

7
וְ/שָׁמְר֣וּ אֶת מִשְׁמַרְתּ֗/וֹ וְ/אֶת מִשְׁמֶ֨רֶת֙ כָּל הָ֣/עֵדָ֔ה לִ/פְנֵ֖י אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד לַ/עֲבֹ֖ד אֶת עֲבֹדַ֥ת הַ/מִּשְׁכָּֽן
STATEN

En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht der gehele vergadering, voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen;

8
וְ/שָׁמְר֗וּ אֶֽת כָּל כְּלֵי֙ אֹ֣הֶל מוֹעֵ֔ד וְ/אֶת מִשְׁמֶ֖רֶת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל לַ/עֲבֹ֖ד אֶת עֲבֹדַ֥ת הַ/מִּשְׁכָּֽן
STATEN

En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht der kinderen Israëls waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen.

9
וְ/נָתַתָּה֙ אֶת הַ/לְוִיִּ֔ם לְ/אַהֲרֹ֖ן וּ/לְ/בָנָ֑י/ו נְתוּנִ֨ם נְתוּנִ֥ם הֵ֨מָּה֙ ל֔/וֹ מֵ/אֵ֖ת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Gij zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israëls.

10
וְ/אֶת אַהֲרֹ֤ן וְ/אֶת בָּנָי/ו֙ תִּפְקֹ֔ד וְ/שָׁמְר֖וּ אֶת כְּהֻנָּתָ֑/ם וְ/הַ/זָּ֥ר הַ/קָּרֵ֖ב יוּמָֽת
STATEN

Maar Aäron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.

11
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

12
וַ/אֲנִ֞י הִנֵּ֧ה לָקַ֣חְתִּי אֶת הַ/לְוִיִּ֗ם מִ/תּוֹךְ֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל תַּ֧חַת כָּל בְּכ֛וֹר פֶּ֥טֶר רֶ֖חֶם מִ/בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/הָ֥יוּ לִ֖/י הַ/לְוִיִּֽם
STATEN

En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israëls; en de Levieten zullen Mijne zijn.

13
כִּ֣י לִ/י֮ כָּל בְּכוֹר֒ בְּ/יוֹם֩ הַכֹּתִ֨/י כָל בְּכ֜וֹר בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֗יִם הִקְדַּ֨שְׁתִּי לִ֤/י כָל בְּכוֹר֙ בְּ/יִשְׂרָאֵ֔ל מֵ/אָדָ֖ם עַד בְּהֵמָ֑ה לִ֥/י יִהְי֖וּ אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen In Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!

14
וַ/יְדַבֵּ֤ר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה בְּ/מִדְבַּ֥ר סִינַ֖י לֵ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, zeggende:

15
פְּקֹד֙ אֶת בְּנֵ֣י לֵוִ֔י לְ/בֵ֥ית אֲבֹתָ֖/ם לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֑/ם כָּל זָכָ֛ר מִ/בֶּן חֹ֥דֶשׁ וָ/מַ֖עְלָ/ה תִּפְקְדֵֽ/ם
STATEN

Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult gij tellen.

16
וַ/יִּפְקֹ֥ד אֹתָ֛/ם מֹשֶׁ֖ה עַל פִּ֣י יְהוָ֑ה כַּ/אֲשֶׁ֖ר צֻוָּֽה
STATEN

En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk als hem geboden was.

17
וַ/יִּֽהְיוּ אֵ֥לֶּה בְנֵֽי לֵוִ֖י בִּ/שְׁמֹתָ֑/ם גֵּרְשׁ֕וֹן וּ/קְהָ֖ת וּ/מְרָרִֽי
STATEN

Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merári.

18
וְ/אֵ֛לֶּה שְׁמ֥וֹת בְּֽנֵי גֵרְשׁ֖וֹן לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֑/ם לִבְנִ֖י וְ/שִׁמְעִֽי
STATEN

En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simeï.

19
וּ/בְנֵ֥י קְהָ֖ת לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֑/ם עַמְרָ֣ם וְ/יִצְהָ֔ר חֶבְר֖וֹן וְ/עֻזִּיאֵֽל
STATEN

En de zonen van Kahath, naar hun geslachten: Amram en Izhar, Hebron en Uzziël.

20
וּ/בְנֵ֧י מְרָרִ֛י לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֖/ם מַחְלִ֣י וּ/מוּשִׁ֑י אֵ֥לֶּה הֵ֛ם מִשְׁפְּחֹ֥ת הַ/לֵּוִ֖י לְ/בֵ֥ית אֲבֹתָֽ/ם
STATEN

En de zonen van Merári, naar hun geslachten: Máheli en Mûsi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.

21
לְ/גֵ֣רְשׁ֔וֹן מִשְׁפַּ֨חַת֙ הַ/לִּבְנִ֔י וּ/מִשְׁפַּ֖חַת הַ/שִּׁמְעִ֑י אֵ֣לֶּה הֵ֔ם מִשְׁפְּחֹ֖ת הַ/גֵּרְשֻׁנִּֽי
STATEN

Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeïeten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.

22
פְּקֻדֵי/הֶם֙ בְּ/מִסְפַּ֣ר כָּל זָכָ֔ר מִ/בֶּן חֹ֖דֶשׁ וָ/מָ֑עְלָ/ה פְּקֻ֣דֵי/הֶ֔ם שִׁבְעַ֥ת אֲלָפִ֖ים וַ/חֲמֵ֥שׁ מֵאֽוֹת
STATEN

Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.

23
מִשְׁפְּחֹ֖ת הַ/גֵּרְשֻׁנִּ֑י אַחֲרֵ֧י הַ/מִּשְׁכָּ֛ן יַחֲנ֖וּ יָֽמָּ/ה
STATEN

De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den tabernakel, westwaarts.

24
וּ/נְשִׂ֥יא בֵֽית אָ֖ב לַ/גֵּרְשֻׁנִּ֑י אֶלְיָסָ֖ף בֶּן לָאֵֽל
STATEN

De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Laël.

25
וּ/מִשְׁמֶ֤רֶת בְּנֵֽי גֵרְשׁוֹן֙ בְּ/אֹ֣הֶל מוֹעֵ֔ד הַ/מִּשְׁכָּ֖ן וְ/הָ/אֹ֑הֶל מִכְסֵ֕/הוּ וּ/מָסַ֕ךְ פֶּ֖תַח אֹ֥הֶל מוֹעֵֽד
STATEN

En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent der samenkomst;

26
וְ/קַלְעֵ֣י הֶֽ/חָצֵ֗ר וְ/אֶת מָסַךְ֙ פֶּ֣תַח הֶֽ/חָצֵ֔ר אֲשֶׁ֧ר עַל הַ/מִּשְׁכָּ֛ן וְ/עַל הַ/מִּזְבֵּ֖חַ סָבִ֑יב וְ/אֵת֙ מֵֽיתָרָ֔י/ו לְ/כֹ֖ל עֲבֹדָתֽ/וֹ
STATEN

En de behangselen des voorhofs, en het deksel van de deur des voorhofs, welke bij den tabernakel en bij het altaar rondom zijn; mitsgaders zijn zelen, tot zijn gansen dienst.

27
וְ/לִ/קְהָ֗ת מִשְׁפַּ֤חַת הַֽ/עַמְרָמִי֙ וּ/מִשְׁפַּ֣חַת הַ/יִּצְהָרִ֔י וּ/מִשְׁפַּ֨חַת֙ הַֽ/חֶבְרֹנִ֔י וּ/מִשְׁפַּ֖חַת הָֽ/עָזִּיאֵלִ֑י אֵ֥לֶּה הֵ֖ם מִשְׁפְּחֹ֥ת הַ/קְּהָתִֽי
STATEN

En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzziëlieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.

28
בְּ/מִסְפַּר֙ כָּל זָכָ֔ר מִ/בֶּן חֹ֖דֶשׁ וָ/מָ֑עְלָ/ה שְׁמֹנַ֤ת אֲלָפִים֙ וְ/שֵׁ֣שׁ מֵא֔וֹת שֹׁמְרֵ֖י מִשְׁמֶ֥רֶת הַ/קֹּֽדֶשׁ
STATEN

In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.

29
מִשְׁפְּחֹ֥ת בְּנֵי קְהָ֖ת יַחֲנ֑וּ עַ֛ל יֶ֥רֶךְ הַ/מִּשְׁכָּ֖ן תֵּימָֽנָ/ה
STATEN

De geslachten der zonen van Kahath zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.

30
וּ/נְשִׂ֥יא בֵֽית אָ֖ב לְ/מִשְׁפְּחֹ֣ת הַ/קְּהָתִ֑י אֶלִיצָפָ֖ן בֶּן עֻזִּיאֵֽל
STATEN

De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elísafan, de zoon van Uzziël.

31
וּ/מִשְׁמַרְתָּ֗/ם הָ/אָרֹ֤ן וְ/הַ/שֻּׁלְחָן֙ וְ/הַ/מְּנֹרָ֣ה וְ/הַֽ/מִּזְבְּחֹ֔ת וּ/כְלֵ֣י הַ/קֹּ֔דֶשׁ אֲשֶׁ֥ר יְשָׁרְת֖וּ בָּ/הֶ֑ם וְ/הַ֨/מָּסָ֔ךְ וְ/כֹ֖ל עֲבֹדָתֽ/וֹ
STATEN

Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort.

32
וּ/נְשִׂיא֙ נְשִׂיאֵ֣י הַ/לֵּוִ֔י אֶלְעָזָ֖ר בֶּן אַהֲרֹ֣ן הַ/כֹּהֵ֑ן פְּקֻדַּ֕ת שֹׁמְרֵ֖י מִשְׁמֶ֥רֶת הַ/קֹּֽדֶשׁ
STATEN

De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleázar, de zoon van Aäron, den priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht des heiligdoms waarnemen.

33
לִ/מְרָרִ֕י מִשְׁפַּ֨חַת֙ הַ/מַּחְלִ֔י וּ/מִשְׁפַּ֖חַת הַ/מּוּשִׁ֑י אֵ֥לֶּה הֵ֖ם מִשְׁפְּחֹ֥ת מְרָרִֽי
STATEN

Van Merári is het geslacht der Máhelieten, en het geslacht der Mûsieten; dit zijn de geslachten van Merári.

34
וּ/פְקֻדֵי/הֶם֙ בְּ/מִסְפַּ֣ר כָּל זָכָ֔ר מִ/בֶּן חֹ֖דֶשׁ וָ/מָ֑עְלָ/ה שֵׁ֥שֶׁת אֲלָפִ֖ים וּ/מָאתָֽיִם
STATEN

En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.

35
וּ/נְשִׂ֤יא בֵֽית אָב֙ לְ/מִשְׁפְּחֹ֣ת מְרָרִ֔י צוּרִיאֵ֖ל בֶּן אֲבִיחָ֑יִל עַ֣ל יֶ֧רֶךְ הַ/מִּשְׁכָּ֛ן יַחֲנ֖וּ צָפֹֽנָ/ה
STATEN

De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merári zal zijn Zûriël, de zoon van Abíhaïl; zij zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, noordwaarts.

36
וּ/פְקֻדַּ֣ת מִשְׁמֶרֶת֮ בְּנֵ֣י מְרָרִי֒ קַרְשֵׁי֙ הַ/מִּשְׁכָּ֔ן וּ/בְרִיחָ֖י/ו וְ/עַמֻּדָ֣י/ו וַ/אֲדָנָ֑י/ו וְ/כָל כֵּלָ֔י/ו וְ/כֹ֖ל עֲבֹדָתֽ/וֹ
STATEN

En het opzicht der wachten van de zonen van Merári zal zijn over de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;

37
וְ/עַמֻּדֵ֧י הֶ/חָצֵ֛ר סָבִ֖יב וְ/אַדְנֵי/הֶ֑ם וִ/יתֵדֹתָ֖/ם וּ/מֵֽיתְרֵי/הֶֽם
STATEN

En de pilaren des voorhofs rondom, en hun voeten, en hun pennen, en hun zelen.

38
וְ/הַ/חֹנִ֣ים לִ/פְנֵ֣י הַ/מִּשְׁכָּ֡ן קֵ֣דְמָ/ה לִ/פְנֵי֩ אֹֽהֶל מוֹעֵ֨ד מִזְרָ֜חָ/ה מֹשֶׁ֣ה וְ/אַהֲרֹ֣ן וּ/בָנָ֗י/ו שֹֽׁמְרִים֙ מִשְׁמֶ֣רֶת הַ/מִּקְדָּ֔שׁ לְ/מִשְׁמֶ֖רֶת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/הַ/זָּ֥ר הַ/קָּרֵ֖ב יוּמָֽת
STATEN

Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der kinderen Israëls; en de vreemde die nadert, zal gedood worden.

39
כָּל פְּקוּדֵ֨י הַ/לְוִיִּ֜ם אֲשֶׁר֩ פָּקַ֨ד מֹשֶׁ֧ה וְׄ/אַׄהֲׄרֹ֛ׄןׄ עַל פִּ֥י יְהוָ֖ה לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֑/ם כָּל זָכָר֙ מִ/בֶּן חֹ֣דֶשׁ וָ/מַ֔עְלָ/ה שְׁנַ֥יִם וְ/עֶשְׂרִ֖ים אָֽלֶף
STATEN

Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.

40
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֶל מֹשֶׁ֗ה פְּקֹ֨ד כָּל בְּכֹ֤ר זָכָר֙ לִ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל מִ/בֶּן חֹ֖דֶשׁ וָ/מָ֑עְלָ/ה וְ/שָׂ֕א אֵ֖ת מִסְפַּ֥ר שְׁמֹתָֽ/ם
STATEN

En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen Israëls, van een maand oud en daarboven; en neem het getal hunner namen op.

41
וְ/לָקַחְתָּ֨ אֶת הַ/לְוִיִּ֥ם לִ/י֙ אֲנִ֣י יְהוָ֔ה תַּ֥חַת כָּל בְּכֹ֖ר בִּ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/אֵת֙ בֶּהֱמַ֣ת הַ/לְוִיִּ֔ם תַּ֣חַת כָּל בְּכ֔וֹר בְּ/בֶהֱמַ֖ת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En gij zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben de HEERE!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls, en de beesten der Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israëls.

42
וַ/יִּפְקֹ֣ד מֹשֶׁ֔ה כַּ/אֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֹת֑/וֹ אֶֽת כָּל בְּכֹ֖ר בִּ/בְנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls.

43
וַ/יְהִי֩ כָל בְּכ֨וֹר זָכָ֜ר בְּ/מִסְפַּ֥ר שֵׁמ֛וֹת מִ/בֶּן חֹ֥דֶשׁ וָ/מַ֖עְלָ/ה לִ/פְקֻדֵי/הֶ֑ם שְׁנַ֤יִם וְ/עֶשְׂרִים֙ אֶ֔לֶף שְׁלֹשָׁ֥ה וְ/שִׁבְעִ֖ים וּ/מָאתָֽיִם
STATEN

En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.

44
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

45
קַ֣ח אֶת הַ/לְוִיִּ֗ם תַּ֤חַת כָּל בְּכוֹר֙ בִּ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/אֶת בֶּהֱמַ֥ת הַ/לְוִיִּ֖ם תַּ֣חַת בְּהֶמְתָּ֑/ם וְ/הָיוּ לִ֥/י הַ/לְוִיִּ֖ם אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israëls, en de beesten der Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!

46
וְ/אֵת֙ פְּדוּיֵ֣י הַ/שְּׁלֹשָׁ֔ה וְ/הַ/שִּׁבְעִ֖ים וְ/הַ/מָּאתָ֑יִם הָ/עֹֽדְפִים֙ עַל הַ/לְוִיִּ֔ם מִ/בְּכ֖וֹר בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Aangaande de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de kinderen Israëls;

47
וְ/לָקַחְתָּ֗ חֲמֵ֧שֶׁת חֲמֵ֛שֶׁת שְׁקָלִ֖ים לַ/גֻּלְגֹּ֑לֶת בְּ/שֶׁ֤קֶל הַ/קֹּ֨דֶשׁ֙ תִּקָּ֔ח עֶשְׂרִ֥ים גֵּרָ֖ה הַ/שָּֽׁקֶל
STATEN

Gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen; die sikkel is twintig gera.

48
וְ/נָתַתָּ֣ה הַ/כֶּ֔סֶף לְ/אַהֲרֹ֖ן וּ/לְ/בָנָ֑י/ו פְּדוּיֵ֕י הָ/עֹדְפִ֖ים בָּ/הֶֽם
STATEN

En gij zult dat geld aan Aäron en zijn zonen geven, het geld der gelosten die onder hen overschieten.

49
וַ/יִּקַּ֣ח מֹשֶׁ֔ה אֵ֖ת כֶּ֣סֶף הַ/פִּדְי֑וֹם מֵ/אֵת֙ הָ/עֹ֣דְפִ֔ים עַ֖ל פְּדוּיֵ֥י הַ/לְוִיִּֽם
STATEN

Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.

50
מֵ/אֵ֗ת בְּכ֛וֹר בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל לָקַ֣ח אֶת הַ/כָּ֑סֶף חֲמִשָּׁ֨ה וְ/שִׁשִּׁ֜ים וּ/שְׁלֹ֥שׁ מֵא֛וֹת וָ/אֶ֖לֶף בְּ/שֶׁ֥קֶל הַ/קֹּֽדֶשׁ
STATEN

Van de eerstgeborenen van de kinderen Israëls nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.

51
וַ/יִּתֵּ֨ן מֹשֶׁ֜ה אֶת כֶּ֧סֶף הַ/פְּדֻיִ֛ם לְ/אַהֲרֹ֥ן וּ/לְ/בָנָ֖י/ו עַל פִּ֣י יְהוָ֑ה כַּ/אֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֶת מֹשֶֽׁה
STATEN

En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aäron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.